Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020
Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/6.5.1:6.5.1 Notitie Toekomstverkenning WW (2004)
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/6.5.1
6.5.1 Notitie Toekomstverkenning WW (2004)
Documentgegevens:
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258918:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op 3 februari 2004 deed de minister van SZW een adviesaanvraag over de toekomstbestendigheid van de WW aan de SER. Het was de vraag of de WW voldoende toegesneden was op actuele trends en de toekomstige langetermijnontwikkelingen.1 Er werd in de notitie bij de adviesaanvraag over de toenmalige vormgeving van de WW een belangrijk knelpunt onderschreven, namelijk het feit dat de werknemer zich ook moest verzetten tegen ontslag als hij daar eigenlijk geen grond voor had, omdat hij anders niet alles had gedaan om werkloosheid te voorkomen. Het pro-formaverweer tegen het ontslag kwam voort uit de vrees van de werknemer dat zijn WW-uitkering geweigerd zou worden vanwege onvoldoende pogingen om zijn ontslag te voorkomen. Dit leidde tot overbodige procedures (‘toneelstukjes’), onnodige uitvoeringswerkzaamheden, uitvoeringsproblemen en hoge administratieve lasten. Het UWV moest volgens het kabinet tijdrovende onderzoeken doen om te bekijken of werknemers het ontslag hadden kunnen voorzien en voorkomen door zich adequaat en voldoende te verzetten tegen het (voornemen tot) ontslag. De winst in termen van bespaarde WW-lasten was daarbij relatief gering. De barrières tegen afwenteling van de werkgeverslasten op de WW, die het kabinet met de Wet Boeten in het leven had geroepen, namelijk de eis van verzet tegen het ontslag, bleken te kostbaar te zijn en verhinderden dat de WW-aanvraag op een eenvoudige manier kon worden afgehandeld.2
De notitie beschrijft drie trends die de WW-lasten zouden gaan verhogen in de toekomst en een wijziging van de WW noodzakelijk maakten. De vergrijzing van de bevolking, individualisering/flexibilisering van werknemers en technologische ontwikkelingen zouden tot meer WW-kosten gaan leiden. De vergrijzing van de bevolking was een probleem, omdat (werkloze) ouderen een hoger gemiddeld verblijfsrisico in de WW kennen.3 De trend van individualisering en flexibilisering van de werknemers had zijn oorzaak in de differentiatie in samenlevingsvormen en levenslopen die de afgelopen decennia was ontstaan. Zo was er meer participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt, waardoor gezinnen minder kwetsbaar werden voor werkloosheidsrisico’s door het inkomensverlies van één partner. Ook was er meer flexibiliteit op de arbeidsmarkt door de verhoogde arbeidsmobiliteit en door het gewijzigde ontslagrecht; werknemers wisselden vaker van baan. Ten slotte zorgden de technologische ontwikkelingen in de arbeidsmarkt voor minder vraag naar lager opgeleiden, waardoor het werkloosheidsrisico voor die groep groter werd. Het kabinet vond dat – in het licht van voorgaande trends – een wijziging van de WW nodig was, zodat de legitimiteit van de regeling gewaarborgd kon blijven. Vooral de financierbaarheid van de WW en het maatschappelijk draagvlak voor de WW waren factoren die van belang waren voor de wijzigingen en het behoud van de WW.4