Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/15.2.6.2
15.2.6.2 Ratio
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS372433:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Anders en onjuist: Kamerstukken II, 2007/08, 31 468, nr. 7, p. 8 (Reparatiewet Wft).
Zie NvT, Stb. 2008/27, p. 7 en Kamerstukken II, 2005/06, 30 419, nr. 8, p. 6. Vgl. reeds Nieuwe Weme 2004, 169-170.
Oorspronkelijk was de bedoeling om een nadere regeling op te nemen bij de Tweede Nota van Wijziging, Kamerstukken II, 2005/06, 30 419, nr. 8, p. 7. Vgl. Kamerstukken II, 2007/08, 30 419, nr. 23.
In de meeste van de onderzochte landen leidt indirecte verwerving van overwegende zeggenschap tot een biedplicht, tenzij de indirecte overwegende zeggenschap niet was beoogd en de vennootschap waarin indirect overwegende zeggenschap is verkregen van ondergeschikt belang is ten opzichte van de vennootschap waarin directe overwegende zeggenschap is verkregen. De criteria voor een dergelijke ondergeschiktheid lopen sterk uiteen, zie voor een overzicht Marccus/CEPS 2012 – Takeover Bids Directive Assessment Report, p. 146.
Groepsmaatschappijen en gecontroleerde ondernemingen worden onweerlegbaar vermoed in onderling overleg te handelen (§ 11.3). Als gevolg daarvan moeten voor de toepassing van de biedplicht de stemrechten binnen de groep c.q. tussen de gecontroleerde onderneming en degene die haar controleert, wederzijds worden toegerekend (§ 12.2.2). Beloopt het totale aantal stemrechten binnen de groep 30% of meer dan ontstaat er in beginsel een biedplicht voor ieder onderdeel van de groep.
In dit geval handelen M en D1 en M en D2 in onderling overleg en dienen de belangen van beide dochters aan M en aan de beide dochters te worden toegerekend. Als gevolg daarvan verkrijgen M, D1 en D2 tegelijk overwegende zeggenschap.
Als in deze situatie de hiervoor besproken vrijstelling van art. 5:71 lid 1 sub h Wft (§ 15.2.5) zou worden toegepast, dan zou enkel de groepsmaatschappij die de meeste stemrechten kan uitoefenen biedplichtig zijn en de rest vrijgesteld. Echter, omdat alle groepsmaatschappijen als gevolg van eerdergenoemde toerekening geacht worden evenveel stemrechten te kunnen uitoefenen en dus niemand de meeste stemrechten kan uitoefenen in de daar bedoelde zin (zie eerder § 15.2.5), is deze vrijstelling uiteindelijk niet van toepassing.1 Gevolg: alle groepsonderdelen zijn biedplichtig.
Het behoeft geen betoog dat dit niet wenselijk is.2 Om die reden is uiteindelijk gekozen voor een aanvullende vrijstelling in art. 2 lid 2 en 4 Vrijstellingsbesluit (waarover § 15.2.6.3).3
In dit verband verdient ten slotte opmerking dat in de onderzochte landen andere toerekeningsregels gelden. Dat betekent dat ook een andere systematiek wordt gevolgd bij de vrijstelling voor de indirecte verwerving van overwegende zeggenschap, dat wil zeggen indien de controle wordt verkregen in een (tussen)holding die op zijn beurt overwegende zeggenschap heeft in de doelvennootschap.4