Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/8.3.4
8.3.4 De correctie-Langemeijer; niet een correctief
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS585125:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015, nr. 138; Den Hollander 2016, p. 154 t/m 161; en Lankhorst 1992a, p. 25 t/m 31.
Langemeijer 1934, p. 617 t/m 622; Langemeijer 1940a, p. 387, 388; en Langemeijers conclusie vóór Tandartsen I.
Verheij 2014, p. 98 heeft deze vraag terecht ook gesteld, en betoogd, zo begrijp ik, dat de correctie-Langemeijer overbodig is en slechts compliceert.
Zie hierover § 5.3.
Langemeijer 1934, p. 617 t/m 622 en ook Langemeijer 1940a, p. 387.
In de lagere rechtspraak wordt deze benadering gevolgd: geoordeeld wordt of de schending van de wettelijke norm een ongeoorloofde voorsprong geeft, zie voor enkele voorbeelden: Rb. Utrecht 31 juli 2003, NJF 2003/19 (De Nationale Stichting tot Exploitatie van Casinospelen in Nederland/Peak Entertainment); Hof Arnhem 2 september 2003, NJF 2003/60 (De Nationale Sporttotalisator/Ladbrokes); Rb. Leeuwarden 3 december 2003,NJ 2004/191 (Orde van Advocaten/Rechtsbijstand Friesland); Hof Amsterdam 16 december 2004, NJF 2005/156 (Stargames/De Stichting Exploitatie Nederlandse Staatsloterij). Op deze manier laat zich ook HR 24 april 2006,NJ 2009/485 m.nt. M.R. Mok (Pfizer/Cosmétique) begrijpen.
Zowel deze wet als dit besluit is niet meer van kracht.
Waar Verheij 2014, p. 98 de weg van een ruimere uitleg van de strekking van de geschonden norm in deze gevallen voorstaat, ziet hij hieraan naar mijn mening voorbij.
Inleiding
401. In het voorgaande besprak ik situaties waarin het niet redelijk zou zijn om aansprakelijkheid te begrenzen aan de hand van het doel van de geschonden norm. In de besproken gevallen werd niet uitdrukkelijk onderkend dat het begrenzen van aansprakelijkheid op deze wijze onredelijk zou zijn. In plaats daarvan werd doorgaans de strekking van de geschonden norm ruimer uitgelegd dan de met de norm beoogde bescherming. In de literatuur worden de besproken verschijnselen niet breed als zodanig onderkend.
Niettemin is in de literatuur sinds lange tijd de heersende opvatting dat de toepassing van de relativiteitsleer tot een te scherpe begrenzing van aansprakelijkheid kan leiden. Volgens de literatuur kan dan door middel van de correctie-Langemeijer tot een wenselijke omvang van aansprakelijkheid worden gekomen. Bij de toepassing van deze figuur wordt de aansprakelijkheid van de laedens niet zozeer gebaseerd op de geschonden wettelijke norm, die niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals geleden, maar op een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm die wel de benodigde bescherming biedt. Het bijzondere van deze constructie is dat het gegeven dat de laedens met zijn gedraging een wettelijke norm heeft geschonden die niet strekte tot bescherming tegen de schade zoals geleden, eraan bijdraagt, soms zelfs beslissend, dat de laedens zich tevens aan een norm van ongeschreven recht diende te houden die wel strekte tot bescherming tegen de schade zoals geleden.1 In Tandartsen I2 heeft de Hoge Raad – na enkele voorzetten van G.E. Langemeijer3 – geoordeeld dat dergelijk bijdragen mogelijk is:
“De omstandigheid, dat zekere handeling moet worden nagelaten met het oog op het belang, ter bescherming waarvan de wet haar verbiedt, sluit echter geenszins uit (…) dat bij niet nalaten der verboden handeling het feit der daarin gelegen wetsovertreding tevens een factor kan zijn, welke medeweegt om deze gedraging, waardoor anderen worden benadeeld, mede te veroordelen van uit het gezichtspunt ener betamelijke zorgvuldigheid in het verkeer ten opzichte van eens anders goed.”
Wanneer de correctie-Langemeijer wordt toegepast wordt dus een, wat ik in de inleiding heb genoemd, aanvullende zorgvuldigheidsnorm geconstrueerd om te ontkomen aan het onredelijke resultaat van het begrenzen van aansprakelijkheid aan de hand van het doel van de geschonden norm.
402. De vraag die hier rijst is hoe de situaties waarin de correctie-Langemeijer wordt toegepast zich verhouden tot de in het voorgaande besproken situaties waarin de strekking van de geschonden norm ruimer wordt uitgelegd dan de beoogde bescherming. Ook rijst de vraag waarom de correctie-Langemeijer, gegeven de mogelijkheid om de strekking van de geschonden norm ruimer uit te leggen, nodig is.4 Om op deze vragen een antwoord te kunnen geven, zal ik in het navolgende eerst onderzoeken hoe het mogelijk is dat het schenden van een wettelijke norm die niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals geleden, wel beslissend eraan kan bijdragen dat een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm is geschonden die daartoe wel strekt. In de literatuur wordt op deze laatste, voor de hand liggende vraag geen (duidelijk) antwoord geven.5
Overigens kunnen zorgvuldigheidsnormen ook een rol spelen wanneer niet bedoeld is om aan de gelaedeerde een aanspraak te geven op gedrag conform de norm en, in het verlengde daarvan, op schadevergoeding in het geval van een schending van de norm.6 Het geven van een aanspraak op schadevergoeding door middel van een norm van ongeschreven recht aan zo’n gelaedeerde, beschouw ik niet als toepassing van de correctie-Langemeijer; veelal zal hier namelijk met de wettelijke norm wel beoogd zijn geweest om de gelaedeerde te beschermen.
Situaties van concurrentie en regulering met het oog op consumentenbelangen
403. De veruit meest voorkomende situatie waarin de correctie-Langemeijer wordt toegepast, is het geval waarin een concurrent van degene die een wettelijke norm schendt, door die normschendende gedraging schade lijdt. In zijn publicaties over het corrigeren van de relativiteitsleer had Langemeijer juist ook deze gevallen op het oog.
Langemeijer stelde voorop dat alles wat een ondernemer doet ter uitoefening van zijn bedrijf, voor zijn mededingers concurrentie is. Het enkele feit dat daarbij sprake is van een wetsschending is nog niet in strijd met hetgeen jegens die mededingers volgens het ongeschreven recht betaamt. Indien echter een normschending de ondernemer een aanzienlijk voordeel in de concurrentiestrijd oplevert en dat voordeel zonder die normschending niet goed te verkrijgen zou zijn, zou hierdoor naar het oordeel van Langemeijer tevens in strijd met het ongeschreven recht jegens mededingers gehandeld kunnen worden. Langemeijer wees hierbij tevens op het maatschappelijk belang dat normschending niet in de hand wordt gewerkt doordat een mededinger zich door schending van de wet structureel belangrijke voordelen kan verschaffen.7
In deze concurrentiegevallen valt naar mijn mening wel te begrijpen waarom de schending van een wettelijke norm die niet strekt tot bescherming van de concurrent, wel beslissend eraan kan bijdragen dat jegens die concurrent een norm van ongeschreven recht wordt geschonden: door het schenden van de wettelijke norm wordt een voordeel gekregen en dat voordeel, dat niet verkregen had mogen worden, is van zodanige aard en omvang dat sprake is van oneerlijke concurrentie. De wettelijke norm draagt beslissend eraan bij dat een norm van ongeschreven recht wordt geschonden omdat die wettelijke norm maakt dat het voordeel niet verkregen had mogen worden en mede daarom het profiteren van dat voordeel onrechtmatige concurrentie is. Het is niet zo dat men in deze situaties zegt dat het niet redelijk is om aansprakelijkheid te begrenzen aan de hand van het doel van de geschonden wettelijke norm en vervolgens aansprakelijkheid construeert door middel van het aannemen van een norm van ongeschreven recht. In deze situaties is sprake van een norm van ongeschreven recht die geschonden is en doet zich de bijzonderheid voor dat de wettelijke norm daaraan bijdraagt. Met het corrigeren van de relativiteitsleer heeft dat weinig te maken. Het gaat hier puur om oneerlijk concurrentie. Beter is om dit te beschouwen als niet meer dan de toepassing van een norm van ongeschreven recht ter zake van de mededinging. Op deze manier kan worden bepaald of het verkregen voordeel van dusdanige aard en omvang is, dat sprake is van mededinging in strijd met het ongeschreven recht.8
Door deze situaties niet als correctie op de relativiteitsleer te zien maar louter als reguliere toepassing van normen van ongeschreven recht, laat zich begrijpen waarom in Tandartsen I9 wel tot aansprakelijkheid jegens concurrerende tandartsen werd geoordeeld en in Tandartsen II10 niet. In Tandartsen I werden tandheelkundige werkzaamheden uitgeoefend door iemand die daartoe niet de benodigde opleiding had gevolgd. In Tandartsen II verrichtte een tandprotheticus werkzaamheden die dicht bij de werkzaamheden lagen waartoe hij bevoegd was maar die tot de uitsluitende bevoegdheid van tandartsen en erkende tandheelkundigen behoorden. Het voordeel dat door de normschending werd verkregen was aldus in beide zaken van zodanig andere aard en omvang dat in Tandartsen I wel sprake was van oneerlijke concurrentie maar in Tandartsen II niet.
Het denken in termen van een correctie op de relativiteitsleer vertroebelt alleen maar de beoordeling van deze situaties; het zicht wordt daardoor ontnomen op de werkelijke reden om een norm van ongeschreven recht aan te nemen.
404. Zelfs als een wettelijke norm niet geschonden is, kan deze bijdragen aan het aanwezig achten van een norm van ongeschreven recht die een concurrent beschermt.
In Huisartsen11 namen negen huisartsen uit een bepaalde regio deel als stille vennoot bij de oprichting van een apotheek. De Wet beroepsuitoefening individuele gezondheidszorg en het Besluit uitoefening artsenijbereidkunst verboden het een apotheker met een arts, tandarts of een verloskundige rechtstreeks of zijdelings een overeenkomst aan te gaan over het leveren van geneesmiddelen aan derden. Deze norm strekte tot bescherming van belangen van de volksgezondheid. Deze norm werd niet geschonden door het als stille vennoot deelnemen in de apotheek. Naar het oordeel van Hof 's-Hertogenbosch borg echter de belangenverstrengeling tevens de mogelijkheid van een onevenredig gunstige en daarmee niet acceptabele concurrentiepositie in zich en daarmee van een grotere bevoorrechte positie dan in een normale concurrentieverhouding toelaatbaar moet worden geacht.
Omdat de wettelijke norm niet is geschonden, is het zelfs niet mogelijk om deze zaak te beschouwen als correctie op de relativiteitsleer maar is de exclusieve invalshoek de oneerlijkheid van de concurrentie. Ook om deze reden is correctieperspectief onwenselijk.
405. Indien geen sprake is van concurrentie, is het schenden van de wet en het daardoor verkrijgen van een voordeel ten koste van een ander, niet snel in strijd met het ongeschreven recht.
Op deze manier laat zich Astrazeneca/Amicon12 begrijpen. In deze zaak lag voor of het door zorgverzekeraars stimuleren van artsen om goedkopere, merkloze medicijnen aan hun patiënten voor te schrijven onrechtmatig was jegens geneesmiddelenfabrikanten. Deze fabrikanten voerden onder meer aan dat de zorgverzekeraars in strijd handelden met de Wet tarieven gezondheidszorg en het Reclamebesluit geneesmiddelen.13 Op grond van deze regelgeving was het beïnvloeden van artsen ter zake van de medicijnkeuze verboden. Deze regelgeving beoogde hiermee de volksgezondheid te beschermen. In het midden bleef of deze regelgeving door de zorgverzekeraars was geschonden, nu in feitelijke instanties en in cassatie werd geoordeeld dat de beweerd geschonden normen niet strekten tot bescherming van de geneesmiddelenfabrikanten. De geneesmiddelenfabrikanten betoogden tevens dat de zorgverzekeraars een norm van ongeschreven recht hadden geschonden. Hieraan legden zij ten grondslag dat genoemde regelgeving werd geschonden en bovendien omvangrijke schade voor de geneesmiddelenfabrikanten hiervan een voorzienbaar gevolg is. De Hoge Raad sanctioneerde de verwerping van dit betoog door het hof.
Zouden wij deze zaak beschouwen vanuit het perspectief van de correctie op de relativiteitsleer, dan zou de gedachte kunnen opkomen dat het schenden van een norm die niet strekt tot bescherming van de gelaedeerde in combinatie met de aangevoerde omstandigheid dat het voorzienbaar is dat de gelaedeerde ten gevolge van de schending van die norm schade zal lijden, mogelijk voldoende zou moeten kunnen zijn voor het aannemen van een zorgvuldigheidsnorm die strekt tot bescherming tegen de voorzienbare schade. Op die manier ontstaat een klein mysterie, waarvan de vraag is hoe het moet worden opgelost.
Beschouwd vanuit het perspectief van normen van ongeschreven mededingingsrecht blijkt echter dadelijk de onjuistheid van deze gedachte. Bij de beoordeling of de zorgverzekeraars een norm van ongeschreven recht tegenover de geneesmiddelenfabrikanten schenden, valt dadelijk op dat geen sprake is van daadwerkelijke concurrentie: de zorgverzekeraars verrichten niet dezelfde activiteit als de geneesmiddelenfabrikanten. Niet goed valt in te zien waarom de zorgverzekeraars op grond van het ongeschreven recht niet hun belang zouden mogen nastreven om hun verzekerden geen hogere kosten voor medicijnen te laten maken dan nodig met, uiteraard, voorzienbaar schade van geneesmiddelenfabrikanten als gevolg. Het zou het bestek van dit proefschrift te buiten gaan, deze normen van ongeschreven recht nader te analyseren. Wel kan worden geconcludeerd dat het niet zinvol is deze casus te benaderen vanuit het perspectief van een correctie op de relativiteitsleer en het in dat verband bijdragen van de geschonden wettelijke norm aan het aanwezig achten van een norm van ongeschreven recht; in plaats daarvan dient niet meer dan de vraag gesteld te worden of sprake is van een reguliere norm van ongeschreven recht.
406. De ontoelaatbaarheid van de concurrentie behoeft niet steeds te bestaan uit het door de laedens verkrijgen van een voordeel. Mogelijk is ook dat het door de laedens schenden van een wet, en de daarin voor consumenten besloten liggende waarborgen, het vertrouwen van consumenten kan ondermijnen en om die reden sprake is van oneerlijke concurrentie.14
Overige situaties
407. Verder kan in uiteenlopende, bijzondere situaties een wettelijke norm die niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals geleden, bijdragen aan het bestaan van een zorgvuldigheidsnorm van ongeschreven recht die wel een dergelijke strekking heeft.
408. Mogelijk is dat iemand tegenover een ander het vertrouwen wekt zich aan een bepaalde wettelijke norm te zullen houden en zich vervolgens toch niet aan deze wettelijke norm houdt.15 Het gegeven dat die wettelijke norm bestaat, draagt dan in zekere zin bij aan de norm van ongeschreven recht die geschonden wordt. De werkelijke grond voor aansprakelijkheid is het gewekte en vervolgens geschonden vertrouwen. Weinig zinvol is het mijns inziens om deze aansprakelijkheid te beschouwen als correctie op de relativiteitsleer. Op die manier verbreekt men ook het belangrijke verband met andere situaties waarin aansprakelijkheid bestaat vanwege opgewekt en vervolgens geschonden vertrouwen.
409. Ook kan in een wettelijke norm een zekere standaard besloten liggen, die naar ongeschreven recht ook in andere, vergelijkbare situaties, van toepassing kan worden geacht omdat het niet redelijk zou zijn om daar aan een andere gedragsstandaard vast te houden. Te denken valt bijvoorbeeld aan de situatie waarin iemand met het oog op de veiligheid van werknemers op grond van een wettelijke norm zekere maatregelen moet nemen om te zorgen dat machines veilig zijn. Indien deze persoon op grond van het ongeschreven recht anderen tegen de gevaren die deze machines meebrengen dient te beschermen, dan ligt voor de hand dat de wettelijke veiligheidseisen een zekere betekenis hebben in het kader van hetgeen volgens het ongeschreven recht mag worden verwacht. Ook dan kan de wettelijke norm bijdragen aan het bestaan van een bepaalde norm van ongeschreven recht. Ook hier is het weinig zinvol om dat als correctie op de relativiteitsleer te zien. De wettelijke norm behoeft ook niet geschonden te zijn, voldoende kan zijn dat de norm in een vergelijkbare situatie zou gelden om bij te dragen aan de norm van ongeschreven recht.
Zo was het geval in Vrieling/Ruröde.16 De veiligheidseisen van het Landbouwveiligheidsbesluit waren niet rechtstreeks op het bedrijf van Vrieling van toepassing omdat deze geen werknemers in dienst had. Niettemin onderschreef de Hoge Raad het oordeel van het hof dat de in dat besluit vervatte veiligheidsvoorschriften mede bepalend zijn voor de vaststelling van de mate van zorgvuldigheid waarmee Vrieling ten aanzien van de tienjarige Lars Ruröde, die hem regelmatig in zijn bedrijf hielp, had dienen te handelen.
Wanneer de wettelijke norm niet van toepassing is, is het vanzelfsprekend niet zinvol om te spreken van een correctie op de relativiteitsleer. Hetzelfde geldt waar de wettelijke norm wel van toepassing is en op eenzelfde wijze zou bijdragen aan de gedragsstandaard die het ongeschreven recht vergt.
410. Tot slot is er de situatie van verplaatste schade. Soms komt de door een aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis veroorzaakte schade door bijzondere omstandigheden niet voor rekening van de gelaedeerde, maar voor rekening van een derde. In deze situaties, die zich in het geval van zowel buitencontractuele als contractuele aansprakelijkheid voordoen, kan de redelijkheid verlangen dat de derde dezelfde positie tegenover de laedens wordt gegeven als de gelaedeerde zou hebben gehad indien de schade voor zijn rekening zou zijn gekomen. De aanspraak van de derde wordt in de jurisprudentie, vooral in gevallen van aansprakelijkheid vanwege wanprestatie, gebaseerd op schending van een norm van ongeschreven recht. In hoofdstuk 15 behandel ik de problematiek van de verplaatste schade uitvoerig. Bij het oplossen van situaties van verplaatste schade is, in tegenstelling tot de overige hiervoor besproken gevallen, het juist niet zinvol om te denken in termen van de geschonden zorgvuldigheidsnorm maar dient de situatie vanuit het perspectief van de correctie op de relativiteit van de onrechtmatige daad of van de relativiteit van de contractswerking te worden behandeld.
Slotsom
411. Naar ik meen kan het bestaan van een norm die niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals geleden, in het algemeen niet eraan bijdragen dat een norm van ongeschreven recht geldt die daartoe wel strekt. Slechts als daarvoor vanwege bijzondere omstandigheden een specifieke reden bestaat, is dergelijk bijdragen wel mogelijk. Deze situaties laten zich beter beschouwen als reguliere toepassing van zorgvuldigheidsnormen. Het beschouwen hiervan als correctie op de relativiteitsleer is eerder belemmerend dan verhelderend voor het inzicht in de werking van het recht in deze situaties. Omdat het in deze situaties gaat om de reguliere toepassing van zorgvuldigheidsnormen zou het verder meestal bepaald gekunsteld zijn en niets toevoegen om de strekking van de eveneens geschonden wettelijke norm zodanig uit te leggen dat deze ook de bescherming omvat die de zorgvuldigheidsnorm biedt.17 Naar mijn mening zou het beter zijn wanneer in de handboeken het verschijnsel dat een wettelijke norm kan bijdragen aan het aannemen van een norm van ongeschreven recht besproken zou worden bij de behandeling van die normen van ongeschreven recht en niet bij de relativiteitsleer.