Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel
Einde inhoudsopgave
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/6.6.3.b:6.6.3.b Artikel 22, zesde lid, tweede alinea, aanhef en onder b, van het DWU
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/6.6.3.b
6.6.3.b Artikel 22, zesde lid, tweede alinea, aanhef en onder b, van het DWU
Documentgegevens:
Anneke Els Keulemans, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
Anneke Els Keulemans
- JCDI
JCDI:ADS362957:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Beroepsfase
Fiscaal procesrecht / Procesorde
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Europees belastingrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Artikel 22, zesde lid, tweede alinea, aanhef en onder b, van het DWU bepaalt dat een bestuursorgaan het kenbaarmakingsbeginsel mag beperken als de toekenning van een tariefcontigent wordt geweigerd, omdat het vastgestelde volume van het tariefcontigent is bereikt. Deze beperking ziet op situaties waarbij een belanghebbende een goed invoert waarvoor een tariefcontingent geldt en de belanghebbende toekenning daarvan vraagt (paragraaf 2.2.2). Toekenning leidt voor de belanghebbende tot een lager tarief. Als echter dit lagere tarief beperkt is tot een bepaald invoervolume, wijzen de autoriteiten een dergelijke aanvraag af als dat volume is bereikt. Deze weigering is een bezwarend besluit. Dit besluit raakt de aanvrager individueel en rechtstreeks en deze aanvrager ondervindt bij afwijzing nadeel, omdat hij daardoor een hoger bedrag aan douanerechten is verschuldigd. Het kenbaarmakingsbeginsel wordt dus beperkt. Deze beperking is niet individueel van aard, maar richt zich tot alle aanvragen nadat het volume is bereikt. Uitleg voor het opnemen van deze beperking geeft de Uniewetgever niet. Uit de aard van deze specifieke problematiek kan ik echter niet anders dan concluderen dat in dit geval sprake is van een gebonden beschikking, waarbij geen enkele ruimte bestaat voor de douaneautoriteiten, en ook geen enkele ruimte bestaat voor discussie over de feiten. Daar komt bij dat de belanghebbende geen informatie kan verschaffen die relevant is voor de beslissing. De autoriteiten zijn zelf houder van de informatie of het volume is bereikt. Alsdan is het uitoefenen van het recht een standpunt naar behoren en effectief kenbaar te maken over de elementen waarop een bestuursorgaan een besluit wil baseren voordat het bestuursorgaan het bezwarende besluit neemt, slechts een ‘papieren letter’ zonder doel en dient dit recht niet de rechtsbescherming en de zorgvuldige besluitvorming. Deze categorale beperking is mijns inziens gerechtvaardigd. Deze beperking in het DWU laat zien dat een categorale beperking van het kenbaarmakingsbeginsel voor een beperkt aantal voorgenomen fiscale besluiten mogelijk is als sprake is van voorgenomen gebonden beschikkingen en de belanghebbenden nimmer over voor die beschikkingen relevante informatie kunnen beschikken.