Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/5.7.8.4
5.7.8.4 De aanleiding van het EsF-arrest
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS396063:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hieromtrent ook Jacobs, Den Ouden & Verheij 2008, p. 157; A.J.C. de Moor-Van Vugt 2002, p. 8-11. Zie ook Kamerstukken II 2001/02, 26 642.
De Kruif & Den Ouden 2007, p. 244.
ABRvS 2 augustus 2006, AB 2007, 96, m.nt. T. Barkhuysen & W. den Ouden (provincie Zuid-Holland); JB 2006/269 (gemeente Rotterdam); LIN AY5519 (gemeente Rotterdam); LIN AY5520 (gemeente Rotterdam); LIN AY5521 (gemeente Rotterdam); LIN AY5502 (gemeente Tilburg); JB 2006/271 (gemeente Tilburg); LIN AY5504 (gemeente Almelo); LIN AY5507 (Sociaal Economische Samenwerking West-Brabant); LIN AY5509 (provincie Zuid-Holland); LIN AY5518 (gemeente Zoetermeer); LIN AY5522 (gemeente Amsterdam); LIN AY5523 (gemeente Amsterdam); LIN AY5524 (gemeente Amsterdam). Een drietal uitspraken in LJN AY5525 (Stichting Educatie Gehandicaptenzorg); AB 2006, 316, m.nt. W. den Ouden (Stichting Europese Educatie Nederland); AB 2006, 315, m.nt. W. den Ouden onder AB 2006, 316 (Stichting Technologie Centrum Limburg) betroffen de Europese subsidieregeling Communautair initiatief werkgelegenheid II. In deze zaken waren soortgelijke administratieverplichtingen van toepassing.
ABRvS 30 augustus 2006, AB 2007, 240, m.nt. M.J. Jacobs en W. den Ouden onder AB 2007, 241, JB 2006/303, m.nt. AJB (Sociaal Economische Samenwerking West-Brabant); ABRvS 30 augustus 2006, AB 2007, 241, m.nt. M.J. Jacobs en W. den Ouden (Cedris); ABRvS 30 augustus 2006, 200502951/1A, LJN (Gemeente Rotterdam).
ABRvS 30 augustus 2006, AB 2007, 240, m.nt. M.J. Jacobs en W. den Ouden onder AB 2007, 241, 113 2006/303, m.nt. AJB (De Sociaal Economische Samenwerking West-Brabant), r.o. 2.10.4.
ABRvS 30 augustus 2006, AB 2007, 241, m.nt. M.J. Jacobs en W. den Ouden (Cedris), r.o. 2.16.
ABRvS 30 augustus 2006, AB 2007, 241, m.nt. M.J. Jacobs en W. den Ouden (Cedris), r.o. 2.17.4.
ABRvS 30 augustus 2006, AB 2007, 240, m.nt. M.J. Jacobs en W. den Ouden onder AB 2007, 241, JB 2006/303, m.nt. AJB (De Sociaal Economische Samenwerking West-Brabant), r.o. 2.10.6. ABRvS 30 augustus 2006, AB 2007, 241, m.nt. M.J. Jacobs en W. den Ouden (Cedris), r.o. 2.17.5.
Zie hoofdstuk 4, paragraaf 42.10.4.
Aan het begin van deze eeuw werd Nederland geconfronteerd met terugvorderingen van EsF-subsidies door de Europese Commissie die in de programmaperiode 1994-1999 aan Nederland waren toegekend.1 Onderzoek van de Europese Commissie had namelijk uitgewezen dat veel Nederlandse ESFprojecten niet conform de regels waren uitgevoerd. Terwijl de Europese regels een goed gedocumenteerde administratie vereisten, bleken de Nederlandse administraties een rommeltje.2 Voorts waren ESF-gelden besteed aan projecten die daarvoor Europeesrechtelijk niet in aanmerking kwamen. Naar aanleiding van terugvorderingen door de Europese Commissie, probeerde het ministerie van szw in de periode 2000-2006 zoveel mogelijk ESF-subsidies terug te vorderen van de eindontvangers van deze subsidies. De opdracht van het ministerie van szw aan het Agentschap szw was om zoveel mogelijk geld terug te krijgen, zodat het tekort dat door de terugvordering van de Europese Commissie was ontstaan tot het minimum beperkt zou blijven. Dit resulteerde in een groot aantal geschillen, waarvan een behoorlijk aantal aan de Afdeling werd voorgelegd. Op 2 augustus 2006 heeft de Afdeling in zeventien uitspraken bepaald dat de lagere vaststelling en terugvordering van ESF-subsidies rechtmatig was.3 In een drietal uitspraken van 30 augustus 2006 kwam de Afdeling nationaalrechtelijk bezien tot een ander oordeel, waarvan er thans twee worden besproken.4
In de zaak De Sociaal Economische Samenwerking West-Brabant was een intrekking van de subsidievaststelling aan de orde op grond van artikel 4:49, aanhef en onder a, van de Awb. De Afdeling komt tot het oordeel dat het bevoegde nationale uitvoeringsorgaan de subsidie doelbewust heeft vastgesteld, zonder de aan de einddeclaratie ten grondslag liggende stukken te controleren. Pas na de subsidievaststelling zijn deze stukken gecontroleerd en daarbij geconstateerd dat de subsidieverplichtingen niet zijn nageleefd.5 Artikel 4:49, aanhef en onder a, van de Awb kan in deze situatie niet als intrekkingsgrond dienen; als het bevoegde nationale uitvoeringsorgaan de stukken had gecontroleerd voordat de subsidie werd vastgesteld was immers aan het licht gekomen dat de subsidieverplichtingen niet waren nageleefd. De Afdeling overweegt dan ook terecht dat niet kan worden staande gehouden dat het bevoegde nationale uitvoeringsorgaan voorafgaand aan de subsidievaststelling niet redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van de niet-naleving van de subsidieverplichtingen. De Afdeling overweegt verder dat ook geen sprake is van gevallen bedoeld in artikel 4:49, aanhef en onder b en c, van de Awb.
De zaak Cedris zag op de lagere vaststelling en terugvordering van EsF-subsidies voor scholing van werknemers van de Sociale Werkvoorziening. In deze uitspraak constateert de Afdeling dat het bevoegde nationale uitvoeringsorgaan weliswaar de subsidie op nihil heeft kunnen en moeten vaststellen,6 maar dat de gehele terugvordering van de onverschuldigd betaalde bedragen in strijd komt met het vertrouwensbeginsel.7 Op grond van de EsF-regels dienden de cursussen die aan de werknemers van de Sociale Werkvoorziening waren gegeven, te leiden tot uitstroom naar de reguliere arbeidsmarkt. Aan het einde van het project bleek deze uitstroom bij lange na niet te zijn gerealiseerd. De minister had van te voren ermee bekend kunnen zijn dat Cedris niet aan de doelstelling zou kunnen voldoen, nu werknemers van de Sociale Werkvoorziening grotendeels juist niet geschikt zijn om te functioneren op de reguliere arbeidsmarkt. Nu de minister dit niet had weersproken, oordeelde de Afdeling dat Cedris erop mocht vertrouwen dat het niet voldoen aan de 100% uitstroom niet aan haar zou worden tegengeworpen.
In alle drie de zaken komt de Afdeling tot de conclusie dat het nationale recht geen grondslag biedt om de besluiten tot subsidievaststelling in te trekken en in het geval van Cedris om de onverschuldigd betaalde subsidiebedragen terug te vorderen.8 Dit betekende dat aan de in artikel 23 van de Coördinatieverordening neergelegde verplichting van de lidstaat om de nodige maatregelen te treffen om door misbruik of nalatigheid verloren middelen terug te vorderen, nationaalrechtelijk gezien geen gevolg kon worden gegeven. De Afdeling besluit, indachtig deze Europeesrechtelijke verplichting tot terugvordering, prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. Deze vragen zijn onder te verdelen in twee hoofdvragen. De Afdeling stelt allereerst de vraag in hoeverre een nationaal bestuursorgaan aan een verplichting voor de lidstaat om de nodige maatregelen te nemen om door misbruik en/of nalatigheid verloren middelen terug te vorderen neergelegd in een Europese verordening, een bevoegdheid kan ontlenen om besluit tot subsidievaststelling in te trekken en onverschuldigd betaalde subsidiebedragen terug te vorderen. Als besproken in hoofdstuk 4 geeft het Hof van Justitie op deze vraag geen duidelijk antwoord; het Hof stelt de terugvorderingsverplichting van de lidstaat in het kader van de financiële belangen van de EU voorop.9 De tweede hoofdvraag luidt in hoeverre voormelde Europese verplichting kan worden beperkt door de nationale beginselen van rechtszekerheid en vertrouwen, zodat toepassing kan worden gegeven aan de sanctiebepalingen van de Awb waaraan deze beginselen ten grondslag liggen. Deze prejudiciële vragen hebben geleid tot het ESF-arrest.