Antichresis en pandgebruik
Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/9.3.3:9.3.3 Beheer, vruchttrekking en het toe-eigeningsverbod (art. 3:235 BW)
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/9.3.3
9.3.3 Beheer, vruchttrekking en het toe-eigeningsverbod (art. 3:235 BW)
Documentgegevens:
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264442:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze redenering steunt op Verhagen 2009, p. 145; Schuijling & Verhagen 2014, p. 345.
Steneker 2012, nr. 43; Verstijlen 2013, nr. 23; Schuijling & Verhagen 2014, p. 336 en 346; Asser/Van Mierlo & Krzeminski 3-VI 2020, nr. 63; Snijders & Rank-Berenschot 2017, nr. 519; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2019, nr. 758; Stein 2019, in: GS Vermogensrecht, ad art. 3:235 BW, nr. 2.1.
Zie §9.3.5.
Vgl. Steneker 2012, nr. 43; Verstijlen 2013, nr. 23; Schuijling & Verhagen 2014, p. 346.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een mogelijk probleem van de toekenning van de bevoegdheid tot vruchttrekking van de beherend hypotheekhouder zou kunnen zijn dat zij in strijd komt met het toe-eigeningsverbod. De uitoefening van de beheersbevoegdheid hangt nauw samen met verzuim van de hypotheekgever. Als de beherend hypotheekhouder zijn bevoegdheid tot vruchttrekking uitoefent, verkrijgt hij de eigendom van de afgescheiden vruchten. Tot hun afscheiding waren deze vruchten echter bestanddeel van het hypotheekobject. Dit betekent dat de vruchten zolang zij nog niet zijn afgescheiden, bezwaard zijn met een hypotheekrecht. Door vruchttrekking eigent de hypotheekhouder zich dus vruchten toe die onder het hypotheekrecht vielen. Verzuim van de hypotheekgever zal hieraan meestal voorafgaan. In dit opzicht benadert de vruchttrekkingsbevoegdheid van de beherend hypotheekhouder de door art. 3:235 BW verboden executoriale toe-eigening.1
Art. 3:235 BW doorkruist de bevoegdheid tot vruchttrekking van de beherend hypotheekhouder naar mijn mening evenwel niet. Art. 3:267 lid 1 BW en de daaruit voortvloeiende bevoegdheid tot vruchttrekking zijn te zien als een wettelijke uitzondering op art. 3:235 BW. Bij de totstandkoming van art. 3:267 BW gaf de wetgever aan dat verzuim één van de gronden was voor inbeheerneming. Bovendien was vruchttrekking volgens de wetgever één van de bevoegdheden van de hypothecair beheerder. De wetgever aanvaardde dus dat de hypotheekhouder de eigendom van de vruchten van het hypotheekobject verkreeg, ook al hing de inroeping van het beheersbeding samen met het verzuim van de hypotheekgever.
Ten tweede strijdt de vruchttrekkingsbevoegdheid van de beherend hypotheekhouder niet met de strekking van het toe-eigeningsverbod. Het toe-eigeningsverbod beoogt te voorkomen dat de overwaarde van het onderpand door toe-eigening ten goede komt aan de pand of hypotheekhouder. Komt de overwaarde niet ten goede aan de pand of hypotheekhouder, dan valt zij in het vermogen van de schuldenaar. Overige crediteuren kunnen zich op deze overwaarde verhalen. Het toe-eigeningsverbod strekt er dus toe de schuldenaar en zijn overige crediteuren te beschermen.2 De beherend hypotheekhouder is verplicht om de waarde van de vruchten die hij heeft getrokken in mindering te brengen op de gesecureerde vordering. Van overbedeling is dus geen sprake. De hypotheekhouder dient bovendien te verantwoorden3 tegen welke waarde hij de vruchten in mindering heeft gebracht op de gesecureerde vordering. Dit geeft een waarborg tegen benadeling van de schuldenaar en diens overige schuldeisers.4