Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.4.1:7.4.1 Inleiding
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.4.1
7.4.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940501:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 7.4.3 en paragraaf 7.3.8.2 over de wetgevingstechniek van het wettelijk vermoeden.
Scheltens (losbl.), p. 635 en Albert 2005, p. 173 hanteren de term ‘processuele’ sanctie, evenals de Hoge Raad in HR 5 februari 2021, V-N 2021/8.22, r.o. 4.3 en in HR 26 juni 2015, V-N 2015/32.10, BNB 2015/178, r.o. 4.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In paragraaf 7.3.4 zijn de reguliere regels van bewijslastverdeling behandeld. Uit het algemene beginsel van de redelijke verdeling van de bewijslast werden enkele subregels afgeleid, die in feite steeds een uitwerking bleken te zijn van één overheersende hoofdregel, te weten: ‘Wie stelt, moet het (begin van) bewijs aandragen.’ Op diegene rust dus de primaire bewijslast. Aldus vloeit in feite het hele bewijsrecht ten aanzien van de bewijslastverdeling voort uit het ongeschreven recht. De belastingwet bevat hierop echter één uitzondering en dat is de zogenoemde omkering van de bewijslast. Deze regeling is juist wél in de wet geregeld, te weten in art. 25 lid 3 (dat ziet op de bezwaarfase) respectievelijk art. 27e en art. 27h lid 2 AWR (dat ziet op de beroepsfase en de hoger beroepsfase). In de kern komt de regeling erop neer, dat een belasting- of inhoudingsplichtige die niet voldoet aan (een) bepaalde wettelijke informatieverplichting(en), in bezwaar of (hoger) beroep geconfronteerd wordt met een wettelijk vermoeden van de juistheid van de aanslag waartegen hij opkomt.1 Het is dus een bewijsrechtelijke (of processuele) sanctie.2
In paragraaf 7.4.2 ga ik eerst in algemene zin in op hoe de regeling van de omkering van de bewijslast eruitziet. Vervolgens sta ik in paragraaf 7.4.3 stil bij de rechtvaardiging van de regeling van de omkering. In paragraaf 7.4.4 behandel ik de voorwaarden voor de toepassing van de omkering. Daarna beschrijf ik in paragraaf 7.4.5 de bewijspositie voorafgaand aan en na het intreden van de omkering. Ten slotte komen in paragraaf 7.4.6 de uitzonderingen op de strikte toepassing van de omkering aan de orde.