Bescherming van beursvennootschappen door uitgifte van preferente aandelen
Einde inhoudsopgave
Bescherming van beursvennootschappen door uitgifte van preferente aandelen (VDHI nr. 147) 2018/5.3.3:5.3.3 Uitgifte van beschermingsprefs krachtens uitoefening optie door stichting continuïteit
Bescherming van beursvennootschappen door uitgifte van preferente aandelen (VDHI nr. 147) 2018/5.3.3
5.3.3 Uitgifte van beschermingsprefs krachtens uitoefening optie door stichting continuïteit
Documentgegevens:
mr. R.A.F. Timmermans, datum 01-10-2017
- Datum
01-10-2017
- Auteur
mr. R.A.F. Timmermans
- JCDI
JCDI:ADS343395:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover paragraaf 4.4.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Indien de optie rechtsgeldig is verleend, kan deze door de stichting worden uitgeoefend. Uit art. 2:96 lid 5 BW valt af te leiden dat de beschermingsprefs dan aan haar worden uitgegeven, maar dat art. 2:96 BW niet op die uitgifte van toepassing is. Deze bepaling moet aldus worden begrepen dat niet nogmaals een uitgiftebesluit genomen hoeft te worden. De rechtshandeling van uitgifte moet echter nog wel plaatsvinden. In paragraaf 4.4.3 schreef ik dat uitgifte een vormvrije meerzijdige rechtshandeling is waarbij de vennootschap en de nemer van de aandelen partij zijn. Daarbij wordt wel aangenomen dat de rechtshandeling van uitgifte twee elementen omvat, te weten een (plaatsings)overeenkomst tussen de vennootschap en de nemer van het aandeel en de feitelijke plaatsing van de aandelen.
Zoals in paragraaf 5.2.1 weergegeven, leidt de uitoefening van het optierecht ter zake van de koop en verkrijging van reeds uitgegeven aandelen door de optiegerechtigde ertoe dat een koopovereenkomst tussen de optieverlener en de optiege rechtigde tot stand komt. Het optierecht als zodanig is een wilsrecht, een persoonlijk recht en geen vorderingsrecht. Eerst na uitoefening van de optie ontstaat een vorderingsrecht van de optiegerechtigde jegens de optieverlener. In geval van uitoefening van een recht tot het nemen van nog niet uitgegeven aandelen, worden de stichting continuïteit en de vennootschap partij bij de overeenkomst van uitgifte (plaatsingsovereenkomst). Die overeenkomst geeft de stichting een vorderingsrecht tot uitgifte van de beschermingsprefs. Daartegenover staat een vorderingsrecht van de vennootschap jegens de stichting ter zake van de (vol)storting van de beschermingsprefs. Het recht dat met het optierecht in het leven geroepen kan worden is dan de vordering tot uitgifte van beschermingsprefs.
Beschouwt men het uitgiftebesluit als een rechtstreeks tot de wederpartij gerichte rechtshandeling van de vennootschap – een zogenaamd direct extern werkend besluit – dan is geen sprake van een rechtshandeling van uitgifte en dus ook niet van een plaatsingsovereenkomst en is er voor het bestuur geen taak weggelegd om de vennootschap bij de uitgifte te vertegenwoordigen.1 In deze opvatting kan het optierecht zelf als een vorderingsrecht worden beschouwd en leidt uitoefening van het optierecht terstond tot de uitgifte van de aandelen.