Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/10.2.2
10.2.2 Inzet van audiovisuele techniek bij het verhoor
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
De videoconferentie is ingevoerd bij Wet tot Wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met het gebruik van de videoconferentie in het strafrecht (Stb. 2005, 388, i.w.tr. Stb. 2006, 609). Voor de inwerkingtreding was de inzet van een videoconferentie alleen mogelijk in het vooronderzoek ten aanzien van het horen van getuigen en deskundigen in het buitenland in het kader van een rechtshulpverzoek (art. 539a Sv).
Brief minister van Justitie, ‘Naar een elektronisch rechtsbestel’ van 11 november 2009, Kamerstukken II 2009/10, 29 279, nr. 96.
Ook in de Uitleveringswet (art. 60a), Overleveringswet (art. 66a), Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (art. 70) en Wet economische delicten (art. 32a) wordt de mogelijkheid gecreëerd voor het horen door middel van een videoconferentie. Wanneer in de desbetreffende wet de bevoegdheid tot horen is gegeven, wordt artikel 131a Sv daarop van overeenkomstige toepassing verklaard.
Besluit van 8 mei 2006, houdende algemene eisen ten aanzien van het horen van personen per videoconferentie, Stb. 2006, 610.
Kamerstukken II 2004/05, 29 828, nr. 3 (MvT), p. 7-8.
De Raad van State en de advocatuur hebben hier bij de invoering van de wettelijke regeling voor gepleit.
Dit zou tot vertraging in het strafproces leiden, hetgeen onwenselijk wordt geacht. De afwijzende beslissing zal in het dossier worden opgetekend. Indien nodig kan hierop bij de inhoudelijke behandeling van de zaak op de terechtzitting of in hoger beroep worden teruggekomen (Kamerstukken II 2004/05, 29 828, nr. 3 (MvT), p. 9).
Kamerstukken II 2004/05, 29 828, nr. 3 (MvT), p. 11.
Het horen van getuigen geschiedt in de regel in persoon, maar sinds 1 januari 2007 biedt het Wetboek van Strafvordering tevens de mogelijkheid om in Nederland gebruik te maken van een zogenaamde videoconferentie.1 Bij de videoconferentie (ook wel telehoren genoemd) gaat het om een simultane communicatiewijze, die bijvoorbeeld uitkomst kan bieden bij kwetsbare getuigen die niet in persoon willen worden geconfronteerd met de verdachte. Tot op heden is de videoconferentie vooral benut voor het horen van vreemdelingen in detentie en voor het verhoren van personen in het buitenland door de rechter-commissaris. De bedoeling is dat de videoconferentie op korte termijn ook breder in het strafrecht wordt ingezet. De wet biedt daartoe reeds de mogelijkheid, maar niet alle gerechten beschikken over de vereiste technische voorzieningen. Daar gaat komende jaren verandering in komen. Door het ministerie van Justitie is een programma ingericht dat richting geeft aan de ontwikkelingen omtrent de inzet van ICT in het rechtsbestel (het programma eRechtbestel). Het Project videoconferentie maakt daar deel van uit.2
Onder een videoconferentie verstaat de wet het horen van personen door middel van een tot stand gekomen directe beeld- en geluidsverbinding tussen de betrokken personen (art. 78a Sr). In artikel 131a Sv is bepaald dat waar in het Wetboek van Strafvordering de bevoegdheid wordt gegeven tot het horen, verhoren of ondervragen van personen, daaronder mede het horen, verhoren of ondervragen per videoconferentie wordt begrepen.3 In artikel 2 van het Besluit videoconferentie is aangegeven in welke gevallen geen gebruik van de videoconferentie mag worden gemaakt.4 De uitzonderingsgronden hebben voornamelijk betrekking op de persoon van de verdachte. Alleen het derde lid van dit artikel ziet mede op getuigen. Hierin is bepaald dat van de toepassing van een videoconferentie geen gebruik wordt gemaakt ‘indien de te horen persoon een zodanige auditieve of visuele handicap heeft waardoor redelijkerwijs kan worden verondersteld dat videoconferentie afbreuk doet aan zijn inbreng of positie in het strafproces, dan wel aan de rechten van andere procesdeelnemers’. Deze getuigen dienen in persoon te worden gehoord.
De wetgever heeft gekozen voor een algemene regeling die de videoconferentie mogelijk maakt, maar niet verplicht stelt. De (hulp)officier van justitie of de rechter kan zelf beoordelen of hij een videoconferentie wenselijk acht.5 Degene die belast is met het desbetreffende verhoor neemt de beslissing (art. 131a lid 2 Sv). Instemming van de betrokken partijen bij de toepassing van videoconferentie in het individuele geval is niet vereist.6 Wel is in het tweede lid vastgelegd dat voordat een beslissing wordt genomen over het toepassen van een videoconferentie de betrokken personen in de gelegenheid worden gesteld hierover hun visie te geven. Tegen de beslissing om van een videoverhoor gebruik te maken staat geen afzonderlijk rechtsmiddel open (art. 131a lid 3 Sv).7
De wet regelt niets over de wijze waarop een beeld- en geluidsverbinding tot stand dient te worden gebracht. De formulering in wet is dus techniekonafhankelijk, zodat wanneer in de toekomst nieuwe technieken beschikbaar komen deze ook onder het begrip videoconferentie vallen.8 Er zijn in het Besluit videoconferentie wel nadere eisen gesteld waaraan de techniek dient te voldoen, mede met het oog op de onschendbaarheid van de vastgelegde waarnemingen en de controle op de naleving van deze eisen (art. 131a lid 4 Sv). Zo bepaalt artikel 4 Besluit videoconferentie dat het systeem door middel waarvan de videoconferentie wordt toegepast zodanig dient te zijn ingericht dat 1) de betrokken personen een natuurgetrouwe weergave krijgen van hetgeen zich in de andere ruimte afspeelt, 2) overleg kan worden gevoerd zonder dat dit voor derden hoorbaar is, 3) stukken kunnen worden uitgewisseld, 4) het systeem is beveiligd tegen verlies of enige vorm van onrechtmatige verwerking en 5) het systeem aan de internationale standaarden voldoet indien de videoconferentie plaatsvindt met een persoon die zich buiten Nederland bevindt.