Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VII.4.3.3
VII.4.3.3 De norm van art. 2:216 lid 3 BW
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242790:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2008/09, 31 058, 6, p. 10 (NV).
Kamerstukken II 2008/09, 31 058, 6, p. 10 (NV). Zie ook Kamerstukken II 2006/07, 31 058, 3, p. 32 (MvT). Voor een bespreking van de norm van art. 2:9 BW, verwijs ik naar § VII.3.2.2.
Voor een uitvoerige analyse van de uitkeringstest verwijs ik naar Canisius & Canisius, p. 179-201.
Zie Kamerstukken II 2006/07, 31 058, 3, p. 71-72 (MvT).
Ik laat deze discussie verder rusten. Voor een overzicht van de verschillende opvattingen verwijs ik naar Canisius & Canisius 2015, p. 196.
Zie Kamerstukken II 2006/07, 31 058, 3, p. 30 en 71 (MvT). Zie ook Kamerstukken II 2008/09, 31 058, 6, p. 10 (NV); en Kamerstukken I 2011/12, 31 058, C, p. 12 (MvA).
Zie Kamerstukken I 2011/12, 31 058, C, p. 13 (MvA).
Kamerstukken I 2011/12, 31 058, E, p. 11 (Nadere MvA).
Ik stip nog kort aan dat het ambtelijk voorontwerp van de Wet Flex-BV aanvankelijk voorzag in een omkering van de bewijslast. Het voorgestelde art. 2:216 lid 3 BW regelde dat de wetenschap bij de bestuurders werd vermoed aanwezig te zijn, indien de vennootschap binnen een jaar na de uitkering failliet ging. Deze bepaling stuitte op een storm van kritiek, zo leid ik af uit Kamerstukken II 2006/07, 31 058, 3, p. 33 (MvT). De wetgever nam de kritiek ter harte. De thans vigerende bepaling voorziet niet in een bewijsvermoeden. Zie ook Kamerstukken II 2006/07, 31 058, 3, p. 33 (MvT); en Kamerstukken I 2011/12, 31 058, C, p. 14 (MvA).
Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 33.1, p. 600-601; en Bier 2019, p. 38.
Overigens valt ook te bepleiten dat uitkeringen aan aandeelhouders van belang zijn voor de omvang van de financiering, hetgeen tot het financiële beleid kan worden gerekend. Zie in deze zin Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/140.
Voor de volledigheid wijs ik erop dat het college van Heren XVII, het besturende orgaan van de VOC, niet enkel een goedkeuringsbevoegdheid had. Het college was zélf bevoegd het uitkeringsbesluit te nemen.
Zie Kamerstukken I 2011/12, 31 058, C, p. 12 (MvA); en Kamerstukken I 2011/12, 31 058, E, p. 11 (Nadere MvA).
Zie Kamerstukken I 2011/12, 31 058, E, p. 11 (Nadere MvA).
Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 33.1, p. 600-601.
Evenzo Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 33.1, p. 600-601.
Kamerstukken II 2006/07, 31 058, 3, p. 30 (MvT).
Kamerstukken II 2006/07, 31 058, 3, p. 30-31 (MvT).
Zie § VII.6.
Zoals vermeld, merkte de minister op dat art. 2:216 lid 3 BW als een lex specialis van art. 2:9 BW moet worden beschouwd. Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel Wet Flex-BV kwam aan de orde of dit betekent dat voor de vaststelling van aansprakelijkheid ex art. 2:216 lid 3 BW ‘onbehoorlijk bestuur’ is vereist.1 De minister antwoordde instemmend. De norm van art. 2:9 BW geldt dus ook voor het vestigen van aansprakelijkheid op grond van art. 2:216 lid 3 BW.2
Art. 2:216 lid 3 BW bepaalt dat de bestuurders die wisten of behoorden te voorzien dat de vennootschap na een uitkering niet kan voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden, hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens de vennootschap voor het tekort dat door de uitkering is ontstaan. Voor het vestigen van aansprakelijkheid is met andere woorden een schending van de toets van art. 2:216 lid 2 BW vereist. Tegen deze achtergrond is het zaak te bezien wat de uitkeringstest van het tweede lid inhoudt.
Zonder uitgebreid op de finesses van art. 2:216 lid 2 BW in te gaan, komt de uitkeringstest op het volgende neer.3 Het tweede lid van art. 2:216 BW bepaalt dat het bestuur de uitkering weigert, indien het weet of redelijkerwijs behoort te voorzien dat de vennootschap na de uitkering niet zal kunnen blijven voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden. De wetsgeschiedenis leert dat het bestuur bij deze beoordeling in elk geval de liquiditeit, solvabiliteit en rentabiliteit in acht behoort te nemen.4 Over het antwoord op de vraag of het vennootschappelijk belang een rol speelt, zijn de meningen in de literatuur verdeeld.5
De beoordeling moet zich uitstrekken over een periode van ongeveer een jaar, zo blijkt wederom uit de toelichting.6 Dit betekent dat het bestuur niet alleen rekening moet houden met alle schulden die op het moment van het goedkeuren van de uitkering opeisbaar zijn. Het bestuur moet ook de schulden waarvan het ten tijde van het verlenen van de goedkeuring weet of redelijkerwijs behoort te voorzien dat deze binnen een periode van ongeveer een jaar opeisbaar zullen worden, in aanmerking nemen. Ik wijs erop dat de peildatum van de uitkeringstest in de praktijk eerder kan liggen dan het moment waarop het bestuur daadwerkelijk uitkeert. Voor de aansprakelijkheidsregeling van art. 2:216 lid 3 BW is enkel het moment van betaalbaarstelling bepalend.7 Voldoet de uitkering op dat moment niet aan de uitkeringstest, dan mag het bestuur de uitkering niet betaalbaar stellen. Doet het dat toch, dan ligt aansprakelijkheid ex art. 2:216 lid 3 BW op de loer.8
Een schending van de toets van art. 2:216 lid 2 BW is niet voldoende voor het vestigen van aansprakelijkheid. Daarvoor is op grond van het derde lid van art. 2:216 BW vereist dat de bestuurder ‘wist’ of ‘behoorde te weten’ dat die norm werd geschonden.9 Wanneer kan nu worden aangenomen dat de niet-uitvoerende bestuurder ‘wist’ of ‘behoorde te weten’ dat de vennootschap na de uitkering niet zou kunnen blijven voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden?
Assink en Bier zijn van mening dat de beoordeling van de toelaatbaarheid van de goedkeuring onder de algemene gang van zaken als bedoeld in art. 2:9 lid 2 BW valt.10 Volgens mij hebben zij het bij het rechte eind. Het goedkeuringsbesluit behelst immers een oordeel over de continuïteit van de vennootschap.11
De gedachte dat de beoordeling van de dividenduitkering vanwege zijn importantie onder de algemene gang van zaken valt, is niet nieuw. Zoals ik in § II.2.1 al schreef, kreeg het college van Heren IX, het toezichthoudende orgaan van de VOC, in 1623 de bevoegdheid om aanbevelingen te doen aan de Heren XVII met betrekking tot enkele ‘belangrijke besluiten’. Hieronder viel onder meer het besluit tot doen van dividenduitkeringen. Het besluit tot het uitkeren van dividend werd dus destijds al als ‘important’ beschouwd.12
De opvatting dat de beoordeling van de toelaatbaarheid van de goedkeuring onder de algemene gang van zaken valt, vindt steun in de wetgeschiedenis. Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel Wet Flex-BV herhaalde de minister meermalen dat een uitdrukkelijk goedkeurings- of afkeuringsbesluit van het bestuur niet is vereist. Voldoende is dat het bestuur de goedkeuring impliciet verleent, bijvoorbeeld door de betaalbaarstelling van het dividend.13 Dit gaat volgens de minister niet op indien het bestuur meerhoofdig is. In dat geval moeten alle bestuurders bij de goedkeuring betrokken worden.14
Wat betekent dit nu voor de niet-uitvoerende bestuurder? Omdat de beoordeling van de toelaatbaarheid van de goedkeuring tot de verantwoordelijkheid van iedere bestuurder behoort, staat de op grond van art. 2:216 lid 3 BW vereiste wetenschap van de individuele bestuurders over de financiële toestand van de vennootschap volgens Assink vast indien objectieve voorzienbaarheid kan worden aangenomen.15 Begrijp ik Assink goed, dan bedoelt hij hiermee te zeggen dat de vereiste wetenschap bij iedere bestuurder aanwezig is indien voor de ‘maatman-bestuurder’ voorzienbaar is dat de vennootschap na de uitkering in betalingsonmacht komt te verkeren. De reden is dat de beoordeling van de toelaatbaarheid van de goedkeuring tot de verantwoordelijkheid van iedere bestuurder behoort. Ik sluit mij bij Assink aan.
De beoordeling van de toelaatbaarheid van de goedkeuring behoort tot het takenpakket van iedere bestuurder. Dit brengt mee dat van iedere bestuurder verwacht mag worden dat hij in ieder geval de gevolgen van de uitkering kan overzien. Is voor de ‘maatman-bestuurder’ voorzienbaar dat de vennootschap na de uitkering niet kan blijven voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden, dan is in beginsel iedere bestuurder – dus ook iedere niet-uitvoerende bestuurder – hoofdelijk aansprakelijk jegens de vennootschap. In beginsel, want de bestuurders hebben de mogelijkheid zich van aansprakelijkheid te disculperen.16 Ik kom hier in § VII.4.3.4 op terug.
Ik merk nog op dat de minister in de toelichting bij het wetsvoorstel Wet Flex-BV aangaf dat de bestuurder die de boekhouding op orde heeft en op basis van de beschikbare informatie tot een redelijk en onderbouwd oordeel is gekomen over de geoorloofdheid van de uitkering, geen aansprakelijkheid heeft te vrezen.17 Volgens mij is dit eveneens het geval indien de betalingsonmacht het gevolg is van een externe omstandigheid die ten tijde van de uitkering niet voorzienbaar was. Anders dan de minister, meen ik niet dat bijvoorbeeld het wegvallen van een belangrijke klant in de sleutel van disculpatie behoort te worden geplaatst.18 Is de betalingsonmacht het gevolg van een externe omstandigheid, dan kan mijns inziens in het geheel geen aansprakelijkheid worden gevestigd. De disculpatiefase treedt met andere woorden niet in. Het resultaat van de opvatting van de minister en die van mij is overigens hetzelfde: de bestuurder is niet aansprakelijk.
Kan aansprakelijkheid ex art. 2:216 lid 3 BW worden gevestigd, dan is de niet-uitvoerende bestuurder hoofdelijk aansprakelijk voor het tekort dat door de uitkering is ontstaan. Is hem in verband met de uitkering decharge verleend, dan kan hij zich daar in de regel met succes op beroepen.19 In het andere geval helpt een beroep op de disculpatiegrond van art. 2:216 lid 3 BW hem mogelijk nog uit de brand.