Instellingen voor collectieve belegging in effecten
Einde inhoudsopgave
Instellingen voor collectieve belegging in effecten (O&R nr. 119) 2020/1.5:1.5 Plan van aanpak
Instellingen voor collectieve belegging in effecten (O&R nr. 119) 2020/1.5
1.5 Plan van aanpak
Documentgegevens:
mr. drs. J.E. de Klerk, datum 01-02-2020
- Datum
01-02-2020
- Auteur
mr. drs. J.E. de Klerk
- JCDI
JCDI:ADS193694:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit proefschrift is als volgt opgebouwd. Het tweede hoofdstuk is een inleidend hoofdstuk waarin de belangrijkste kenmerken van beleggingsinstellingen zijn beschreven en waarin de terminologie uiteen wordt gezet die verder gehanteerd wordt in dit proefschrift. In dit hoofdstuk passeren de kenmerken van een beleggingsinstelling de revue, evenals de partijen die een rol spelen bij de opzet van een icbe. Ook worden in dit tweede hoofdstuk de juridische structuren en de fiscale verschijningsvormen aangestipt. De Icbe-Richtlijn is een bescheiden onderdeel van een omvangrijk Europees stelsel van Richtlijnen en Verordeningen die tezamen het financiële toezichtrecht in Europa vormen. Een deel van dit recht is sectoraal van aard en een deel is crosssectoraal van aard. Crosssectorale regels kunnen direct van toepassing zijn op icbe’s, terwijl regels die van toepassing zijn op andere sectoren indirect invloed kunnen hebben op icbe’s.1 Het stelsel van Europees toezichtrecht en de plek van de Icbe-Richtlijn daarin is daarom relevant voor de beantwoording van de onderzoeksvraag en is in de laatste paragraaf van het tweede hoofdstuk kort omschreven.
In het derde hoofdstuk tracht ik de vraag te beantwoorden waarom er eigenlijk toezicht op beleggingsinstellingen nodig is. Om te beoordelen of er sprake is van adequate bescherming van deelnemers, dient allereerst vastgesteld te worden of bescherming wel nodig is. Helaas is de onderbouwing van de Icbe-Richtlijn beperkt. Het belangrijkste document over de Icbe-Richtlijn in dit kader is een rapport van de Europese Commissie uit 1985 waarin een artikelsgewijze toelichting is opgenomen op de bepalingen uit Icbe-Richtlijn I.2 Deze toelichting staat ook wel bekend als het Van Damme-rapport, naar de opsteller ervan. Alhoewel de ideeën in het rapport uitsluitend die van de auteur betreffen en niet noodzakelijkerwijs overeenkomen met die van de Europese Commissie, is het een goede bron voor achtergrondinformatie over diverse bepalingen. In het vervolg van dit boek wordt hier ook veelvuldig naar verwezen. In hoofdstuk 3 zijn enkele relevante ontwikkelingen in het toezichtrecht op beleggingsinstellingen in andere landen beschreven om na te gaan wat in die landen de motivatie was voor het toezicht op beleggingsinstellingen. Uiteindelijk probeer ik een rode draad te vinden in de beweegredenen voor het houden van toezicht op beleggingsinstellingen. Voorts komt in hoofdstuk 3 de historie van de Icbe-Richtlijn aan de orde. De icbe-regelgeving is fors uitgebreid sinds Icbe-Richtlijn I. ESMA neemt sinds haar oprichting een belangrijke plek in bij het tot stand brengen van een geharmoniseerd rulebook voor icbe’s. Daarom zou een beschrijving van de ontwikkeling van de icbe-regelgeving niet compleet zijn zonder een paragraaf te wijden aan de rol van ESMA.
Het vierde hoofdstuk gaat in op de verplichtingen uit de Icbe-Richtlijn die gericht zijn op de icbe en het vijfde hoofdstuk behandelt de verplichtingen voor de beheerder. De belangrijkste verplichtingen waarvan de icbe zelf de normadressaat is, zijn de vergunningaanvraag (hoofdstuk 2 van de Icbe-Richtlijn), de aanstelling van de bewaarder en de transparantieverplichtingen (hoofdstuk 9 van de Icbe-Richtlijn). Deze verplichtingen behandel ik zodoende in hoofdstuk 4. De beleggingsrestricties (hoofdstuk 7 van de Icbe-Richtlijn) kennen geen normadressaat en behandel ik eveneens in dat hoofdstuk. De overige verplichtingen zijn gericht tot de beheerder en zijn beschreven in hoofdstuk 5. Het onderscheid is alleen relevant voor zover de icbe een beleggingsmaatschappij is met een aparte beheerder. Indien een icbe geen aparte beheerder heeft, zijn alle verplichtingen van toepassing op de icbe; is er sprake van een beleggingsfonds, dan zijn alle verplichtingen van toepassing op de beheerder.
Het zesde hoofdstuk behandelt de verplichtingen en bevoegdheden van de bewaarder. De bewaarder heeft naast de bewaartaak van de activa ook diverse monitoring- en controleverplichtingen. Daarmee speelt de bewaarder een belangrijke rol bij het beschermen van deelnemers. Deze bepalingen zijn herzien met de recente introductie van Icbe-Richtlijn V. De Madoff-fraude vormde de aanleiding voor deze herziening. Er zijn ten minste vier icbe’s failliet gegaan als een gevolg van deze fraude. Vandaar dat het hoofdstuk start met een beschrijving van deze fraude.
Het proefschrift eindigt met een samenvatting en een conclusie waarin getracht wordt een antwoord te geven op de hoofdvraag.