Einde inhoudsopgave
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/7.6.3
7.6.3 De verhouding tussen de positieve verplichting tot handhaving en de rechtspraak van de burgerlijke rechter over overheidsaansprakelijkheid wegens handhavingsfalen
D.G.J. Sanderink, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
D.G.J. Sanderink
- JCDI
JCDI:ADS447497:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Omgevingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
In zoverre wijkt de rechtspraak van het Hof Den Haag af van de rechtspraak van de ABRvS over de beginselplicht tot handhaving (zie in dezelfde zin over de rechtspraak van de burgerlijke rechter in het algemeen Albers en Heinen 2008, p. 674-677 en 683). In de rechtspraak van de ABRvS is de beleidsvrijheid voor bestuursorganen immers niet geheel verdwenen, maar wel aanzienlijk beperkt (zie ook paragraaf 7.5.2).
Zie Hof Den Haag 24 augustus 2010, r.o. 21.6, ECLI:NL:GHSGR:2010:BN4316 (Slachtoffers Vuurwerkramp/Staat e.a.) en Hof Den Haag 22 maart 2011, r.o. 6.2, ECLI:NL: GHSGR:2011:BP8578 (Rotterdam en DCMR/Reaal Schadeverzekeringen e.a.).
Zie voor bestaande aantastingen paragrafen 4.3.3.4.2 en 4.3.3.4.9 en voor toekomstige aantastingen EHRM 30 november 2004, Öneryildiz/Turkije (zaaknr. 48939/99).
Overigens kan uit de besproken arresten mijns inziens niet afgeleid worden dat de burgerlijke rechter dit uitgangspunt niet hanteert. Andersom blijkt uit die arresten echter ook niet duidelijk dat hij dat uitgangspunt wel hanteert.
Zie paragraaf 7.5.3.
In dezelfde zin (vermoedelijk) Van Dam 2002, p. 120-121, Van Maanen 2007, p. 137, Albers en Heinen 2008, p. 676-677 en Albers en Heinen 2010, p. 505-507. Ook Van Boom en Giesen 2001, p. 1679 en Giesen 2005, p. 118-119 lijken in die richting te gaan. Anders (vermoedelijk) Van Rossum 2005, p. 40 en 54.
In dit verband valt bijvoorbeeld te denken aan de rechtspraak van de HR over de ratio van de oneigenlijke formele rechtskracht (zie HR 31 mei 1991, r.o. 3.4, AB 1992/290, NJ 1993/112 (Van Gog/Nederweert)), maar ook aan zijn rechtspraak die inhoudt dat een door de hoogste bestuursrechter onverbindend verklaard algemeen verbindend voorschrift in beginsel ook in een civiele procedure voor onverbindend gehouden moet worden (zie HR 18 februari 2005, r.o. 3.5, ECLI:NL:HR:2005:AO4257 (Sociaal-Economische Raad/Nederlandse Vakbond Varkenshouders c.s.)).
Enige steun voor mijn opvatting is ook te vinden in HR 25 oktober 2002, r.o. 6.4, ECLI: NL:HR:2002:AE4364 (Heeze-Leende/Lammers): ‘Het hof heeft niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door (…) te oordelen dat op grond van de hiervóór vermelde uitspraken van de bestuursrechter moet worden aangenomen dat de Gemeente jegens Lammers c.s. onrechtmatig handelde door niet tegen de door de inrichting veroorzaakte overlast op te treden (…).’
Zie HR 5 november 1965, NJ 1966/136 (Kelderluik), HR 26 september 2003, r.o. 3.6, ECLI:NL:HR:2003:AI0830 (Waterschap Zeeuwse eilanden/Royal Nederland Verzekeringen), HR 28 mei 2004, r.o. 3.4.1, ECLI:NL:HR: 2004:AO4224 (Jetblast) en HR 28 juni 2013, r.o. 3.4, ECLI:NL:HR:2013:47 (Martina/Curaçao).
Zie Vermeer 2010, p. 357-363 en 373-375. Overigens plaatst hij de beoordeling van de (on)rechtmatigheid van niet-handhaving (zoals ook bijvoorbeeld Giesen 2005 lijkt te doen) mijns inziens ten onrechte in de sleutel van de maatschappelijke betamelijkheid. Als de overheid in strijd met de beginselplicht tot handhaving nalaat handhavend tegen een overtreding op te treden, handelt zij in strijd met een wettelijke plicht als bedoeld in art. 6:162 lid 2 BW, namelijk de wettelijke plicht van art. 3:4 lid 2 Awb. Zie in dit verband ook Asser/Hartkamp en Sieburgh 6-IV* 2011, nr. 44: ‘In strijd met een wettelijke plicht handelt hij die handelt in strijd met een wettelijk gebod of verbod.’ In het arrest-Rotterdam en DCMR/Reaal Schadeverzekeringen e.a. toetste het Hof Den Haag dan ook terecht aan het evenredigheidsbeginsel van art. 3:4 lid 2 Awb en niet aan de maatschappelijke betamelijkheid en/of de kelderluikcriteria (zie r.o. 6.2 en 6.4).
Uit het arrest-Slachtoffers Vuurwerkramp/Staat e.a. en het arrest-Rotterdam en DCMR/Reaal Schadeverzekeringen e.a. blijkt dat het Hof Den Haag van oordeel is dat de overheid een ruime mate van beleidsvrijheid toekomt bij het bepalen of, hoe en wanneer zij handhavend optreedt tegen overtredingen van omgevingsgerelateerde regelgeving.1 Voor beantwoording van de vraag of de overheid op moet treden, moeten volgens dat Hof alle betrokken belangen worden afgewogen, waaronder de eventuele belangen van derden, het belang van de overtreder en het belang dat door de overtreden voorschriften wordt beschermd (het algemeen belang).2 Mijns inziens is het de vraag of deze rechtspraak voldoende waarborgt dat het nalaten van de overheid om handhavend op te treden tegen overtredingen van omgevingsgerelateerde regelgeving onrechtmatig wordt geoordeeld in alle gevallen waarin de positieve verplichting tot handhaving onder artikel 2evrm, artikel 8evrm en/ of artikel 1ep handhavend optreden vereist(e). Hoewel in drie van de vier in paragraaf 7.6.2 besproken arresten het niet handhavend optreden door de burgerlijke rechter onrechtmatig werd geoordeeld, lijkt de ruime beleidsvrijheid die de burgerlijke rechter aan de overheid laat namelijk toch nog aardig wat ruimte te bieden om van handhaving tegen overtredingen af te zien zonder dat dit tot aansprakelijkheid leidt. Dit wordt vooral geïllustreerd door het arrest-Slachtoffers Vuurwerkramp/Staat e.a. De positieve verplichting tot handhaving lijkt daarvoor daarentegen slechts weinig ruimte te bieden, indien de overtreding een bestaande aantasting of een reëel en onmiddellijk gevaar voor een toekomstige aantasting veroorzaakt.3 Om met het evrm strijdige oordelen te voorkomen dient de burgerlijke rechter zich er daarom van bewust te zijn dat bij zo’n bestaande aantasting of bij zo’n reëel en onmiddellijk gevaar handhaving het uitgangspunt moet zijn.4 Ter voorkoming van met het evrm strijdige oordelen zou de burgerlijke rechter kunnen en mijns inziens ook moeten aansluiten bij de bestuursrechtelijke beginselplicht tot handhaving. Die beginselplicht dwingt immers (vrijwel) steeds tot handhavend optreden in de gevallen waarin op grond van de positieve verplichting tot handhaving onder artikel 2 evrm, artikel 8 evrm en/of artikel 1 ep ook handhavend opgetreden moet worden.5 Ook uit een oogpunt van consistentie en rechtseenheid binnen het nationale recht behoort de burgerlijke rechter naar mijn oordeel aan te sluiten bij de bestuursrechtelijke beginselplicht tot handhaving in die zin dat hij het niet handhavend optreden door de overheid onrechtmatig oordeelt, indien de beginselplicht in de omstandigheden van het geval dwingt of dwong tot handhaving tegen de overtreding.6 Overigens is deze aansluiting in mijn ogen ook vanzelfsprekend, omdat een overheid die in strijd handelt of heeft gehandeld met de beginselplicht tot handhaving daarmee tevens in strijd handelt of heeft gehandeld met het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4 lid 2 Awb. De beginselplicht tot handhaving is immers een jurisprudentiële invulling van het evenredigheidsbeginsel, waarbij aan het algemeen belang bij handhaving behoudens bijzondere omstandigheden een zwaarder gewicht wordt toegekend dan aan het belang van de overtreder bij niet-handhaving. De HR zoekt bij de beoordeling van overheidshandelen veelvuldig aansluiting bij de beoordeling van de bestuursrechter.7 Het lijkt mij daarom voor de hand te liggen dat hij bij de beoordeling van de (on)rechtmatigheid van niet-handhaving ook aansluit bij de invulling die de bestuursrechter op het gebied van handhaving blijkens vaste rechtspraak aan het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4 lid 2 Awb geeft.8 In zoverre onderschrijf ik niet de opvatting van Vermeer. Hij betoogt dat de vraag of het niet handhavend optreden tegen een overtreding onrechtmatig is, beantwoord moet worden door te beoordelen of niethandhaving in strijd is met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt in de zin van artikel 6:162 lid 2 BW. Bij de beantwoording van de vraag of niet-handhaving in strijd is met de maatschappelijke betamelijkheid komt volgens hem bijzondere betekenis toe aan de zogenaamde kelderluikcriteria die door de HR voor gevaarzettende gedragingen zijn geformuleerd.9 Naar zijn oordeel is (als ik hem goed begrijp) niet-handhaving in situaties waarin op grond van de beginselplicht handhavend opgetreden moet worden of had moeten worden, dan ook niet per definitie een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW.10 Mijns inziens levert niet-handhaving in zulke gevallen echter wel per definitie een onrechtmatige daad op. Anders dan Vermeer vreest heeft dat naar mijn oordeel geen verregaande consequenties. Voor de overtreder heeft dat immers geen andere consequenties dan die die de bestuursrechtelijke beginselplicht al voor hem heeft. Voor de overheid heeft mijn benadering weliswaar tot gevolg dat eerder een onrechtmatige daad aangenomen wordt, maar voor schadeplichtigheid blijft nog steeds vereist dat sprake is van schade, causaal verband, toerekenbaarheid en relativiteit. Aan die vereisten zal niet altijd zijn voldaan, maar als daaraan wel voldaan is bestaat mijns inziens geen reden om de overheid voor het betalen van schadevergoeding te behoeden. Daar komt nog bij dat van schending van de beginselplicht tot handhaving en dus van eventuele schadeplichtigheid slechts sprake kan zijn bij overtredingen waarvan de overheid weet of behoort te weten. Het is dus niet zo dat de overheid aansprakelijk kan zijn voor schade die veroorzaakt is door een overtreding die zij niet kende en ook niet behoorde te kennen.