Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/7.6
7.6 Evaluatieonderzoek naar de Richtlijn passende arbeid 1992
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258991:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Voetnoten
Voetnoten
In het SER-advies Verruiming van het begrip passende arbeid 1995 wordt verwezen naar het onderzoeksrapport van Ipso Facto, Richtlijn passende arbeid, evaluatie van de toepassing van de richtlijn door uitvoeringsorganisaties 1994. De uitkomsten van het rapport zijn uit het SER-advies en uit Toet e.a., Passende arbeid 1997, p. 17 e.v. gehaald.
Toet e.a., Passende arbeid 1997, p. 17.
Richtlijn passende arbeid, evaluatie van de toepassing van de richtlijn door uitvoeringsorganisaties 1994, p. 34-35.
Richtlijn passende arbeid, evaluatie van de toepassing van de richtlijn door uitvoeringsorganisaties 1994, p. 34-35. Het rapport citeert een onderzoek van het SEO Kansen op werk (OAV/Onderzoek, Hoe werven bedrijven 1993, Rijswijk januari 1994) waaruit bleek dat zich een omvangrijke verdringing had voorgedaan. Bij ruim 25% van de vacatures heeft in de periode september 1992-augustus 1993 verdringing plaatsgevonden bij ongeschoolden en personen met een mavo-opleiding.
SER-advies Verruiming van het begrip passende arbeid 1995, p. 18.
Toet e.a., Passende arbeid 1997, p. 18.
Richtlijn passende arbeid, evaluatie van de toepassing van de richtlijn door uitvoeringsorganisaties 1994, p. 35-36.
Bij de publicatie van de richtlijn is aangekondigd dat na verloop van tijd een evaluatieonderzoek zou plaatsvinden. Dit is door het bureau Ipso Facto in 1993 en 1994 gedaan door middel van interviews met uitvoerders en vertegenwoordigers van het middle management van sociale diensten, arbeidsbureaus en bedrijfsverenigingen.1 Uit de evaluatie kwam naar voren dat de richtlijn niet goed aansloot bij de situatie in de uitvoeringspraktijk en niet of nauwelijks werd toegepast. De verklaring hiervoor lag vooral in de toen geldende arbeidsmarktsituatie, namelijk een groot aantal werkzoekenden versus een beperkt aantal vacatures, en een tekort aan tijd, mensen en middelen. Ook werd de richtlijn voor sommige situaties te streng geacht om recht te doen aan de verschillen tussen individuen en hun situaties.2
Uit de interviews met het middle management kwam het beeld naar voren dat de richtlijn niet expliciet werd nagestreefd vanwege praktische en principiële redenen. Het algemeen beeld was dat er een tekort aan vacatures was en een overschot van gemotiveerde werkzoekenden, waardoor men niet aan toepassing van de richtlijn toekwam. Ook was het opleggen van sancties voor deze groep niet nodig, aangezien een meerderheid al gemotiveerd was en zich uit zichzelf ruimer opstelde op de arbeidsmarkt. Sancties waren pas aan de orde bij weigering en dit kwam volgens het middle management van zowel de arbeidsbureaus alsook de uitkerende instanties nauwelijks voor. Het zou, aldus de geïnterviewden, ook geen zin hebben om de werkzoekenden op een lager niveau te laten solliciteren, omdat uit onderzoek was gebleken dat werkgevers over het algemeen werknemers die te hoog waren opgeleiden voor de betreffende functie niet aannamen.3
Het gebrek aan tijd, middelen en menskracht bracht bovendien met zich mee dat de extra tijdsinvestering bij een strengere uitvoering in deze arbeidsmarktsituatie niet veel rendement met zich mee zou brengen, maar wel tot een hoge werkdruk zou leiden. De eerste prioriteit was het verstrekken van uitkeringen en daarna gaf men prioriteit aan het begeleiden en controleren van werkzoekenden. Het onderzoek concludeerde dat de combinatie van werkdruk en voldoende geschikte kandidaten op de arbeidsmarkt de toepassing van de richtlijn in de weg stond. De principiële redenen om de richtlijn niet toe te passen lagen in het feit dat er weinig aandacht was voor het individu en er een risico was van verdringing op de arbeidsmarkt.4 Een respondent zei kenmerkend: “Wat passend is, is vaak niet in criteria te vangen, het verschilt van geval tot geval”.
Uit het evaluatieonderzoek bleek dat in de praktijk men vasthield aan de eigen werkwijze ten aanzien van passende arbeid en de richtlijn nauwelijks tot aanpassing leidde. Tijdens de intake van een werkloze werd door het arbeidsbureau een schatting gemaakt van de kansen op werk en op basis daarvan werd een bepaalde vorm en intensiteit van begeleiding vastgesteld. Stimuleren en adviseren waren daarbij belangrijker dan sanctioneren. Naarmate de werkloosheid langer duurde werd wel van de werkzoekende een ruimere opstelling gevraagd. Controle op sollicitatie-activiteiten vond in beperkte mate plaats vanwege een gebrek aan tijd en middelen. Er was geen frequent en inhoudelijk cliëntcontact en cliëntgerichtheid, maar meer een vacaturegerichte aanpak.5 Er werd ook slecht samengewerkt tussen het arbeidsbureau en de uitkerende instantie, tenzij in een regio met één loket werd gewerkt.6 Met het uitgangspunt van een activerend beleid konden de uitvoerders leven, maar in de praktijk was er vaak begrip voor de moeilijke positie van een cliënt en was het soms praktisch gezien niet mogelijk om de richtlijn op het individu toe te passen, zodat de doelstelling van vasthouden aan een streng activerend beleid op de achtergrond raakte. Op grond van subjectieve criteria werden uiteindelijk veel uitzonderingen op de algemene objectieve criteria geaccepteerd bij het toepassen van de richtlijn.7