Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/8.5.2
8.5.2 Toegang tot en gebruikmaking van het onderzoeksverslag
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652190:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zo ook Geerts 2004, p. 190; Van Nievelt 2013, p. 60-61.
OK 25 augustus 2010 (r.o. 2.2), JOR 2010/340, m.nt. M. Brink (Fortis).
OK 1 september 1994 (r.o. 4.1.1), NJ 1995/519 (Zinkwit).
HR 2 december 2016 (r.o. 3.3.4), NJ 2017/1; JOR 2017/86, m.nt. R.G.J. de Haan (MEI). Zie ook OK (vz.) 1 april 2016 (r.o. 2.6), ARO 2016/77 (Museum Vastgoed Groep).
Kamerstukken II 1967/68, 9596, 3, p. 8. Zie ook Geerts 2004, p. 195-196; Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/788; Overkleeft 2010, p. 202; Overkleeft 2015, p. 14; Assink & Kroeze 2016, p. 54; Hermans 2017, p. 612; De Kraker 2017, p. 53-54; Storm 2018, p. 274; Overkleeft 2022, p. 661. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de Commissie Verdam hieraan de voorwaarde verbond dat alle aandeelhouders een redelijk belang bij kennisneming hebben, waarvan overigens snel sprake zal zijn. Zie in dit verband ook Josephus Jitta 2002b, p. 36; Doorenbos 2016, p. 104.
Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/788; Overkleeft 2010, p. 203; Hermans 2017, p. 612-613; De Kraker 2017, p. 54; Overkleeft 2022, p. 661. Zie ook Geerts 2004, p. 196, die opmerkt dat terinzagelegging voor eenieder in de meeste gevallen plaatsvond in omvangrijke onderzoeken, waarbij meer onderzoekers waren benoemd. Volgens Geerts betrof het in veel gevallen ook failliete of in surseance van betaling verkerende rechtspersonen. Zie ook Hermans 2017, p. 614.
Zie bijv. OK 16 juni 2010, ARO 2010/97 (Fortis); OK 21 augustus 2013, ARO 2013/146 (Meavita); OK 4 augustus 2016, ARO 2016/155 (Xeikon); OK 27 juli 2021, ARO 2021/141 (SNS).
Geerts 2004, p. 192.
Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/788; Overkleeft 2010, p. 204.
Timmerman 1988, p. 310.
OK 9 december 2014 (r.o. 2.8), JOR 2015/35 (MEI). Zie ook Leidraad, bepaling 7.8. Op het verzoek tot inzage zijn de regels van de verzoekschriftprocedure van toepassing, maar het verzoek tot inzage hoeft niet door tussenkomst van een advocaat te worden ingediend, zie r.o. 2.9-2.10, waarover kritisch Hermans 2017, p. 611-612.
OK 16 juni 2010, ARO 2010/97 (Fortis).
OK 16 maart 2011 (m.n. r.o. 2.6; 2.8), ARO 2011/59 (Fortis).
OK 25 augustus 2010 (r.o. 2.3 e.v.), JOR 2010/340, m.nt. M. Brink (Fortis). Zie voor een andere afwijzing te worden aangemerkt als belanghebbende bij inzage bijv. OK (vz.) 31 oktober 2019 (r.o. 2.4), ARO 2019/197 (Leaderland).
Volgens De Kraker 2017, p. 53 is een in de eerste fase van de enquêteprocedure verschenen belanghebbende vaak ook belanghebbende bij inzage in het onderzoeksverslag. Volgens Blok & Makkink 2022, p. 395 brengt de enkele omstandigheid dat een partij in de tweede fase als belanghebbende is toegelaten mee dat die partij als belanghebbende bij inzage in het onderzoeksverslag moet worden toegelaten.
Zie Rb. Amsterdam (vzr.) 25 september 2015, JOR 2015/328, m.nt. P.D. Olden (Leaderland).
Zie daarover RvD Amsterdam 24 november 2015, ECLI:NL:TADRAMS:2015:275 (MEI); HvD ’s-Hertogenbosch 30 mei 2016, ECLI:NL:TAHVD:2016:97 (MEI).
De geënquêteerde rechtspersoon behoeft hiertoe geen machtiging, zie ook OK (vz.) 22 juli 2020 (r.o. 2.4), ARO 2020/156 (L’Étoile).
Zie bijv. OK (vz.) 27 januari 2015, ARO 2015/79 (Wikkelbok); OK (vz.) 29 juni 2016, JOR 2016/269, m.nt. D.F. Berkhout (De Jong); OK (vz.) 14 april 2020, ARO 2020/103 (MKA-Chirurgen Noordrand Rotterdam); OK (vz.) 4 januari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:7 (Heritage B).
Op het verzoek tot machtiging zijn de regels van de verzoekschriftprocedure van toepassing; het verzoek tot machtiging moet door tussenkomst van een advocaat worden ingediend, zie OK (vz.) 15 juli 2003 (r.o. 2.1), ARO 2003/139 (Zeelandia). Anders nog OK 8 juni 2010, ARO 2010/95 (CRV Beheer). Zie over de procedurele gang van zaken bij de behandeling van een verzoek tot machtiging nader Hermans 2017, p. 623-624.
OK (vz.) 9 juli 2021 (r.o. 2.3), ARO 2021/142 (Prien en Gravier).
OK (vz.) 12 september 2019 (r.o. 3.2), ARO 2019/180 (Aankoopvereniging Den Ham). De verzoeker verzocht hier overigens een machtiging om het onderzoeksverslag in een ander geding te brengen, om aan te tonen wat geen voorwerp vormde van onderzoek. De voorzitter van de Ondernemingskamer wees dat verzoek af en overwoog mede dat de verzoeker onvoldoende belang had bij de gevraagde machtiging, omdat daarmee niet werd beoogd enige door middel van de enquêteprocedure verkregen openheid van zaken te benutten in een procedure die in het verlengde ligt van de doeleinden van het enquêterecht. Aan de hand van de beschikkingen van de Ondernemingskamer en raadsheer-commissaris kon de verzoeker bovendien in het andere geding aantonen op welke onderwerpen de enquête wel betrekking had, zie r.o. 3.7-3.8. Vgl. ook OK (vz.) 7 december 2021 (r.o. 3.6), ARO 2022/40 (Omines Services).
Uitzonderingen zijn evenwel denkbaar, wanneer de voorzitter van de Ondernemingskamer met de rechtspersoon meent dat zijn belang bij vertrouwelijkheid opweegt tegen de verwezenlijking van de doeleinden van het enquêterecht, zie bijv. OK (vz.) 20 september 2016, ARO 2016/144 (Energie Concurrent). In OK (vz.) 16 januari 2014, JOR 2014/127, m.nt. P.D. Olden (onder JOR 2014/128) (Pierson & Pierson) werd een machtiging gevraagd ten behoeve van een aansprakelijkheidsprocedure tegen een gewezen bestuurder van de geënquêteerde rechtspersoon, maar die procedure werd tegen hem gevoerd in zijn hoedanigheid van executeur en (testamentair) bewindvoerder. De voorzitter van de Ondernemingskamer oordeelde dat het voeren van die procedure geen verband hield met de doeleinden van de enquêteprocedure.
OK (vz.) 6 november 2013 (r.o. 2.4), JOR 2014/7, m.nt. C.D.J. Bulten (Fortis).
Zo ook Geerts, GS Rechtspersonen, art. 2:353 BW, aant. 5 (2007); Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe 2-II* 2009/789; Assink & Kroeze 2016, p. 54-55. Zie ook OK (vz.) 3 mei 2002 (r.o. 2.4), ARO 2002/67 (Willem III); OK (vz.) 18 juli 2011 (r.o. 2.3), ARO 2011/118 (Meepo); OK (vz.) 26 oktober 2015 (r.o. 2.5), ARO 2015/225 (Leaderland).
OK (vz.) 13 januari 2020 (r.o. 2.5), ARO 2020/55 (Monitus).
OK (vz.) 8 oktober 2014 (r.o. 2.2-2.4), ARO 2015/32 (Body Control Concepts). Zo ook reeds Josephus Jitta (onder 7) in zijn annotatie bij OK (vz.) 24 januari 2001, JOR 2001/58 (De Haan), die overigens spreekt van een bevoegdheid van de curator namens de onderzochte rechtspersoon mededelingen uit het verslag te doen. Of daarvan sprake is, is onduidelijk, zie ook OK (vz.) 19 april 2001 (r.o. 2.2), JOR 2001/152 (Bouwprojecten Brabant); Josephus Jitta (onder 4) in zijn annotatie bij Rb. Arnhem 22 juni 2011, JOR 2011/358 (Pondac). Anders Geerts 2001, p. 89; Wessels 2001, p. 494; Willems 2004b, p. 260; Wessels 2020/4442.
OK 9 juni 2020, ARO 2020/132 (Staphorst Ontwikkeling).
Rb. Utrecht 15 februari 2012, JOR 2012/243, m.nt. J.H.M. Willems (Fortis).
Olden 2013, p. 415.
Zoals in Rb. Zwolle-Lelystad 4 februari 2009 (r.o. 7.3), JOR 2009/216, m.nt. P.J. van der Korst (Meepo), waarover ook par. 8.5.6.
OK (vz.) 7 december 2021 (r.o. 3.7), ARO 2022/40 (Omines Services).
OK (vz.) 13 februari 2018 (r.o. 2.10), JOR 2018/151, m.nt. P.D. Olden (ECC-Bimas). Zie ook OK (vz.) 22 oktober 2019 (r.o. 2.4), ARO 2019/196 (Scandive); OK (vz.) 13 november 2020 (r.o. 2.4), ARO 2021/17 (Priogen); OK (vz.) 1 februari 2021 (r.o. 2.7), JOR 2021/177, m.nt. P.H.M. Broere (SNS); OK (vz.) 11 januari 2022 (r.o. 2.5), ARO 2022/36 (Stichting Omroep Limburg).
Art. 2:353 lid 2 BW bepaalt dat de advocaat-generaal bij het ressortsparket, de rechtspersoon, alsmede de enquêteverzoekers en hun advocaten, een exemplaar van het onderzoeksverslag ontvangen. Betreft de geënquêteerde rechtspersoon een onder toezicht staande instelling als bedoeld in art. 2:348 BW, dan ontvangt ook de toezichthoudende instelling een exemplaar van het onderzoeksverslag. Is de geënquêteerde rechtspersoon failliet, dan heeft de curator mijns inziens ook steeds recht op een exemplaar van het onderzoeksverslag. Die bevoegdheid komt hem toe op grond van het bepaalde in art. 92 Fw en art. 99 Fw.1 Art. 2:353 lid 2 BW geeft recht op een afschrift van het onderzoeksverslag, inclusief bijlagen.2 Er bestaat geen recht op inzage in de door de onderzoeker in het onderzoeksverslag genoemde stukken die niet bij het onderzoeksverslag zijn gevoegd en niet zijn gedeponeerd.3
De Ondernemingskamer kan ambtshalve beslissen het onderzoeksverslag voor eenieder ter inzage te leggen. Ook dan kan inzage worden verkregen door een afschrift van het onderzoeksverslag te verzoeken.4 De Ondernemingskamer besluit tot een brede terinzagelegging indien hier een publiek belang bij is betrokken, zoals bij een onderzoek naar een beursvennootschap5 of een zaak die maatschappelijke onrust teweeg heeft gebracht.6 Soms worden daarbij bepaalde bijlagen buiten de terinzagelegging voor eenieder gehouden.7
In alle andere gevallen legt de Ondernemingskamer het onderzoeksverslag slechts ter inzage voor belanghebbenden.8 Art. 2:353 lid 2 BW derogeert hiermee aan art. 290 Rv, dat iedere belanghebbende het recht op inzage en afschrift geeft van onder meer ‘de op de zaak betrekking hebbende bescheiden’.9 Ook hier is gedeeltelijke terinzagelegging mogelijk, bijvoorbeeld wanneer het onderzoeksverslag melding maakt van bedrijfsgeheimen.10
Ligt het onderzoeksverslag slechts ter inzage voor belanghebbenden en wordt inzage verzocht door een beweerdelijk belanghebbende, dan zal de Ondernemingskamer, zo volgt uit MEI:
‘– de doeleinden van het enquêterecht in aanmerking nemende – moeten beoordelen of de persoon die daarom verzoekt moet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van de deponeringsbeschikking en of voor de desbetreffende persoon aldus een uitzondering op het vertrouwelijke karakter van die stukken geldt. Bij haar beslissing zal de Ondernemingskamer dan ook (opnieuw) een belangenafweging moeten maken tussen het gestelde belang van de verzoeker tot inzage en het belang van de rechtspersoon (en van eventuele andere belanghebbenden) bij vertrouwelijkheid. Hierbij ligt het, gelet op het bepaalde in artikel 279 lid 1 Rv in de rede dat de Ondernemingskamer de rechtspersoon en mogelijk ook andere belanghebbenden voorafgaand aan een beslissing daarover hoort en eventueel een mondelinge behandeling gelast.’11
In Fortis kwam de Ondernemingskamer bijvoorbeeld tot een afwijzing van het verzoek te worden aangemerkt als belanghebbende bij inzage in het onderzoeksverslag. Het onderzoeksverslag en een aantal bijlagen lagen hier ter inzage voor eenieder; overige bijlagen lagen slechts ter inzage voor belanghebbenden.12 De Stichting Investor Claims Against Fortis werd in deze enquêteprocedure wel aangemerkt als belanghebbende in de tweede fase procedure, maar niet als belanghebbende bij inzage in de overige bijlagen bij het onderzoeksverslag. De omstandigheid dat de stichting ter bescherming van haar belangen in het geding mag opkomen geeft haar volgens de Ondernemingskamer niet dezelfde positie als die van de enquêteverzoeker of de geënquêteerde rechtspersoon. Het belang bij inzage dat de stichting met het oog op een aansprakelijkheidsprocedure heeft rechtvaardigde volgens de Ondernemingskamer niet een uitzondering op het beginsel van vertrouwelijkheid van enkele bijlagen die slechts voor belanghebbenden ter inzage waren gelegd.13 Ook de Staat verzocht in deze procedure te worden aangemerkt als belanghebbende bij inzage in de overige bijlagen. De Staat was in de eerste fase van de enquêteprocedure wel als belanghebbende aangemerkt, maar kwalificeerde volgens de Ondernemingskamer niet als belanghebbende bij inzage in de overige bijlagen.14
Een in de eerste of tweede fase van de enquêteprocedure als belanghebbende aangemerkte procespartij is dus niet noodzakelijk ook belanghebbende bij inzage in het onderzoeksverslag.15 Ik zou menen dat een belanghebbende in de eerste of tweede fase van de enquêteprocedure die optreedt als directe of indirecte financier van (een deel van) de kosten van het onderzoek, waarover nader par. 6.6, steeds moet worden aangemerkt als belanghebbende bij inzage in het onderzoeksverslag, inclusief bijlagen. Zonder diens nauwe betrokkenheid als financier – zonder de ter beschikking gestelde financiering – zou het immers niet tot een onderzoek en onderzoeksverslag zijn gekomen. De beschikbaarstelling van financiering rechtvaardigt mijns inziens reeds dat de financier inzage in het onderzoeksverslag moet worden verleend.
Het is aan anderen dan de geënquêteerde rechtspersoon verboden mededelingen te doen uit het onderzoeksverslag dat niet voor eenieder ter inzage ligt, zo bepaalt art. 2:353 lid 3 BW. Dit geldt mijns inziens ook voor het concept onderzoeksverslag. Schending van deze geheimhoudingsplicht is ook strafrechtelijk gesanctioneerd.16 Bovendien kan naleving van deze geheimhoudingsplicht worden afgedwongen.17 De geheimhoudingsplicht geldt overigens niet onverkort in een tuchtrechtelijke procedure tegen een advocaat.18 Ook de vereniging van werknemers is op grond van art. 2:353 lid 3 BW bevoegd zonder machtiging mededelingen te verstrekken uit het onderzoeksverslag aan de ondernemingsraad, die is verbonden aan de geënquêteerde rechtspersoon.
Wenst een ander dan de geënquêteerde rechtspersoon mededelingen te doen uit het onderzoeksverslag dat niet voor eenieder ter inzage ligt in een opvolgende aansprakelijkheidsprocedure, dan is hiervoor een machtiging van de voorzitter van de Ondernemingskamer benodigd op de voet van art. 2:353 lid 3 BW.19 Ook voor de gebruikmaking van het onderzoeksverslag anders dan in een aansprakelijkheidsprocedure is overigens een machtiging vereist.20 Een machtiging kan worden verkregen bij wijze van verzoek, gericht tot de voorzitter van de Ondernemingskamer.21 Een te ruim en onvoldoende gespecificeerd verzoek kan door de voorzitter van de Ondernemingskamer worden afgewezen.22
Een machtiging is ook vereist indien de partijen in de aansprakelijkheidsprocedure gelijk zijn aan de partijen in de enquêteprocedure, en bij de aansprakelijkheidsprocedure geen ‘derden’ zijn betrokken. Omdat de terechtzitting in de aansprakelijkheidsprocedure in beginsel openbaar is en uitspraken veelal op www.rechtspraak.nl worden gepubliceerd kunnen derden bekend raken met (delen van) de inhoud van het onderzoeksverslag, indien het in de aansprakelijkheidsprocedure in het geding wordt gebracht.23 Uit Fortis volgt dat de voorzitter van de Ondernemingskamer een inzagegerechtigde in beginsel steeds tot openbaarmaking van de geheime informatie zal machtigen, nu deze hierbij voldoende belang heeft omdat de aansprakelijkheidsprocedure rechtstreeks in het verlengde ligt van de doeleinden van de enquêteprocedure.24 De machtiging zal daarbij wel worden beperkt tot het gebruik in de desbetreffende aansprakelijkheidsprocedure en enkel voor zover de enquêteverzoeker het onderzoeksverslag nodig heeft ter toelichting en/of (ondersteuning van) bewijs van zijn stellingen.25 Een en ander staat mijns inziens niet noodzakelijkerwijs aan inbreng van het gehele onderzoeksverslag in een aansprakelijkheidsprocedure in de weg.26 Ook als de Ondernemingskamer (nog) geen oordeel heeft kunnen geven over het onderzoeksverslag, kan een machtiging worden verleend.27
De curator van de geënquêteerde rechtspersoon behoeft niet steeds een machtiging. In Body Control Concepts verzocht de curator een machtiging tot het doen van mededelingen uit het onderzoeksverslag aan derden en legde aan zijn verzoek ten grondslag:
‘In de uitoefening van mijn taak als curator is het (…) van zwaarwegend belang dat ik anderen, waaronder de rechter-commissaris en schuldeisers, volledig op de hoogte moet kunnen stellen van de gang van zaken in het verleden, alsmede dat ik de bevindingen van de onderzoeker kenbaar moet kunnen maken in door mij eventueel in het kader van mijn taakuitoefening als curator aanhangig te maken rechtsgedingen.’
De geënquêteerde rechtspersoon is bevoegd zonder machtiging uit het onderzoeksverslag mededelingen te doen aan derden. Voor de curator geldt dat hij deze aan de rechtspersoon toekomende bevoegdheid kan uitoefenen voor zover mededelingen worden gedaan uit het onderzoeksverslag die in redelijkheid kunnen worden geacht dienstig te zijn aan de uitoefening van zijn wettelijke taak de failliete boedel te beheren en vereffenen. Voor die gevallen heeft de curator geen machtiging nodig, zo oordeelde de voorzitter van de Ondernemingskamer in Body Control Concepts.28 Een door de curator geëntameerde aansprakelijkheidsprocedure tegen een bestuurder of commissaris van de geënquêteerde rechtspersoon kan mijns inziens in redelijkheid worden geacht dienstig te zijn aan de uitoefening van diens wettelijke taak de failliete boedel te beheren en vereffenen. Daartoe behoeft de curator mijns inziens dus geen machtiging op de voet van art. 2:353 lid 3 BW.
Anders is overigens de situatie waarin niet de curator van de geënquêteerde rechtspersoon, maar de curator van een failliete aandeelhouder (par. 6.7.2.2) mededelingen wil doen uit het onderzoeksverslag. Daartoe is wel een machtiging van de voorzitter van de Ondernemingskamer vereist.29
Olden heeft er nog op gewezen dat de Rechtbank Utrecht in Fortis30 het voor eenieder toegankelijke onderzoeksverslag uit eigen beweging heeft gedownload en gebruikt.31 Voor zover een van de procespartijen het onderzoeksverslag in die procedure had willen brengen, was daarvoor geen machtiging van de voorzitter van de Ondernemingskamer vereist, nu het onderzoeksverslag voor eenieder ter inzage lag. Wel roept de gevolgde gang van zaken in Fortis de vraag op of art. 19 Rv en art. 24 Rv hier zijn nageleefd.
Partijen kunnen in een opvolgende aansprakelijkheidsprocedure overigens ook op grond van art. 22 Rv door de rechter worden verplicht het onderzoeksverslag en de beschikkingen van de Ondernemingskamer over te leggen.32 Is het onderzoeksverslag niet voor eenieder ter inzage gelegd, dan moet daartoe evengoed eerst een machtiging op de voet van art. 2:353 lid 3 BW worden verzocht, tenzij een dergelijke verplichting is gericht tot de rechtspersoon. Voor het overleggen van beschikkingen van de Ondernemingskamer – of bij de Ondernemingskamer ingediende processtukken – is overigens geen machtiging op de voet van art. 2:353 lid 3 BW vereist.33
Op grond van art. 21 Rv zijn partijen verder verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Die verplichting kan met zich brengen dat partijen het onderzoeksverslag en de beschikkingen van de Ondernemingskamer wensen over te leggen in een opvolgende aansprakelijkheidsprocedure. Ook hiervoor geldt het bepaalde in art. 2:353 lid 3 BW.
Ik merk tot slot op dat de voorzitter van de Ondernemingskamer art. 2:353 lid 3 BW ook analoog toepast bij de verlening van machtigingen om mededelingen te doen uit het concept onderzoeksverslag. De ruimte daarvoor is volgens de voorzitter van de Ondernemingskamer echter beperkt, omdat:
‘het in artikel 2:351 lid 4 BW neergelegde verbod mededelingen te doen uit de inhoud van het concept-verslag, niet alleen ter bescherming van de rechtspersoon [dient, PB], maar ook van de personen ten aanzien van wie in het concept-verslag wezenlijke bevindingen zijn opgenomen en van de onderzoeker die de zorgvuldigheid van het onderzoek dient te bewaken. Het doel van hoor en wederhoor als onderdeel van het onderzoek is dat onjuiste bevindingen in het verslag zoveel mogelijk worden voorkomen, gelet op het mogelijk defamerende effect van wezenlijke bevindingen in het ter griffie gedeponeerde verslag voor de personen in kwestie (Kamerstukken II, 32 887, nr. 3 p. 25). Het vermijden van onjuiste bevindingen is ook in het belang van de onderzoeker die verantwoordelijk is voor zorgvuldig onderzoek (Kamerstukken II, 32 887, nr. 6, p. 29.). Hij moet beoordelen of het concept-verslag een weerwoord oplevert dat aanleiding geeft tot aanpassing in het definitieve, ter griffie neer te leggen verslag. De onderzoeker heeft er belang bij dat slechts zijn definitieve bevindingen voorwerp van debat zijn (in een tweede fase procedure tot vaststelling van wanbeleid dan wel in een procedure ten overstaan van een andere rechter).’34
Mij zijn tot dusver geen machtigingsverzoeken ten aanzien van het concept onderzoeksverslag bekend voor gebruik daarvan in een opvolgende aansprakelijkheidsprocedure. Toewijzing van een dergelijk verzoek ligt naar mijn mening ook niet voor de hand, omdat hoor en wederhoor dan nog onvoldoende zal hebben plaatsgevonden om het onderzoeksverslag te kunnen inbrengen in een opvolgende aansprakelijkheidsprocedure.