Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking
Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/10.7.1:10.7.1 Rangorde; onderzoeksvraag f
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/10.7.1
10.7.1 Rangorde; onderzoeksvraag f
Documentgegevens:
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS196897:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De drie scenario’s sluiten elkaar uit (nr. 9).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
[395] Een rangorde naar Nederlands recht tussen de onmiddellijke voorziening en de contractuele verplichting van de rechtspersoon is niet vastgesteld. De wetgever heeft hierover geen aanwijzing gegeven. De eigenschap van de onmiddellijke voorziening, dat ze door een rechterlijke beslissing ontstaat, geeft haar geen prioriteit boven de contractuele verplichting. Uit procesrechtelijke regels kan evenmin een rangorde worden afgeleid; de afstemmingsregel leidt niet tot voorrang van de contractuele verplichting op de onmiddellijke voorziening. De verplichting uit een arbeidsovereenkomst tot het betalen van loon prevaleert niet op grond van de arbeidsrechtelijke loonrisicoregeling boven de onmiddellijke voorziening. Bij gebreke aan een rangorde moet er van worden uitgegaan, dat noch het eerste scenario, noch het tweede scenario vigeert. Het derde scenario is geldend recht.1