Einde inhoudsopgave
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/3.11.2
3.11.2 Art. 2:11 BW en de rechtspersoon als bestuurder van een vennoot
mr. C.E.J.M. Hanegraaf, datum 25-06-2017
- Datum
25-06-2017
- Auteur
mr. C.E.J.M. Hanegraaf
- JCDI
JCDI:ADS300058:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Om die reden dient de aangifte tot faillietverklaring van een v.o.f. tevens in te houden de naam en woonplaats van elke hoofdelijk voor het geheel verbonden vennoot. Zie art. 4 lid 3 Fw. In zijn arrest HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:251 (Bepro) komt de Hoge Raad overigens terug van de regel (laatstelijk verkondigd in HR 22 december 2009, NJ 2010, 15) dat het faillissement van een v.o.f. steeds en noodzakelijkerwijs het faillissement van de vennoten ten gevolge heeft zoals onder meer volgt uit HR 14 april 1927, NJ 1927, 725 (De Eendracht).
In het algemeen kan men dan ook zeggen dat een faillissement van een v.o.f. of een c.v. voor de beherende vennoten van die vennootschappen grotere risico’s meebrengt dan het faillissement van een bestuurde rechtspersoon voor de bestuurders van die rechtspersoon. Laatstgenoemden komen in dat geval namelijk niet (automatisch) in staat van faillissement te verkeren in het geschetste geval, terwijl het faillissement van een v.o.f. of een c.v. – tot voor kort althans – automatisch het faillissement van de beherende vennoten betekende.
MvA, p. 9. Vgl. Akkermans 1987, p. 32. Zie ook: Tuit 1982, p. 112.
Gerechtshof ’s-Gravenhage 12 november 2013, JOR 2014, 32 (Rosenberg Polak q.q./Van Ommen).
Vgl. Verboom 2014, par. 5.
Zie daarover Hoofdstuk 4.
Rechtbank Groningen 21 december 2011, RO 2012, 25 (Roudnice Real Estate).
Zie ook de Wenk bij deze uitspraak in RO 2012, 27.
Zo ook de Wenk bij deze uitspraak in RO 2012, 27.
Ingeval sprake is van een personenvennootschap betekent het vorenstaande niet dat de aansprakelijkheid “via” art. 2:11 BW geheel niet in beeld kan komen. Het komt regelmatig voor dat rechtspersonen met elkaar en/of met natuurlijke personen verbonden zijn in een personenvennootschap, zoals een vennootschap onder firma of een commanditaire vennootschap. Indien bijvoorbeeld een vennootschap onder firma in staat van faillissement komt te verkeren, gold – tot voor kort althans – vaak hetzelfde voor de rechtspersoon die beherend vennoot is van die vennootschap.1 /2 Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder van laatstgemelde rechtspersoon-vennoot in een dergelijke situatie aansprakelijk zijn op grond van art. 2:138/248 BW.3 De tweedegraads bestuurders kunnen in dat geval op grond van artt. 2:138/248 jo. 2:11 BW aansprakelijk zijn. In deze paragraaf geef ik twee voorbeelden van deze situatie.
Tussen C B.V. en D bestaat een vennootschap onder firma. C B.V. is beherend vennoot. B B.V. is eerstegraads bestuurder van C B.V. A is een natuurlijk persoon en tweedegraads bestuurder van C B.V.
In een dergelijk geval kan art. 2:11 BW in beeld komen. Daarvoor is het noodzakelijk dat de aansprakelijkheid van B B.V. te herleiden is tot bestuurdersaansprakelijkheid in relatie tot C B.V. In een dergelijk geval kan A via het bepaalde in art. 2:11 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn. Stel bijvoorbeeld dat de tussen C B.V. en D aangegane vennootschap onder firma in staat van faillissement komt te verkeren. In dat geval kan het zo zijn dat ook C B.V. in staat van faillissement komt te verkeren. Stel dat niet voldaan is aan de verplichtingen uit art. 3:15i BW, dan heeft het bestuur van C B.V. (te weten: B B.V.) zijn taak onbehoorlijk vervuld en wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement (vgl. art. 2:248 lid 2 1e en 2e volzin BW). Op grond van art. 2:248 lid 1 BW is B B.V. alsdan jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk voor het bedrag van de schulden van C B.V. voor zover deze niet door vereffening van de (overige) baten kunnen worden voldaan. A is via art. 2:11 BW eveneens hoofdelijk aansprakelijk.
In een casus voorgelegd aan het Gerechtshof ’s-Gravenhage was het volgende aan de orde.4 EA HRF IV B.V. was enig beherend vennoot van EA Holland Retail Fund IV C.V. EA HRF IV B.V. was een dochtervennootschap van Euro American Investors Group B.V. (“EAIG B.V.”), die tevens haar statutair bestuurder was. Van Ommen c.s. waren op enig moment (mede-)beleidsbepalers van EAIG B.V.
De commanditaire vennootschap kwam in staat van faillissement te verkeren. Volgens het Gerechtshof brengt het faillissement van een commanditaire vennootschap tevens het faillissement van de beherend vennoot mee indien die niet in staat is de schulden van de commanditaire vennootschap te voldoen (vgl. art. 18 WvK). De schuldeisers van de commanditaire vennootschap hadden derhalve tevens een vordering op EA HRF IV B.V. De curator stelde zich op het standpunt dat Van Ommen c.s. als (feitelijk) bestuurders van EA HRF IV B.V. ten onrechte ermee hadden ingestemd dat de verkoopopbrengst van een onroerende zaak uit het vermogen van de commanditaire vennootschap aan EAIG B.V. is betaald en dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement van de commanditaire vennootschap en derhalve ook van de beherend vennoot EA HRF IV B.V. was. De curator vorderde Van Ommen c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van het tekort in de boedel van EA HRF IV B.V. wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van art. 2:248 BW jo. art. 2:11 BW. Het Hof wees deze vordering af om thans niet ter zake doende redenen. Theoretisch gezien, had de zaak echter ook anders kunnen worden beslist. Weliswaar is art. 2:248 BW niet van toepassing op een personenvennootschap zoals een commanditaire vennootschap, maar haar beherend vennoot (EA HRF IV B.V.) is wel hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de commanditaire vennootschap voor zover die vennootschap haar schulden niet zelf kan voldoen (art. 18 WvK). De schuldeisers van de commanditaire vennootschap zijn derhalve eveneens schuldeiser van de B.V.-beherend vennoot.5 Op die B.V.-beherend vennoot kan art. 2:11 BW wel betrekking hebben. Eerstegraads rechtspersoon- bestuurder van EA HRF IV B.V. is namelijk wederom een besloten vennootschap (EAIG B.V.). In dat geval zouden Van Ommen c.s. als tweedegraads (mede-)beleidsbepalers overigens naar huidig recht niet “via” art. 2:11 BW aansprakelijk kunnen worden gehouden.6
In een aan de Rechtbank Groningen voorgelegde kwestie waren eisers commanditaire vennoten van Roundnice Real Estate C.V. Beherend vennoot daarvan was de rechtspersoon naar Duits recht Mei Middle Europe Investments GmbH. Gedaagde (een natuurlijk persoon) was bestuurder van deze beherend vennoot.7 Opmerkelijk in die zaak was dat de rechtbank de beherend vennoot behandelt vanuit het perspectief van de bestuurdersaansprakelijkheid. De rechtbank past de norm van art. 2:9 BW toe op het handelen van de beherend vennoot. Hoewel er uiteraard wel parallellen zijn, is de positie van de beherend vennoot echter niet gelijk aan die van een bestuurder (van een B.V.).8 Art. 2:9 BW spreekt over de behoorlijke taakvervulling van elke bestuurder tegenover de rechtspersoon. De rechtbank past tevens art. 2:11 BW toe op gedaagde. Dat is vreemd, aangezien gedaagde bestuurder is van Mei Middle Europe Investments
GmbH en laatstgenoemde vennootschap niet bestuurder, maar – zoals gezegd – beherend vennoot is van Roudnice Real Estate C.V. Art. 2:11 BW is mijns inziens dan ook niet van toepassing op gedaagde.9