Einde inhoudsopgave
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/5.3.2
5.3.2 Stimuleringsmaatregelen
dr. M. Schuver-Bravenboer, datum 01-02-2009
- Datum
01-02-2009
- Auteur
dr. M. Schuver-Bravenboer
- JCDI
JCDI:ADS411326:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Wetgeving
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor de achtergrond en de ontwikkeling van deze begrippen Hemels 2005, p. 11-16.
Stevens 2002, p. 1328.
Schuver-Bravenboer 2005, p. 127.
Logue noemt deze variant een ‘up-front credit’ (zie Logue 1996, p. 1139), Kaplow spreekt over een ‘up-front subsidy’ (Kaplow 1986, p. 587) en Goldberg gebruikt de term ‘one-time subsidy’ (Goldberg 1994, p. 309 e.v.).
Logue spreekt hier over een ‘installment credit’ (Logue 1996, p. 1139) en Goldberg gebruikt de term ‘periodic subsidy’ (Goldberg 1994, p. 309 e.v.).
Zie ook Verhoeven 2005, p. 13-14. De belastingplichtige heeft deze zekerheid echter niet meer als in een regel die een tijdsaanduiding bevat aanpassingen worden aangebracht. Zie par. 5.4.1.
Hfdst. 2 art. I onderdeel Db Inv.w. Wet IB 2001.
Zie Schuver-Bravenboer 2006b, p. 78. Zie ook par. 7.2.1.2.
Zie Popelier 1997, p. 317; vgl. Notitie TWK p. 6.
Dit is anders indien het spaarloon wordt aangewend voor de voldoening van lijfrentepremies. Zie hierover Koelewijn 2008.
Art. XXVII lid 2 Wet van 14 december 2006, Stb. 2006, 682 (Belastingplan 2007).
Binnen alle regels die uiteindelijk bepalen hoeveel de verschuldigde belasting bedraagt, zijn regels te onderscheiden die behoren tot de primaire heffingsfunctie en regels die behoren tot de nevenfuncties van belastingheffing. Belastingheffing kan immers naast de budgettaire functie ook een instrumentele functie of steunfunctie vervullen. Door middel van de instrumentele functie wordt de fiscale regelgeving aangewend voor het realiseren van beleidsdoelstellingen. Door het verlenen van een vrijstelling, een bijzonder tarief of een aftrek van het inkomen probeert de overheid belastingplichtigen te stimuleren tot het ondernemen van bepaalde activiteiten of het nemen van een bepaalde beslissing. Maatregelen die voortvloeien uit de instrumentele functie van belastingheffing worden daarom vaak stimuleringsmaatregelen genoemd.
In het rapport ‘Belastingen als beleidsinstrument’ definieerde de Algemene Rekenkamer fiscale stimuleringsmaatregelen als: 1
‘een overheidsuitgave in de vorm van een derving of een uitstel van belastingontvangsten die voortvloeit uit een voorziening in de wet voorzover die voorziening niet in overeenstemming is met de primaire heffingsstructuur van de wet en die is gericht op stimulering van specifieke activiteiten van burgers, instellingen en bedrijven.’
In de toelichting op deze definitie wordt opgemerkt dat het stimuleren van bepaald gedrag impliceert dat burgers, instellingen of bedrijven wel een keuze moeten hebben om bepaald gedrag al dan niet te vertonen. Als handelingsvrijheid ontbreekt, is er dus geen sprake van een stimuleringsmaatregel. Naar mijn mening is deze aanvulling noodzakelijk om tot een definitie van het begrip ‘stimuleringsmaatregel’ te komen die overeenstemt met hetgeen in het spraakgebruik daaronder wordt verstaan. Dankzij deze aanvulling vormen zowel de liquidatieverliesregeling (art. 13d Wet VPB 1969) als de inmiddels vervallen regeling voor tijdelijke afwaardering van deelnemingsverliezen (art. 13ca Wet VPB 1969) in mijn visie geen stimuleringsmaatregel meer. Deze regels zetten naar mijn mening niet aan tot bepaald gedrag. Opmerkelijk is dat deze regels door de Algemene Rekenkamer echter wel tot de stimuleringsmaatregelen worden gerekend.2
In het vervolg van dit onderzoek ga ik uit van een beperktere opvatting van het begrip ‘stimuleringsmaatregel’, waarbij derhalve van belang is dat belastingplichtigen vrij zijn om een keuze te maken. In plaats van de term ‘stimuleringsmaatregel’ worden ook wel de termen ‘belastingsubsidie’, ‘belastinguitgave’, ‘tax incentive’, ‘belastingfaciliteit’ en ‘fiscale faciliteit’ gebruikt.3 Ik zal in dit onderzoek de term ‘stimuleringsmaatregelen’ hanteren.
Een groot deel van de stimuleringsmaatregelen dient ervoor om de realisatie van beleidsdoelstellingen mogelijk te maken. Politieke veranderingen leiden veelal tot een verandering van die beleidsdoelstellingen. Enerzijds maakt dit het voortbestaan van reeds bestaande stimuleringsmaatregelen kwetsbaar. Belastingplichtigen zouden er rekening mee moeten houden dat stimuleringsmaatregelen vatbaar zijn voor verandering (zie par. 5.4.3). Anderzijds moet worden voorkomen dat belastingplichtigen de overheid als onbetrouwbaar gaan beschouwen indien fiscaal gedreven producten met een lange looptijd na afschaffing of beperking van een stimuleringsmaatregel veel minder gunstig blijken te zijn. Stevens wijst op dit dilemma:4
‘(...) [H]et verwijderen van fiscale faciliteiten dreigt soms even slecht doordacht en onderbouwd te verlopen als indertijd het geval was bij de invoering ervan. Het lijkt er soms op dat juist de coalitie die wil werken aan herstel van vertrouwen in de overheid in het aftuigen van de kerstboom daarbij het meest kwetsbare pronkstuk, de trotse piek van de betrouwbare overheid, heeft laten sneuvelen. Daar waar de overheid ter wille van de klantbescherming van de aanbieders van financiële producten financiële bijsluiters vereist, blijkt zij zelf in de fiscaal gedreven producten (spaarloon, lijfrente, maatschappelijk wenselijke spaarvormen) een van de meest onvoorspelbare en grillige factoren te zijn. Zeker, een overheid moet flexibel kunnen opereren en “verkregen rechten” kunnen geen eeuwig fiscaal leven leiden, maar het is juist de kunst van regeren een zorgvuldig optimum te zoeken tussen vernieuwende flexibiliteit en waarborgende stabiliteit.’
Het criterium van stimulerings- en ontmoedigingsmaatregelen gaat ervan uit dat de overheid als betrouwbaar te boek wil staan. Bij de afschaffi ng of beperking van stimuleringsmaatregelen – een belastende wetswijziging – zou de wetgever zich moeten realiseren dat hij belastingplichtigen ten tijde van het bestaan van de stimuleringsmaatregel heeft willen overhalen tot het ondernemen van een bepaalde activiteit of het nemen van een bepaalde beslissing. Indien de wetgever hiermee geen rekening houdt, en daardoor wellicht onbetrouwbaar overkomt, is de kans aanwezig dat belastingplichtigen zich voortaan alleen tot door de overheid gewenste activiteiten en beslissingen laten overhalen indien de kans op nadeel ten gevolge van een wetswijziging gering is. Het nadeel voor de overheid hiervan is dat haar sturingsmogelijkheden afnemen. Voorts zullen belastingplichtigen een hogere ‘risicopremie’ verlangen in de vorm van aantrekkelijkheid van de stimuleringsmaatregel naarmate zij meer risico lopen.5
De mate waarin verwachtingen bestaan ten aanzien van het voordeel van een stimuleringsregeling hangt af van het moment waarop de fiscale tegemoetkoming wordt gerealiseerd. In dit verband onderscheid ik drie varianten:
de fiscale tegemoetkoming wordt volledig in het jaar van de beslissing verleend;6
de fiscale tegemoetkoming wordt verspreid over meer jaren verleend;7 of
de fiscale tegemoetkoming wordt pas bij afronding van de activiteit verleend.
1. Fiscale tegemoetkoming in het jaar van de beslissing
Indien de fiscale tegemoetkoming volledig wordt verleend in het jaar waarin de activiteit is gestart of een beslissing is genomen, loopt de belastingplichtige nauwelijks risico van afschaffing van de faciliteit. De tegemoetkoming kan hem immers alleen worden ontnomen indien deze met terugwerkende kracht wordt afgeschaft. Voorbeelden van tegemoetkomingen die volledig in het jaar van de beslissing worden verleend zijn de investeringsaftrek (o.a. art. 3.41 Wet IB 2001), de vorming van een fiscale reserve (art. 3.53 Wet IB 2001) en de bedrijfsfusiefaciliteit (art. 14 Wet VPB 1969). Met betrekking tot de investeringsaftrek wordt bovendien ervan uitgegaan dat deze faciliteit ook niet met terugwerkende kracht kan worden ontnomen, doordat art. 3.51 Wet IB 2001 bepaalt dat de investeringaftrek plaatsvindt volgens de regels voor het tijdvak waarin de investering heeft plaatsgevonden.8
Als beslissingen op een langetermijnplanning zijn gebaseerd, loopt de belastingplichtige meer risico. Gedurende de periode waarin hij plannen maakt, vertrouwt hij in beginsel erop aan het einde van die planningsperiode de faciliteit te kunnen benutten. Als voorbeeld kan de versobering van de doorschuivingsfaciliteit in de familiesfeer per 1 januari 2001 worden genoemd (art. 17 Wet IB 1964). Ter zake van deze versobering is een overgangsmaatregel getroffen op grond waarvan in 2001 de oude regeling nog mag worden toegepast.9 Een overgangsmaatregel waarin meer rekening wordt gehouden met de planningsperiode die aan bedrijfsovernames vooraf gaat, was naar mijn mening uit oogpunt van rechtszekerheid wenselijk geweest.10
2. Fiscale tegemoetkoming verspreid over meer jaren
Bij de meeste stimuleringsmaatregelen wordt de fiscale tegemoetkoming verspreid over meer jaren verleend. Als voorbeeld kunnen worden genoemd de hypotheekrenteaftrek (art. 3.120 Wet IB 2001), de aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk (art. 3.77 Wet IB 2001) en de spaarloonregeling (art. 32 Wet LB 1964). Ondanks dat voor al deze faciliteiten geldt dat zij verspreid over meer jaren worden verleend, zijn de gevolgen van afschaffing van de stimuleringsmaatregel voor deze faciliteiten verschillend. De eigenwoningbezitter zal ook na afschaffing van de hypotheekrenteaftrek de verplichtingen aangaande zijn hypotheekovereenkomst moeten nakomen. De afschaffing beïnvloedt derhalve de financiële positie van de belastingplichtige. In jurisprudentie van het Bundesverfassungsgericht wordt bevestigd dat aan het criterium van stimulerings- en ontmoedigingsmaatregelen meer gewicht toekomt indien op basis van een rechtsregel beslissingen zijn genomen die uit hun aard op een lange termijn betrekking hebben.11
De afschaffing van de spaarloonregeling heeft daarentegen geen directe financieel nadelige gevolgen. Aan de spaarloonregeling ligt in beginsel geen langlopende verplichting ten grondslag waarvan de belastingplichtige niet zonder schade kan afkomen.12 Er kan derhalve een onderscheid worden aangebracht tussen stimuleringsmaatregelen waaraan duursituaties ten grondslag liggen en stimuleringsmaatregelen waarbij duursituaties ontbreken. Zoals aangegeven in par. 5.3.1 is in het eerste geval ook een rol weggelegd voor het criterium van de schade (par. 5.2).
3. Fiscale tegemoetkoming bij afronding van de activiteit
Voorbeelden van stimuleringsmaatregelen waarbij de tegemoetkoming bij de afronding van de activiteit wordt verleend, zijn de landbouwvrijstelling (art. 3.12 Wet IB 2001) en de stakingsaftrek (art. 3.79 Wet IB 2001). Indien de fiscale tegemoetkoming eerst bij afronding van de activiteit wordt verleend, loopt de belastingplichtige het meeste risico dat hij de faciliteit uiteindelijk niet kan effectueren. Ten opzicht van situatie 1 en 2 komt in dit geval aan het criterium van stimulerings- en ontmoedigingsmaatregelen het meeste gewicht toe. Als de fiscale tegemoetkoming vervalt of wordt beperkt nadat de activiteiten zijn gestart, derft de belastingplichtige over de gehele periode waarin hij de activiteiten heeft uitgevoerd het voordeel van de stimuleringsmaatregel. Bij de beperking van de landbouwvrijstelling hebben belastingplichtigen dit al ervaren (zie bijlage A).
Bij de invoering van een stimuleringsmaatregel kiest de wetgever er wel eens voor deze maatregel alleen op nieuwe toestanden van toepassing te laten zijn. Als de maatregel ook op bestaande toestanden van toepassing wordt, schiet zij immers haar doel voorbij; bestaande toestanden hoeven niet meer te worden gestimuleerd. Een voorbeeld is de invoering van de startersaftrek voor arbeidsongeschikten in art. 3.78a Wet IB 2001 per 1 januari 2007. Deze regeling is alleen van toepassing op belastingplichtigen die na 31 december 2006 ondernemer worden.13 De vraag is of het feit dat het hier om een stimuleringsmaatregel gaat een voldoende rechtvaardiging is voor de onevenredig ongelijke behandeling van ongelijke gevallen die hier lijkt te ontstaan.