Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/5.2.1.3
5.2.1.3 Een medezeggenschapsrechtelijke benadering
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS483774:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Zie OK 2 april 1987, NJ 1988, 382, m.nt. Ma. (Shell Research).
OK 15 april 2004, JOR 2004/165 en ARO 2004, 63 (VNU Publitec).
HR 4 februari 2005, NJ 2005, 127, m.nt. Ma. en JOR 2005/58, m.nt. Van den Ingh (Landis). Zie meer recent OK 12 februari 2012, JOR 2012/143 (Chinese Workers). Het tegen deze uitspraak ingestelde cassatieberoep is verworpen (HR 29 maart 2013, LJN BY7833).
Ontleend aan HR inzake gemeentelijke herindeling Haaglanden (HR 26 januari 2000, NJ 2000, 223 m.nt. Ma. en JOR 2000/55 m.nt. Van het Kaar). Ik verwijs in het bijzonder naar r.o. 3.4 slot. Deze voorwaarde zal onderscheidend blijken te zijn als ik in par. 5.4.2.2 over vereenzelviging kom te spreken.
De vennootschapsrechtelijke benadering spreekt mij aan. Zij is echter onder omstandigheden ontoereikend als waarborg dat de ondernemingsraad op een zodanig tijdstip in de gelegenheid gesteld moet worden een advies uit te brengen dat dit van wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit (art. 25 lid 2 WOR). Daarbij moet men aan twee situaties denken. De eerste is die waarin door (het bestuur van) de dochter vennootschappelijk geen besluit meer genomen hoeft te worden, omdat reeds met het besluit van de moeder datgene wordt bewerkstelligd wat op zich genomen aan het advies van de ondernemingsraad onderworpen is. Een goed voorbeeld, zullen we later zien, biedt het besluit tot overdracht van de zeggenschap in de ondernemer. De tweede is die waarin het bestuur van de dochter bij het besluit dat zij formeel vennootschappelijk nog moet nemen, de vrijheid niet heeft of de vrijheid niet neemt om op basis van een eigen afweging tot een (voorgenomen) besluit in de zin van art. 25 WOR te komen. Het besluit van de moeder verliest dan voor toepassing van art. 25 lid 1 WOR het karakter van een aanwijzing. Dit betekent dat het advies van de ondernemingsraad geen wezenlijke invloed meer kan hebben op het besluit dat het bestuur van de dochter, dat zij, voordat zij het vennootschappelijk gaat nemen, ter advisering aan de ondernemingsraad voorlegt. Hiermee beland ik bij een medezeggenschapsrechtelijke benadering van de toerekening, die ik beschouw als een correctie op de vennootschapsrechtelijke benadering. In de medezeggenschapsrechtelijke benadering is de (formele) vennootschappelijke besluitvorming binnen de dochter relevant maar niet beslissend voor de vraag of en wanneer de ondernemingsraad in de gelegenheid gesteld dient te worden een advies uit te brengen. Vennootschappelijk kan het zo zijn dat er (nog) geen sprake is van een besluit, ‘voor de toepassing van art. 25 WOR’1 of ‘voor doeleinden van medezeggenschap’2 heeft een besluit van een derde te gelden als een besluit van de ondernemer. Dat door vennootschappelijke structuren heen wordt gekeken, is overigens niet ongebruikelijk. We zien dit bijvoorbeeld ook in het enquêterecht. In de Landis-zaak speelde de economische werkelijkheid dat een moeder en haar dochtervennootschappen een eenheid onder centrale leiding vormden, een rol voor toewijzing van een enquêteverzoek van aandeelhouders in de moeder dat zich mede uitstrekte tot de dochters waarvan de verzoekers formeel geen aandeelhouder waren.3 In de medezeggenschapsrechtelijke benadering moet een besluit worden toegerekend, indien is voldaan aan de volgende voorwaarden:
Het besluit van de derde grijpt rechtstreeks in of het heeft specifiek betrekking op de onderneming waarvoor de ondernemingsraad is ingesteld.
Tussen de ondernemer en de derde die het besluit neemt bestaat een bijzondere zeggenschapsrelatie, doorgaans, maar niet noodzakelijk, in de vorm van aandelenbezit.
De ondernemer zou het betreffende besluit zelf ook kunnen nemen.4