Einde inhoudsopgave
De ex-werknemer (MSR nr. 83) 2023/2.4.3
2.4.3 De toepasselijke zorgvuldigheidsnorm
Vincent Gerlach, datum 10-11-2022
- Datum
10-11-2022
- Auteur
Vincent Gerlach
- JCDI
JCDI:ADS687133:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 9 december 1955, NJ 1956/157, m.nt. Rutten (Boogaard/Vesta).
HR 27 februari 1987, NJ 1987/584 (Erasmus College/Van der Peijl c.s.).
Voor een overzicht onder meer: A.R. Houweling en C.J. Loonstra, Het concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst, Den Haag: Bju 2011, p. 268-280.
Uitgebreid onder verwijzing naar Erasmus College/Van der Peijl: F.B.J. Grapperhaus, Werknemersconcurrentie, beperkingen aan concurrerende activiteiten van de ex-werknemer ten opzichte van zijn voormalig werkgever, Deventer: Kluwer 1995, p. 136-141.
S.D. Lindenberg, ‘Constitutionalisering van contractenrecht. Over de werking van fundamentele rechten in contractuele verhoudingen’, WPNR 2004/6602; zo ook C.A.M. van de Paverd, De opzegging van distributieovereenkomsten, Deventer: Kluwer 1999, p. 186.
HR 3 december 1999, JAR 2000/18 (Pratt & Whitney/Franssen c.s.).
J. Kist, Behoort de wet algemene regelen te bevatten omtrent de verhouding tussen de vorderingen uit onrechtmatige daad en die uit overeenkomst, en zo ja, welke?, Preadvies Nederlandse Juristen-Vereniging, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1960, p. 180; vergelijk ook L.D. Pels Rijcken, ‘Samenloop van contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid naar Nederlands recht’, Tijdschrift voor Privaatrecht 1980, p. 1111. Over de gevolgen van de samenloopproblematiek verder C.E. du Perron, Overeenkomst en derden: een analyse van de relativiteit van de contractswerking, Deventer: Kluwer 1999, p. 255-256; C.H.M. Jansen, Onrechtmatige daad: algemene bepalingen, Monografieën BW, Deventer: Kluwer 2009, p. 11-13.
HR 30 januari 2004, JAR 2004/68 (Parallel Entry/KLM c.s.).
M. de Vriend, Groene SerieVerbintenissenrecht, artikel 6:2 BW, aant. 1.4.
F.B.J. Grapperhaus, Werknemersconcurrentie, beperkingen aan concurrerende activiteiten van de ex-werknemer ten opzichte van zijn voormalig werkgever, Deventer: Kluwer 1995, p. 144-149. Ook: D.J.B. de Wolff, Goed werknemerschap, Deventer: Kluwer 2007, p. 159 (vanwege dit vereiste zou er volgens haar niet te snel een postcontractuele zorgvuldigheidsplicht mogen worden aangenomen); C.J.J.C. van Nispen, Groene Serie Onrechtmatige daad, IV.5.2.11.
F.B.J. Grapperhaus, Werknemersconcurrentie, beperkingen aan concurrerende activiteiten van de ex-werknemer ten opzichte van zijn voormalig werkgever, Deventer: Kluwer 1995, p. 141-142 en p. 144-145. Zie ook het latere F.B.J. Grapperhaus, ‘Laat het concurrentiebeding toch met rust!’, Ondernemingsrecht 2002, p. 120.
P. Abas, ‘Postcontractuele verplichtingen’ (I), WPNR 1972/5177, p. 268.
P. Abas, ‘Postcontractuele verplichtingen’ (I), WPNR 1972/5177, p. 266; P. Abas, ‘Postcontractuele verplichtingen’ (II), WPNR 1972/5178, p. 278 en p. 280; J. Kist, Behoort de wet algemene regelen te bevatten omtrent de verhouding tussen de vorderingen uit onrechtmatige daad en die uit overeenkomst, en zo ja, welke?, Preadvies Nederlandse Juristen-Vereniging, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1960, p. 179-180; A.L. Croes, ‘Enige opmerkingen over art. 1637x BW’, WPNR 1973/5215, p. 194.
F.B.J. Grapperhaus, Werknemersconcurrentie, beperkingen aan concurrerende activiteiten van de ex-werknemer ten opzichte van zijn voormalig werkgever, Deventer: Kluwer 1995, p. 131; A.F. Bungener, Het wijzigen van de arbeidsovereenkomst in vermogensrechtelijk perspectief, Deventer: Kluwer 2008, p. 89, en daardoor volgens Bungener geen algemene postcontractuele zorgplicht. Impliciet ook M.B. Vestering, ‘Onrechtmatige werknemersconcurrentie’, ArbeidsRecht 2010/10, waar hij stelt dat postcontractuele verplichtingen dienen te zijn overeengekomen. Vergelijk in dat kader ook Rb. Breda (pres.) 6 augustus 1993, Prg. 1993/3936 (Van Tilburg-Bastianen Revisie/De Jong c.s.): geen rechtsgrond om een voorlopige voorziening te treffen tot het naleven van een niet overeengekomen concurrentiebeding uit hoofde van de redelijkheid en billijkheid.
C.A.M. van de Paverd, De opzegging van distributieovereenkomsten, Deventer: Kluwer 1999, p. 185-186.
M.A.B. Chao-Duivis, ‘Postcontractuele schadevergoeding’, in: W.H. van Boom e.a. (red.), Tussen ‘alles’ en ‘niets’, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 1997, p. 78-79.
P. ’t Hart, Het concurrentiebeding, concurrentie door de werknemer en de ex-werknemer, Deventer: Kluwer 1977, p. 115, p. 130-131 en p. 171-175. ‘t Hart noemt daarom de arbeidsovereenkomst de ‘kraamkamer’ van de postcontractuele verplichtingen. Vergelijk ook C.E.F.M. Gielen, Bescherming van bedrijfsgeheimen, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1999, p. 36, die stelt dat postcontractueel het vertrouwen van de ex-werkgever kan worden geschonden door de ex-werknemer, welk vertrouwen ‘de bestaand hebbende relatie heeft beheerst’.
M.A.B. Chao-Duivis, ‘Postcontractuele schadevergoeding’, in: W.H. van Boom e.a. (red.), Tussen ‘alles’ en ‘niets’, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 1997, p. 80.
K. Wiersma, Behoort de wet algemene regelen te bevatten omtrent de verhouding tussen de vorderingen uit onrechtmatige daad en die uit overeenkomst, en zo ja, welke?, Preadvies Nederlandse Juristen-Vereniging, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1960, p. 251-252; C.A. Boukema, Civielrechtelijke samenloop, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1966, p. 126; H. Drion, ‘Winstgevende handelingen buiten het doel van de NV’, De Naamlooze Vennootschap 1957/4/5, p. 63; W.J. Slagter, Dient de wet ten aanzien van ongeoorloofde mededinging nadere bijzondere regelen te bevatten en zo ja, welke?, Preadvies Nederlandse Juristen-Vereniging, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1963, p. 159-160 en p. 163. Volgens F.G. Laagland, Losbladige arbeidsovereenkomst, aant. 9 en 9.3 bij artikel 7:611 BW, kan een ex-werkgever zich naast onrechtmatige daad ook beroepen op de postcontractuele werking van artikel 7:611 BW, dus zij bepleit samenloop. Vergelijk ook M.A.M.C. van den Berg, ‘Ben ik dan mijn broeders hoeder? Iets over de verplichting van partijen om met elkaars gerechtvaardigde belangen rekening te houden in de precontractuele, contractuele en postcontractuele fase’, in: A.M.J. van den Beggelaar e.a. (red.), 20 jaar rechtsontwikkeling, bundel ter gelegenheid van het vierde lustrum van Juvat, afgestudeerdenvereniging Tilburgse Faculteit der Rechtsgeleerdheid, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2008, p. 56-58. Deze auteur plaatst Boogaard/Vesta in de reeks arresten van de Hoge Raad over de beëindiging van duurovereenkomsten (o.a. HR 3 december 1999, NJ 2000/120 (Latour/De Bruijn)), waarin uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een schadevergoeding wordt afgeleid, hetgeen niet consistent lijkt. De verplichtingen op het moment van beëindiging van het contract lijken mij echter van een andere orde dan de verplichtingen na beëindiging.
M.A.B. Chao-Duivis, ‘Postcontractuele schadevergoeding’, in: W.H. van Boom e.a. (red.), Tussen ‘alles’ en ‘niets’, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 1997, p. 81.
HR 5 december 1997, JAR 1998/17, TVVS 1998/44, m.nt. F.B.J. Grapperhaus (Visser/TPTS), tegen welke overweging van de A-G laatstgenoemde annotator om hiervoor genoemde redenen ageert. De Hoge Raad komt door het cassatiemiddel niet toe aan een overweging hieromtrent. Meer auteurs spreken over het bestaan van een postcontractuele zorgvuldigheidsverplichting, zonder dat evident is dat zij daarmee Boogaard/Vesta beogen af te vallen: A.D. Blees, ‘Hoe vrij is de niet aan een concurrentiebeding gebonden (ex-)werknemer?’, ArbeidsRecht 1995/43; A.T.J.M. Jacobs en D.G.M. Mattijsen, ‘Het concurrentiebeding in het NBW (I)’, WPNR 1995/6177; A.J.C. van Bemmel, ‘Als je van mijn klanten maar afblijft’, Arbeid Integraal 2005/2; H. Dammingh en A. van der Linden, ‘Spreken is zilver; zwijgen een ton. De (ex-)werknemer in het onderzoek van de NMa’, ArbeidsRecht 2010/25; C. Prins, ‘# Twitter als rechtsobject’, NJB 2012/173. Vergelijk ook de conclusie van A-G Bakels bij HR 25 mei 1998, JOR 1998/88A, m.nt. M.M. van Rossum (J.A. Luycks Handelsmaatschappij c.s./Handelsonderneming Kroonenberg), die wijst op het ‘gegeven dat alle vermogensrechtelijke verhoudingen worden beheerst door redelijkheid en billijkheid dan wel maatschappelijke betamelijkheid, althans in elk geval precontractuele, contractuele en postcontractuele verhoudingen’.
Slechts ter illustratie, wel aldus: Hof Arnhem 17 juli 2007, JAR 2007/194 (Pomp c.s./Tyco Energy Valves); Rb. Utrecht 28 november 2008, ECLI:NL:RBUTR:2008:BG5823 (Whyte Chemicals c.s./ex-werknemers); Rb. Zwolle-Lelystad 17 februari 2011, ECLI:NL:RBZLY:2011:BP6614 (Henry Schein/ex-werknemers); Hof Amsterdam 29 november 2012, JAR 2013/66 (Vet c.s./FireSense Benelux); Rb. Rotterdam 23 januari 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:BZ1913 (ex-werkgever c.s./ex-werknemer); Rb. Utrecht 18 januari 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:308 (verzoeker/verweerder). Niet aldus: Hof Amsterdam 15 november 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BC1435 (MMF Transparant/ex-werknemers); Hof ’s-Hertogenbosch 6 december 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BU6989 (Equi Expo Group/ex-werknemers); Hof Den Haag 26 maart 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:890 (Hagé International/ex-werknemers). Dat voorbereiding tijdens dienstverband onrechtmatig kan zijn blijkt bijvoorbeeld ook uit HR 28 januari 1977, NJ 1977/301 (DS Boom Fine Food Manufacturers/Meij).
Vergelijk Rb. ’s-Gravenhage 18 januari 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BV1710 (Verkaart Groep/ex-werknemers), waar het ging om het exploiteren van een concurrerende onderneming tijdens en na einde dienstverband, waarbij de primaire vordering was gebaseerd op artikel 7:611 BW. Hof Amsterdam 15 november 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BC1435 (MMF Transparant/ex-werknemers) wijst een vordering op artikel 7:611 BW af, evenals Rb. Rotterdam 15 december 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:12694 (Schilders- en Straalbedrijf Schalekamp/ex-werknemer), zij het niet op principiële gronden. Hof ’s-Hertogenbosch 10 februari 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:445 (ex-werknemer/ex-werkgever) meent overigens dat Boogaard/Vesta niet geldt tijdens dienstverband. Zelfs F.B.J. Grapperhaus, Werknemersconcurrentie, beperkingen aan concurrerende activiteiten van de ex-werknemer ten opzichte van zijn voormalig werkgever, Deventer: Kluwer 1995, p. 182-183, een fervent voorstander van Boogaard/Vesta, wijst op strijd met artikel 7:611 BW. A-G Assink wijst in HR 22 april 2022, JAR 2022/125; JIN 2022/101, m.nt. R. de Vos en A. van der Vis (SmartDocuments Nederland c.s./DocMinded c.s.), onder 3.23, op zowel artikel 6:162 BW als artikel 7:611 BW als mogelijkheid, waarbij in beide gevallen bijkomende feiten en omstandigheden nodig zouden zijn om voorbereiding tijdens dienstverband in strijd met deze artikelen te maken.
HR 26 oktober 2012, JAR 2012/313, m.nt. I.J. de Laat (Quirijns/Theodoor Gilissen Bankiers); zo ook Kamerstukken II 2017/18, 34821, nr. 3, p. 3.
Aldus ook F.R.H. Hollander, ‘Werknemersconcurrentie, hoe zit het met de bedrijfsgeheimen?’, Arbeid Integraal 2008/2, p. 59.
Rb. Amsterdam 16 augustus 1995, JAR 1995/208 (Greenpeace Nederland/Kotte). Eerder meende Rb. Zutphen 25 februari 1954, NJ 1954/750 (Bakker/Verenigde Pharmaceutische Fabrieken) dat een plicht tot geheimhouding ook kan voortvloeien uit moraal of bestendig gebruik.
HR 28 maart 2008, JAR 2008/113 (Philips/Oostendorp); A.R. Houweling en C.J. Loonstra, Het concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst, Den Haag: Bju 2011, p. 45-47.
Bijvoorbeeld: Rb. Breda 16 september 1991, Prg. 1992/3617 (Van Oort/Van Straalen); Rb. Roermond 21 december 1995, JAR 1996/27 (Bolsius-Hoogeland/Smeets); Rb. Leeuwarden (pres.) 18 april 1997, KG 1997/235 (Schaap Dairies/Kuperus); Rb. Rotterdam 23 april 1998, JAR 1998/123 (Care Products/De Schepper c.s.); Hof Amsterdam 26 november 1998, JAR 1998/237 (Accountantskantoor De Man/Bes c.s.); Hof Arnhem 17 juli 2007, JAR 2007/194 (Pomp c.s./Tyco Energy Valves); Hof Amsterdam 29 november 2012, JAR 2013/66 (Vet c.s./FireSense Benelux); Rb. Midden-Nederland 4 december 2015, JAR 2016/32, JOR 2016/246, m.nt. P.R.W. Schaink (Travelmedia c.s./Lokhoff c.s.).
In dat kader plaats ik ook de constatering van J.P. Quist, ‘Goed werkgeverschap en goed werknemerschap’, in: A.R. Houweling, P.G. Vestering en W.A. Zondag (red.), Sdu Commentaar Arbeidsrecht Thematisch, Deel I, Den Haag: Sdu 2015, p. 396, dat artikel 7:611 BW postcontractueel vaak tot uitdrukking komt in artikel 6:162 BW. Idem Van Marrewijk en Lenstra in hun annotatie bij Rb. Oost-Brabant 26 november 2014, JAR 2015/7, m.nt. M.P. Vogel, JIN 2015/28, m.nt. I. van Marrewijk en R.X. Lenstra (ex-werknemer/Rabobank).
Als een ex-werknemer of ex-werkgever niet door postcontractuele bedingen in de (beëindigde) arbeidsovereenkomst gehouden is een zekere zorgvuldigheid in acht te nemen ten opzichte van zijn voormalige contractspartij, is interessant om te zien binnen welke grenzen de ex-werknemer of ex-werkgever toch een zekere zorgplicht heeft. Daar zijn verschillende visies op mogelijk. De heersende leer voor dit vraagstuk is nog steeds het Boogaard/Vesta-arrest uit 1955.1 Boogaard, een ex-werknemer van verzekeringsmaatschappij Vesta, trachtte na de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst met Vesta de door hem bij Vesta aangebrachte klanten te bewegen over te stappen. Het hof toetste de (on)rechtmatigheid van de handelswijze van Boogaard niet aan een contractuele verplichting, die voor hem uit de gewezen dienstbetrekking met Vesta zou voortvloeien, maar aan een verplichting buiten overeenkomst tot zorgvuldig handelen jegens Vesta. De Hoge Raad overwoog vervolgens ‘dat bedoelde contractuele verhouding heeft bestaan, alsmede het feit dat Boogaard op grond daarvan voor Vesta zeker blijvend werk heeft verricht en daarvoor is beloond, medewegen als een deel van de omstandigheden, waarnaar het hof voor het gegeven geval het bestaan voor Boogaard van een betamelijkheidsverplichting om zich in het maatschappelijk verkeer van de gewraakte handelingen tegenover Vesta te onthouden, heeft beoordeeld’. De klacht dat het hof rekening had gehouden met die vroegere dienstbetrekking bij de beoordeling of sprake was van een onrechtmatige daad (het toenmalige artikel 1401 BW), verwierp de Hoge Raad.
De Hoge Raad hanteerde dus expliciet de zorgvuldigheidsnorm van de onrechtmatige daad, waarbij belang toekomt aan het feit dat een arbeidsovereenkomst heeft bestaan. Dit standpunt bevestigde de Hoge Raad later in het Erasmus College/Van der Peijl-arrest2 en in de loop der jaren ontwikkelde zich een zeer uitgebreide feitenrechtspraak ten aanzien van het voor de praktijkjurist vaak onduidelijke kantelpunt waar handelen van ex-werknemers als onrechtmatig kan worden betiteld. Die grenzen houden tot op de dag van vandaag, kort gezegd, in dat de ex-werknemer niet stelselmatig en in substantiële mate het duurzame bedrijfsdebiet van zijn ex-werkgever mag afbreken, met gebruikmaking van kennis die hij bij de ex-werkgever verkreeg.3 Waar het mij hier om gaat, is dat de gehanteerde zorgvuldigheidsnorm – onrechtmatige daad – niet zonder kritiek is gebleven, aangezien ook de postcontractuele werking van artikel 7:611 BW of artikel 6:248 BW als toetsingskader zou kunnen dienen, afhankelijk van de vraag of je de arbeids- of vermogensrechtelijke visie aanhangt.
Wat de zorgvuldigheidsnorm na het einde van de arbeidsovereenkomst betreft, is er dus een principiële vraag of die zorgvuldigheid moet worden gebaseerd op een postcontractuele norm die volgt uit de overeenkomst (artikel 7:611 BW/artikel 6:248 BW) of op een norm buiten overeenkomst, aangezien de overeenkomst niet meer bestaat (artikel 6:162 BW). Dat vraagstuk is niet zonder praktisch belang, aangezien te betogen valt dat gedragingen van partijen ten opzichte van elkaar op grond van een norm die volgt uit een overeenkomst strenger dienen te worden getoetst dan op grond van een norm buiten overeenkomst.4 Met andere woorden, het al dan niet bestaan van een postcontractuele rechtsverhouding kan leiden tot een inhoudelijk andere afweging.5 Ook in het Pratt & Whitney-arrest bevestigde de Hoge Raad dat de enkele schending van een contractuele norm nog geen onrechtmatige daad oplevert. Met andere woorden: de postcontractuele redelijkheid en billijkheid lijkt iets anders dan de maatschappelijke betamelijkheid van artikel 6:162 BW.6 Het aanvaarden van een postcontractuele norm of een norm buiten overeenkomst is overigens geen principiële keuze in de zin dat het een het ander uitsluit. Zoals Kist constateerde is het gevolg daarvan eenvoudigweg het ontstaan van samenloop tussen wanprestatie en onrechtmatige daad.7 Of de norm uit overeenkomst wordt gebaseerd op artikel 7:611 BW of artikel 6:248 BW lijkt voor wat de zorgvuldigheid betreft van minder belang, aangezien artikel 7:611 BW nu eenmaal (slechts) de vastlegging voor het arbeidsrechtvormt van de algemene eisen van de redelijkheid en billijkheid van artikel 6:248 BW en artikel 6:2 BW.8Artikel 6:2 BW is van toepassing op alle rechtsverhoudingen van verbintenisrechtelijke aard en dus bijvoorbeeld ook op de verhouding schuldeiser-benadeelde en schuldenaar-dader ter zake van een verbintenis tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad.9
Grapperhaus toonde zich in zijn dissertatie een van de voornaamste voorstanders van de leer van de Hoge Raad in Boogaard/Vesta. Specifiek voor concurrentiebedingen noemde hij het schriftelijkheidsvereiste als obstakel voor de hypothese dat de postcontractuele redelijkheid en billijkheid aan concurrentie in de weg kan staan; een dergelijke verplichting kan ex artikel 7:653 BW alleen uit een geschrift voortvloeien.10 Meer in het algemeen meende hij dat de vroegere contractuele relatie niet in zichzelf een postcontractuele vertrouwensrelatie oplevert. De visie van de Hoge Raad dat moet worden getoetst aan een betamelijkheidsverplichting die niet op de overeenkomst zelf is terug te voeren, achtte hij juist gezien de systematiek van artikel 6:2 BW. Na einde contract staan werkgever en werknemer niet meer als contractuele schuldeiser tegenover elkaar. In andere woorden, het contract en de daarmee samenhangende verplichtingen zijn ‘uitgewerkt’11 of ‘uitgevoerd’.12 Eerder werd ook door andere voorstanders, met name Abas, naar voren gebracht dat de redelijkheid en billijkheid alleen werkzaam kunnen zijn in vertrouwensrelaties, welke relatie niet meer bestaat na het einde van de contractuele verhouding.13 Aan die relatie is immers bewust door beide of een der partijen een einde gemaakt; partijen zijn weer ‘at arm’s length’. Als de overeenkomst niet meer bestaat, kunnen de redelijkheid en billijkheid de overeenkomst ook niet meer aanvullen, en kan er dus geen postcontractuele verplichting op deze wijze tot stand komen. De overeenkomst zelf werkt niet na, alleen bedingen die dat expliciet beogen kunnen dat.14 Een andere visie betekent dat partijen er kennelijk niet in zijn geslaagd van elkaar af te komen, welk uitgangspunt zelfs onaanvaardbaar is genoemd in de literatuur.15 Aldus hebben de voorstanders een vrij strikte wilsvisie op de overeenkomst; partijen hebben bepaalde postcontractuele verplichtingen niet gewild, dus kunnen deze alleen worden gebaseerd op onrechtmatige daad.16
De tegenstanders van de Boogaard/Vesta-leer bepleiten dat de redelijkheid en billijkheid tijdens de duur van de overeenkomst zorgvuldigheidsverplichtingen scheppen voor de periode na het einde daarvan.17 Postcontractuele verplichtingen ontstaan tijdens de contractuele fase. Nakoming van dergelijke verplichtingen is echter pas aan de orde na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Het is onlogisch voor de postcontractuele fase een ander toetsingskader te gebruiken dan voor de contractuele fase. De beëindigde arbeidsovereenkomst heeft de mogelijkheid gecreëerd om schade toe te brengen aan de ex-werkgever; een willekeurige derde is niet in die positie. Bovendien lijken de aanhangers van een strikte wilsvisie uit het oog te verliezen dat ook tijdens de overeenkomst allerlei ongewilde verplichtingen kunnen ontstaan op grond van de redelijkheid en billijkheid; waarom is dat ineens problematisch als de overeenkomst is geëindigd?18 De kern van het bezwaar van de tegenstanders is daarmee dat de vraag of een contract postcontractuele verplichtingen met zich brengt, en zo ja, wat daarvan dan de omvang is, meer een vraag is van contractenrecht dan van onrechtmatige daad.19 Chao-Duivis noemde terecht de Boogaard/Vesta-leer in dit verband een ‘teveel aan intellectuele acrobatiek’.20 Ook A-G Strikwerda sprak in zijn conclusie voor het Visser/TPTS-arrest uit dat de ex-werknemer ‘postcontractuele zorgvuldigheidsverplichtingen jegens zijn ex-werkgever’ heeft, zij het onder verwijzing naar (mede) Boogaard/Vesta.21 Het hangt natuurlijk af van iemands definitie van ‘postcontractuele verplichting’: een verplichting na afloop van een contract of een contractuele verplichting die voortvloeit uit een al beëindigd contract. Hoe dan ook: ik kan mij vinden in de hiervoor genoemde kritiek. Een fraai voorbeeld waar het schuurt is de voorbereiding tijdens de arbeidsovereenkomst voor concurrentie ná het einde daarvan. Voorbereiding tijdens het dienstverband wordt (achteraf) in de rechtspraak wisselend als al dan niet onrechtmatig handelen gekwalificeerd,22 terwijl er op het moment dat de voorbereiding plaatsvond dus nog een contract tussen partijen bestond. Ligt het niet meer voor de hand dit soort voorbereidingshandelingen (onder omstandigheden) als in strijd met het goed werknemerschap te kwalificeren, waardoor hier sprake is van samenloop tussen wanprestatie en onrechtmatige daad?23 Ook wijs ik op de mogelijkheid van een veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht (artikel 7:682 BW en artikel 7:683 BW). Als een rechter dient te oordelen over het al dan niet met terugwerkende kracht herstellen, ligt het voor de hand om daarbij de door de ex-werknemer tot het moment van de veroordeling tot herstel betrachtte zorgvuldigheid ten opzichte van zijn ex-werkgever te betrekken. Maar met welke maatstaf dan, goed werknemerschap of onrechtmatige daad? Als je kiest voor onrechtmatige daad, waarna een veroordeling volgt tot herstel met terugwerkende kracht, gold achteraf gezien de maatstaf van goed werknemerschap. Die kluwen valt niet te ontwarren en pleit voor samenloop.
Een ander voorbeeld waar het schuurt is geheimhouding. Enerzijds besliste de Hoge Raad dat er ex artikel 7:611 BW een geheimhoudingsverplichting geldt (dus ongeacht de aanwezigheid van een geheimhoudingsbeding).24 Anderzijds betekent dit dat, bij afwezigheid van postcontractuele werking van artikel 7:611 BW (of artikel 6:248 BW), deze verplichting – behoudens onrechtmatige daad – plots vervalt bij einde dienstverband.25 Kan een werknemer zijn leaseauto bij einde dienstverband inleveren, met kennis zal dat lastig gaan. Met andere woorden, het lijkt logisch enigerlei mate van postcontractuele werking aan te nemen. In lijn daarmee oordeelde de rechtbank Amsterdam in de Greenpeace-zaak dat een werkgever ‘ook indien dat niet met zoveel woorden is overeengekomen van zijn (ex)werknemer’ mag verlangen dat deze vertrouwelijke informatie geheimhoudt.26
Zoals gezegd, valt specifiek voor concurrentieverplichtingen te betogen dat het schriftelijkheidsvereiste in de weg staat van het aannemen van een concurrentiebeperking uit hoofde van de postcontractuele redelijkheid en billijkheid. De ratio van het schriftelijkheidsvereiste is te vinden in (met name) de waarborgfunctie voor de werknemer, te weten dat hij zich bewust is van de precieze consequenties.27 Een ‘vage’ norm uit hoofde van redelijkheid en billijkheid verhoudt zich daarmee moeizaam. Dat neemt echter niet weg dat de eis dat een beding tussen werkgever en werknemer schriftelijk moet zijn, iets anders is dan wat ongeacht de afspraken tussen werkgever en werknemer al uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeit. Er zijn dan ook rechters die na constatering van onrechtmatigheid overgaan tot het opleggen van concurrentieverboden voor een bepaalde duur.28 Dit blijven wel uitzonderingen; de restrictieve wijze waarop artikel 6:162 BW in de praktijk door rechters wordt toegepast ten aanzien van concurrentie door ex-werknemers laat duidelijk ongelijkheidscompensatie als leidend principe zien.29