Einde inhoudsopgave
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/10.3.11
10.3.11 Toepassing van de "ontvangsttheorie" bij toepassing van alternatieve bevoegdheid
mr. M.R. Ruygvoorn, datum 09-06-2009
- Datum
09-06-2009
- Auteur
mr. M.R. Ruygvoorn
- JCDI
JCDI:ADS304209:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 21 september 2001, NJ 2002, 254 (Bus/Chemconserve).
Vgl. onder meer de kritische noot onder het arrest van Th.M. de Boer.
Vgl. in dit verband Franz 2002, p. 43 e.v. en Hillen-Muns 2001, p. 130 e.v.
Van Haersolte-van Hof noemt dit gegeven opmerkelijk; terwijl de Hoge Raad in zijn uitspraak met name ingaat op de feitelijke lokalisering, komt de advocaat-generaal hier niet aan toe, maar stelt een aantal meer fundamentele voorvragen aan de orde (Van Haersolte-van Hof 2002, p. 58).
Vgl. in dit verband Veenstra 2003, p. 141, waarin hij, onder verwijzing naar de noot van De Boer onder het arrest Bus/Chemconserve, stelt dat betoogd kan worden dat het eigenlijke verwijt niet zozeer is dat de onderhandelingen zijn afgebroken, maar dat de onderhandelingen niet zijn voortgezet.
Van Haersolte-van Hof 2002, p. 61. Vgl. verder Goud 2003, p. 17.
Hof Arnhem 15 augustus 2006, LIN: AY8731.
Vgl. ook: Hof 's-Hertogenbosch, 21 september 2006, NJF 2006, 575 en (daterend van vóór het hierna te bespreken arrest Tacconi v. HWS) Hof 's-Gravenhage, 27 april 1999, NIPR 2001, 39.
Een soortgelijke casus als hier beschreven vormde onderwerp van de uitspraak HR 21 september 2001 (Bus/Chemoconserve).1 In deze uitspraak heeft de Hoge Raad een aantal knopen doorgehakt, met dien verstande evenwel dat de uitspraak in de literatuur een nogal kritische ontvangst heeft gehad.2
Kern van de onderhavige zaak vormde de vraag of de Rb. 's-Gravenhage onder het EEX (de voorloper van het EEX-Vo) bevoegd was om kennis te nemen van een vordering tot schadevergoeding wegens afgebroken onderhandelingen, ingesteld door een in Nederland en een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschap tegen een in de Bondsrepubliek Duitsland gevestigde vennootschap.
De Nederlandse en Engelse vennootschap (respectievelijk Chemconserve B.V. en Reakt Ltd.) onderhandelden met Bus Berzelius Umwelt-Service AG over een door laatstgenoemde vennootschap te nemen belang in Metrex B.V., een dochter van Chemconserve en Reakt. Op enig moment heeft Bus (althans hebben Chemconserve en Reakt) de onderhandelingen over deze deelneming afgebroken, hetgeen geleid heeft tot het faillissement van Metrex B.V. Als gevolg van het faillissement van Metrex B.V. zouden Chemconserve en Reakt schade hebben geleden bestaande uit gederfde agio en dagvaardden zij Bus voor de Rb. 's-Gravenhage.
Vóór alle weren wierp Bus de exceptie van onbevoegdheid op. Zij voerde daartoe aan dat zij ingevolge art. 2 EEX voor de Duitse rechter had moeten worden opgeroepen en dat de Rb. 's-Gravenhage aan het bepaalde in art. 5 aanhef en sub 3 EEX geen bevoegdheid kon ontlenen omdat, indien er al sprake was van een onrechtmatige daad van Bus, deze had plaatsgevonden in Duitsland.
Chemconserve en Reakt voerden verweer tegen de door Bus opgeworpen exceptie, stellende dat de Rb. 's-Gravenhage bevoegdheid kon ontlenen aan art. 5 aanhef en onder 3 EEX, aangezien Rijswijk moest worden aangemerkt als de plaats waar de door eisers geleden schade was ingetreden.
Zowel de Rb. 's-Gravenhage als het Hof 's-Gravenhage kwamen tot het oordeel dat de rechtbank bevoegd was om van de onderhavige vordering kennis te nemen nu, naar het oordeel van het hof, als de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, Rijswijk te lokaliseren was, aangezien daar de brief van 24 mei 1991 is ontvangen waarbij namens Bus werd medegedeeld dat zij de litigieuze onderhandelingen tussen partijen beëindigde. Voorts waren naar het oordeel van het hof Chemconserve en Reakt te beschouwen als direct gelaedeerden, nu zij waren betrokken bij de stukgelopen onderhandelingen en ook direct partij waren bij de met Bus te sluiten participatieovereenkomst.
Eén van de cassatiemiddelen richtte zicht tegen de overweging van het hof dat de plaats waar de brief inhoudende beëindiging van de onderhandelingen is ontvangen, de plaats is waar de schadeveroorzakende gebeurtenis moet worden gelokaliseerd. In het middel is daartoe aangevoerd dat slechts de beëindiging van de onderhandelingen zelf, eventueel in samenhang met het opstellen van de desbetreffende brief; kon worden aangemerkt als de schadeveroorzakende gebeurtenis, als bedoeld in art. 5 sub 3 EEX, en niet de ontvangst van de brief door de wederpartij.
De Hoge Raad overwoog te dien aanzien in to. 3.5.2:
"Het oordeel verliest aldus uit het oog dat een louter intern besluit tot het beëindigen van onderhandelingen, ook al zou dit zijn neergelegd in een aan de wederpartij te zenden brief, nog niet kan worden aangemerkt als afbreken van de onderhandelingen waardoor schade wordt veroorzaakt. Daarvan kan eerst sprake zijn als het besluit effect sorteert doordat het ten uitvoer wordt gelegd en de wederpartij daarvan op de hoogte raakt. Dit betekent dat in een geval als het onderhavige het afbreken van de onderhandelingen pas effect heeft door de ontvangst van de brief waarin dit afbreken wordt medegedeeld. Hiermee strookt het aan te nemen dat de plaats waar die brief is ontvangen, moet worden aangemerkt als de plaats waar de onderhandelingen zijn afgebroken."
De Hoge Raad voegt daar nog aan toe dat hieraan niet afdoet dat in bepaalde gevallen de plaats van ontvangst van de mededeling dat de onderhandelingen zijn beëindigd, niet anders dan als willekeurig kan worden beschouwd.3 In een dergelijk geval zou, aldus de Hoge Raad, naar de omstandigheden moeten worden beoordeeld of de plaats waar het schadeveroorzakend handelen heeft plaatsgevonden in aanmerking kan komen. In het onderhavige geval doet een zodanige willekeur zich evenwel niet voor, nu het gaat om de plaats van vestiging van één van de bij de onderhandelingen betrokken partijen en de andere partij heeft bewerkstelligd dat zijn mededeling omtrent het afbreken van de onderhandelingen de wederpartij in diens vestigingsplaats heeft bereikt.
Daarmee sanctioneert de Hoge Raad het oordeel van het hof dat de Rb. 's-Gravenhage bevoegd was om op grond van het bepaalde in art. 5 sub 3 EEX van het onderhavige geschil kennis te nemen.
Interessant is het dat de Hoge Raad het advies van de A-G in diens conclusie onder het onderhavige arrest tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie in Luxemburg, niet volgt.4 De A-G heeft, m.i. terecht, de vraag opgeworpen of rechtbank en hof terecht eisers gevolgd hebben, daar waar eisers een onrechtmatige daad aan hun vordering jegens Bus ten grondslag hebben gelegd. Door de A-G is in dit verband aangevoerd dat het niet aankomt op de benaming die de eisers aan de grondslag van hun stellingen geven, maar dat beslissend zijn de stellingen van de eisers "sec". Ware dit anders, dan zouden eisers immers door middel van kwalificatie van de rechtsverhouding waaruit zij ageren, de gedaagde kunnen aftrekken van de volgens de wet bevoegde rechter. Bovendien, gelet op de doelstellingen en de algemene structuur van het EEX en de gelijkheid en eenvormigheid van de rechten en verplichtingen die voor de verdragsluitende staten en de belanghebbende personen uit het EEX voortvloeien, is het van belang, aldus de A-G, dat die begrippen niet worden gezien als een simpele verwijzing naar het interne recht van deze of gene der betrokken staten, maar is het noodzakelijk aan die begrippen een autonome inhoud te geven.
In dit verband stelt de A-G voor om de volgende prejudiciële vragen te stellen:
Is een verbintenis tot schadevergoeding wegens afgebroken onderhandelingen aan te merken als een "verbintenis uit overeenkomst" in de zin van art. 5 aanhef en onder sub 1 EEX? Zo ja, welke verbintenis moet dan worden beschouwd als "de verbintenis, die aan de eis ten grondslag ligt" en welke plaats heeft te gelden als de plaats "waar de verbintenis moet wordt uitgevoerd"?
Indien een verbintenis tot schadevergoeding wegens afgebroken onderhandelingen niet kan worden aangemerkt als een "verbintenis" uit overeenkomst in de zin van art. 5 aanhef en onder sub 1 EEX, is zij dan aan te merken als een "verbintenis uit onrechtmatige daad" in de zin van art. 5 aanhef en sub 3 EEX? Zo ja, welke plaats heeft dan te gelden als "de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan"?
De Hoge Raad heeft evenwel, zoals aangegeven, het oordeel van rechtbank en hof gesanctioneerd dat — kort weergegeven — eisers beoogd hebben een onrechtmatige daad aan hun vorderingen ten grondslag te leggen en dat de daaruit voortvloeiende verbintenis tot schadevergoeding wegens afgebroken onderhandelingen5 kennelijk kwalificeert als een verbintenis uit onrechtmatige daad als bedoeld in art. 5 aanhef en sub 3 EEX.
Van Haersolte-van Hof concludeert naar aanleiding van dit arrest dat prejudiciële vragen niet zouden hebben misstaan, in ieder geval ten aanzien van de (ambtshalve) kwalificatie en de verhouding met nationaal procesrecht en mogelijkerwijs in het verlengde daarvan, ten aanzien van de wijze waarop een vordering uit afgebroken onderhandelingen gelokaliseerd moet worden. Bovendien, zo stelt zij, zou deze uitspraak, ook zonder het stellen van prejudiciële vragen, aan overtuigingskracht en helderheid hebben gewonnen door, mede op voet van het middel, een meer systematische aanpak te volgen, waarbij het onderscheid tussen bevoegdheid gebaseerd op het Handlungsort en op het Erfolgsort in het oog werd gehouden.6
Op de hiervoor omschreven uitspraak in de zaak Bus/Chemconserve bouwt het arrest van het Hof Arnhem van 15 augustus 20067 voort. In deze zaak werd door een Nederlandse vennootschap, Equipement B.V., geprocedeerd tegen een Oostenrijkse wederpartij, handelend onder de naam Seda Umwelttechnik. Primair legde de Nederlandse vennootschap een toerekenbare tekortkoming aan haar vordering ten grondslag en subsidiair een vordering wegens afgebroken onderhande
#$
lingen. De primaire vordering werd afgewezen en derhalve diende de bevoegdheid van de Nederlandse rechter te worden gebaseerd op de subsidiaire grondslag. Het hof overwoog, voor zover relevant:
"Nu de vordering op deze subsidiaire grondslag een vordering is waarmede de precontractuele aansprakelijkheid van [appellant] is ingeroepen (zonder een beroep op de door [appellant] jegens [geïntimeerde] vrijwillig aangegane verbintenissen), moet die vordering — op voet van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 17 september 2002 (de hieronder te behandelen Tacconi-zaak, MR) worden aangemerkt als een vordering uit onrechtmatige daad in de zin van art. 5 sub 3 EEX-verordering. Voor zover de vordering — subsidiair — is gegrond op een door [geïntimeerde] gestelde onrechtmatige daad, kan [appellant] op grond van art. 5 aanheft en sub 3 EEX-Verordening tevens worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of kan voordoen. Het hof overweegt hierbij dat — zoals blijkt uit de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 19 september 1995 (C-364/93; NJ 1997, 52 (...)), 27 oktober 1998 (C51/97; NJ 2000, 156 (...)) en 10 juni 2004 (C-168/02; NJ 2006, 225(...)) — terughoudendheid moet worden betracht in de aanvaarding van de bevoegdheid op basis van de woonplaats van de eisende partij (de gelaedeerde) als de plaats waar de schade zich heeft voorgedaan of kan voordoen.
[Geïntimeerde] heeft — ter onderbouwing van haar subsidiaire grondslag — gesteld dat namens haar de heren [geïntimeerde] en [A] op 8 januari 2003 naar Oostenrijk zijn gereisd alwaar [appellant] liet weten niet meer bereid te zijn de door [geïntimeerde] gewenste overeenkomst te ondertekenen. Dit afbreken van onderhandelingen vond volgens de aan de subsidiaire vordering ten grondslag gelegde stellingen derhalve in Oostenrijk plaats. Overigens zijn geen feiten gesteld of gebleken die mede brengen dat het schadebrengende feit (het afbreken van de onderhandelingen) zich in het arrondissement Zwolle-Lelystad heeft voorgedaan. Derhalve is — nu ook overigens geen gronden voor bevoegdheid zijn gesteld of gebleken — de rechtbank evenmin bevoegd om kennis te nemen van de vordering van [geïntimeerde] op de subsidiaire grondslag."
De lagere rechtspraak lijkt de door de Hoge Raad in het arrest Bus/Chemconserve geformuleerde regel dus vrij strikt op te volgen hetgeen m.i. tot hoogst onwenselijke resultaten kan leiden8 Wat immers indien de mededeling houdende het afbreken van de onderhandelingen de directie van de Nederlandse vennootschap zou hebben bereikt tijdens de vakantie van de directie in Guatemala, waar het betreffende directielid toevallig zijn email leest en aldus van de mededeling kennis neemt? Zou de rechter in Guatemala dan alternatief bevoegd geacht moeten worden? Met de overweging van de Hoge Raad in het arrest Bus/Chemconserve dat, in verband met het door de Hoge Raad zelf geconstateerde risico van willekeur, naar de omstandigheden moet worden beoordeeld of de plaats van ontvangst van de mededeling dat de onderhandelingen zijn beëindigd, in aanmerking kan komen als plaats waar het schadeveroorzakende handelen heeft plaatsgevonden, komen we helaas niet veel verder. Een alternatief volgt hier immers niet uit.