Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.3.10.4
7.3.10.4 Bewijsrecht en cassatie
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940644:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld HR 5 januari 2018, V-N 2018/3.9, r.o. 3.1.2 en HR 9 juni 1993, BNB 1993/253, r.o. 3.5. Zie ook Koopman 1996, par. 3.3.4, alwaar vele voorbeelden van arresten met een dergelijke strekking zijn opgenomen, alsmede Niessen-Cobben 1995, p. 169.
In dezelfde zin: Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij HR 5 januari 2018, V-N 2018/3.9. De Redactie merkt terecht op dat er op dit punt dus geen sprake is van een vrije bewijsleer, in die zin dat de feitenrechter niet volkomen vrij is in hoe hij de bewijslast verdeelt.
Zie bijvoorbeeld HR 23 december 2016, V-N 2017/2.14, r.o. 2.5.2, HR 11 juli 2008, V-N 2008/35.24, BNB 2008/246 en HR 9 juni 1993, BNB 1993/253, r.o. 3.5. Zie ook paragraaf 7.3.9.4.
Zie paragraaf 7.3.7.3.2.
De inhoudelijke toets die de Hoge Raad als niet-feitenrechter aanlegt ten aanzien van de redelijke verdeling van de bewijslast, is marginaal. Slechts bij overschrijding van de buitengrenzen wordt gecasseerd. In normale gevallen zou de hoofdregel of een daarvan afgeleide subregel moeten zijn toegepast, zodat de Hoge Raad in dergelijke gevallen kan oordelen dat de bewijslast ‘niet onredelijk of onjuist is verdeeld’.1 Voor het overige kan de Hoge Raad een oordeel over de bewijslastverdeling slechts vernietigen op grond van een (on)begrijpelijkheidsoordeel.
De regel van de redelijke verdeling zelf is een rechtsregel. Het oordeel over de toepasselijkheid van die rechtsregel is derhalve een rechtsoordeel. Datzelfde geldt voor de criteria die de bewijsgaring betreffen, zoals het ‘zozeer indruist’-criterium. Dergelijke oordelen van de feitenrechter kan de Hoge Raad dus langs de meetlat van de (on)juiste rechtsopvatting leggen.2
Voor wat betreft de aspecten keuze, weging en waardering van bewijs heeft de feitenrechter in beginsel een onbeperkte vrijheid. De Hoge Raad bewaakt deze vrijheid strikt. De toets die de Hoge Raad aanlegt is (zeer) marginaal: louter wanneer de gegeven bewijsmotivering onbegrijpelijk is, kan hij ingrijpen.3 Ook voor wat betreft de rechterlijke beslissingen omtrent de bewijsvoering toetst de Hoge Raad de in hoge mate discretionaire bevoegdheden van de feitenrechter marginaal, aan de hand van het criterium van de (on)begrijpelijkheid.4