Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/10.3.9.2
10.3.9.2 Litispendentie
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS582400:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Zie Vlas (Burgerlijke Rechtsvordering, Verdragen & Verordeningen), art. 27 EEX-Vo, aant. 2.
Polak 2007, p. 133.
Zie HvJ EG 6 december 1994, zaak C-406/92 (Ship Tatry), Jur. 1994, p. 1-5439, NJ 1995, 659 m.nt. ThMdB en HvJ EG 19 mei 1998, zaak C-351/96 (Drouot/CMI), Jur. 1998, p. 1-3075, NJ 2000, 155 m.nt PV. In Drouot/CMI oordeelde het HvJ EG zelfs dat de nationale rechter de verzekeraar en zijn verzekerde met elkaar mag vereenzelvigen, op voorwaarde dat hun belangen, gezien het voorwerp van de beide procedures, identiek en onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Denk enerzijds aan de procedure tussen de gelaedeerde en de laedens en anderzijds de procedure tussen de gelaedeerde en de verzekeraar van de laedens. Zie ook Polak 2007, p. 137.
Zie ook Strikwerda 2005, nr. 259.
Strikwerda 2005, nr. 259.
Zie HvJ EG 8 december 1987, zaak 144/86 (Gubisch/Palumbo), Jur. 1987, NJ 1989, 420 m.nt. JCS. Zie ook Vlas (Burgerlijke Rechtsvordering, Verdragen & Verordeningen), art. 27 EEX-Vo, aant. 2.
HvJ EG 6 december 1994, zaak C-406/92 (Ship Tatry), Jur. 1994, p.1-5439, NJ 1995, 659 m.nt. ThMdB. Zie ook HR 10 november 1995, NJ 1996, 259(Ampersand c.s./Sisro).
Zie Polak 2007, p. 136. Zie HvJ EG 8 december 1987, zaak 144/86 (Gubisch/Palumbo), Jur. 1987, NJ 1989, 420 m.nt. JCS.
Zie HvJ EG 8 mei 2003, zaak C-111/01 (Gantner/Basch), Jur. 2003, p. 1-4207, NJ 2006, 349 m.nt. PV, r.o. 24-32; HvJ EG 14 oktober 2004, zaak C-39/02 (Maersk/De Haan), Jur. 2004, p. 1-9657. Zie ook Polak 2007, p. 137.
HvJ EG 27 juni 1991, zaak C-351/89 (Overseas Union/New Hampshire), Jur. 1991, p. 1-3317, NJ 1993, 527 m.nt. JCS; HvJ EG 9 december 2003, zaak C-116/02 (Gasser/MISAT), Jur. 2003, p. 1-14693, NJ 2007, 151 m.nt. PV. Polak wijst nog op de beperkte uitzondering op de hoofdregel in HvJ EG 9 oktober 1997, zaak C-163/95 (Von Horn/Cinnamond), Jur. 1997, p. 1-5451, NJ 1999, 793 m.nt. PV. Zie Polak 2007, p. 137 en de daar vermelde jurisprudentie in voetnoot 16.
Als gevolg van art. 4 EEX-Vo worden de commune internationale bevoegdheidsregels van de geadieerde rechter in het stelsel van de EEX-Vo opgenomen. Dit heeft als gevolg dat een vonnis gewezen tegen een buiten de EEX-zone wonende verweerder binnen de EEXzone kan worden erkend en tenuitvoergelegd ingeval de bevoegdheid is gebaseerd op een exorbitant forum. Zie Vlas (Burgerlijke Rechtsvordering, Verdragen & Verordeningen), art. 4 EEX-Vo, aant. 2. Op in lidstaten aanhangige procedures betreffende de erkenning en tenuitvoerlegging van in niet-lidstaten gewezen vonnissen in burgerlijke en handelszaken zijn de art. 27, 28 en 29 EEX-Vo niet van toepassing. Zie HvJ EG 20 januari 1994, zaak C129/92 (Owens Bank/Bracco), Jur. 1994, p. 1-117, NJ 1994, 351 m.nt. JCS.
Polak 2007, p. 133.
Polak 2007, p. 133.
Polak 2007, p. 135 en de daar aangehaalde jurisprudentie. Zie bijvoorbeeld HvJ EG 27 juni 1991, zaak C-351/89 (Overseas Union/New Hampshire), Jur. 1991, p. 1-3317, NJ 1993, 527 m.nt. JCS; HvJ EG 20 januari 1994, zaak C-129/92 (Owens Bank/Bracco), Jur. 1994, p. 1-117, NJ 1994, 351 m.nt. JCS; HvJ EG 9 december 2003, zaak C-116/02 (Gasser/MISAT), Jur. 2003, 1-14693, NJ 2007, 151 m.nt. PV; HvJ EG 14 oktober 2004, zaak C-39/02 (Maersk/De Haan), Jur. 2004, p. 1-9657.
In artikel 27 EEX-VO wordt de aanhangigheid of litispendentie geregeld. Het artikel heeft nagenoeg dezelfde inhoud als artikel 21 van het EEX-verdrag. Artikel 27 EEX-VO bepaalt dat ingeval voor gerechten van verschillende lidstaten tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn, die hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht zijn uitspraak ambtshalve aanhoudt, totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht vaststaat. Wanneer dit laatste het geval is en de beslissing in de eerst ingestelde procedure in aanmerking komt voor erkenning en tenuitvoerlegging in het land waar de zaak het laatst is aangebracht, dient de laatst geadieerde rechter zich onbevoegd te verklaren. Cumulatie van internationale bevoegdheden moet op deze wijze worden voorkomen, zodat geen tegenstrijdige beslissingen worden genomen.1 Onverenigbare beslissingen vormen een obstakel voor het vrij verkeer van vonnissen, zoals dit onder de EEX-VO plaatsvindt.2
Of een partij in de ene procedure eiser is en in de andere procedure gedaagde, is niet relevant voor het begrip 'dezelfde partijen'. Partijen zijn niet verplicht dezelfde rol te vervullen.3
Indien de vorderingen een grond vinden in hetzelfde feitencomplex en dezelfde rechtsregels, dan is voldaan aan de eis van 'dezelfde oorzaak' (de rechtsverhouding tussen partijen).4 Ingeval de vorderingen hetzelfde doel hebben, is voldaan aan de eis van 'hetzelfde onderwerp'.5 Het HvJ EG interpreteert het begrip 'hetzelfde onderwerp' tamelijk ruim.6 Het doel van de ingestelde vorderingen hoeft dan ook niet volledig gelijk te zijn voor de aanname dat het 'hetzelfde onderwerp' betreft. De vordering van de gelaedeerde tot vaststelling van de aansprakelijkheid van de laedens berust bijvoorbeeld op dezelfde oorzaak en betreft hetzelfde onderwerp als de vordering van de laedens tot een verklaring van recht dat zij niet aansprakelijk is.7 Hetzelfde geldt voor enerzijds een vordering tot nakoming van een overeenkomst van A jegens B en anderzijds een vordering van B jegens A tot nietigverklaring van de overeenkomst.8
Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van litispendentie dient de nationale rechter alleen te kijken naar de aanspraken van eisers of verzoekers in beide procedures. De verweermiddelen van gedaagden of verweerders spelen geen rol.9
Het is voor de laatst geadieerde rechter niet toegestaan om zelf te beoordelen of de eerst aangezochte rechter bevoegd is op grond van de EEX-VO of het nationaal procesrecht van de eerst geadieerde rechter. De laatst geadieerde rechter beschikt slechts over de dwingend geformuleerde opdracht de zaak aan te houden en zich onbevoegd te verklaren indien de eerst aangezochte rechter zich bevoegd acht.10
Voor de toepassing van artikel 27 EEX-VO is niet vereist dat partijen beiden woonplaats hebben in een EEX-staat. Artikel 27 EEX-VO moet zowel worden toegepast ingeval de bevoegdheid van de rechter is gebaseerd op de EEX-VO als ingeval de bevoegdheid is gebaseerd op het via artikel 4 EEX-VO van toepassing verklaarde commune internationale bevoegdheidsrecht van de aangezochte rechter.11
Polak merkt op dat de EEX-vo naast deze preventieve maatregel ook repressieve maatregelen kent, inhoudende de verplichte weigering om de beslissing van de rechter van de ene lidstaat te erkennen en/of uitvoerbaar te verklaren in een andere lidstaat, als gevolg van onverenigbaarheid met een beslissing die tussen dezelfde partijen is gegeven door de rechter van laatstgenoemde lidstaat, door de rechter van een andere lidstaat of door de rechter van een derde land.12 Deze repressieve maatregelen zijn geregeld in artikel 34 aanhef en onder 3 en 4 en artikel 45 lid 1 EEX-V0.13
In artikel 12 Rv is een van artikel 27 EEX-VO afgeleide regel geformuleerd. Artikel 12 Rv bepaalt dat indien een zaak voor een rechter van een vreemde staat aanhangig is gemaakt en daarin een beslissing kan worden gegeven die voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar is, de Nederlandse rechter bij wie nadien een zaak tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp is aangebracht, de behandeling kan aanhouden totdat daarin door eerstbedoelde rechter is beslist. Indien die beslissing voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar blijkt te zijn, verklaart de Nederlandse rechter zich onbevoegd. Nu voor de toepassing van de EEX-VO voldoende is dat twee of meer rechters uit de lidstaten gelijktijdig worden ingeschakeld (nadere eisen met betrekking tot de bevoegdheidsgrondslag van de geadieerde rechter of de woonplaats van procespartijen worden door het HvJ EG niet gesteld), is het toepassingsgebied van artikel12 Rv beperkt tot de situatie waarbij de Nederlandse rechter en een rechter van een niet-lidstaat is betrokken.14