De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht
Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/9.3.2:9.3.2 Naar een consistente verhouding tussen de relativiteit en redelijke toerekening
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/9.3.2
9.3.2 Naar een consistente verhouding tussen de relativiteit en redelijke toerekening
1
Documentgegevens:
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284608:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
820. In §7.5 ontwikkelde ik een driestapsmodel waarin de relativiteitsleer en de redelijke toerekeningsleer ieder een duidelijke eigen plaats toekomen met eigen criteria. De systematiek valt in drie stappen uiteen:
Strekt de geschonden norm gezien haar doel en strekking duidelijk niet tot bescherming van de gelaedeerde, diens schade of de intredingswijze? In dat geval ontbreekt op de voet van art. 6:163 BW de relativiteit en bestaat dus voor die schade geen aansprakelijkheid.
Laat zich positief vaststellen dat de norm de gelaedeerde gezien haar doel en strekking wel duidelijk tegen diens schade en de intredingswijze daarvan wil beschermen? In dat geval is die schade toerekenbaar ex art. 6:98 BW.
Indien het antwoord op vraag (i) en (ii) negatief is: moet de schade op grond van een integrale art. 6:98 BW-afweging aan de onrechtmatige daad toegerekend worden? Is dat het geval, dan bestaat voor die schade aansprakelijkheid.2
821. In deze systematiek beheerst de relativiteit enkel – conform de wettekst – de vraag of de schade niet voor vergoeding in aanmerking komt, omdat de norm daartegen in een van de drie relevante opzichten niet wil beschermen. Vervolgens komt de art. 6:98 BW-toets aan de orde. In dat kader geldt de regel dat schade in ieder geval toerekenbaar is, als de geschonden norm de gelaedeerde wel duidelijk tegen diens schade en de intredingswijze daarvan wil beschermen. Afhankelijk van de onrechtmatigheidscategorie moeten deze vragen beantwoord worden door uitleg van de norm (wetsschending), het in abstracto te beschermen gevaar en de achterliggende noties en beginselen (ongeschreven normen) of aan de hand van de aard, de inhoud en het doel van het geschonden recht (rechtsinbreuk). Bieden die methoden geen uitkomst, dan komt de vraag aan de orde of op basis van een integrale art. 6:98 BW-toets voldoende grond bestaat voor toerekening van de schade.
822. De bestuursrechtelijke relativiteitsleer van art. 8:69a Awb vormt in deze benadering een voorselectie binnen stap 1. Art. 8:69a Awb bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt wegens strijd met een geschreven norm of beginsel dat kennelijk niet strekt tot bescherming van degene die zich daarop beroept. Als de norm kennelijk niet strekt tot diens bescherming, strekt de norm evenmin duidelijk tot bescherming van diens schade. De zoektocht naar schadevergoeding van de gelaedeerde/belanghebbende bij een besluit eindigt in zo’n geval dus al in de bestuursrechtelijke kolom: het besluit verkrijgt jegens hem formele rechtskracht. Dat betekent omgekeerd nog niet dat het passeren van de 8:69a Awb-drempel meebrengt dat de norm de gelaedeerde dus wel beschermt tegen de geleden schade. Daarvoor zijn stap 2 en 3 doorslaggevend.3
823. Ik ben de eerste om toe te geven dat de driestapstoets, net zomin als het huidige systeem, een absoluut antwoord op de aansprakelijkheidsvraag zal geven. Het gaat mij er vooral om dat deze toets de relativiteit en redelijke toerekening weer duidelijk dogmatisch van elkaar onderscheidt en in het verlengde daarvan duidelijk maakt hoe, en aan de hand van welke criteria, gezocht moet worden naar het antwoord op de vraag of de geleden schade voor vergoeding in aanmerking komt. Dat is al een stap vooruit.
Ik liet aan de hand van de zaken Barneveld/Gasunie, Duwbak Linda en Schietincident Alphen a/d Rijn zien dat voornoemde methode de uitkomsten van die zaken volgens mij op een consistentere, en daarmee inzichtelijkere, wijze beantwoordt dan thans het geval is.4 Bovendien bleek dat de driestapstoets meer houvast biedt voor een gemotiveerd en normatief ingekaderd rechtspolitiek oordeel.5 Dat bood vruchtbare grond te onderzoeken of de driestapstoets ook structureler casus in het besluitenaansprakelijkheidsrecht consistenter en inzichtelijker oplost dan het huidige systeem.