Einde inhoudsopgave
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/6.4.3
6.4.3 Klachtbeding met verjaring als sanctie
H. Boom, datum 28-06-2024
- Datum
28-06-2024
- Auteur
H. Boom
- JCDI
JCDI:ADS973652:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Een contractuele verjaringstermijn is mogelijk: wettelijke verjaringstermijnen kunnen contractueel worden verkort, maar niet verlengd, zie Asser/Sieburgh 6-II 2021/422. Zie bijvoorbeeld: HR 15 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1664, NJ 2005/141, r.o. 3.5 (verjaringsbeding met termijn van één jaar na afwijzing claim); Hof ’s-Hertogenbosch 5 februari 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008:BC4957 (procedure na cassatie en verwijzing door de Hoge Raad in voornoemd arrest van 15 oktober 2004); HR 29 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7063, NJ 2011/503 (Hellman/TMF) (verjaringsbeding met termijn van 9 maanden).
HR 15 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1664, NJ 2005/141, r.o. 3.5.
Indien het voorliggende beding verjaring als sanctie stelt,1 is het volgende van belang. Tussen verjaring en verval bestaan twee relevante verschillen. Ten eerste kan een verjaringstermijn in beginsel worden gestuit, een vervaltermijn niet. Daarentegen is de sanctie van verjaring minder zwaar dan die van verval. Verjaring heeft teloorgang van de rechtsvordering tot gevolg. Een natuurlijke verbintenis blijft dus over, zodat betaling niet onverschuldigd zal zijn. Verval bewerkstelligt de ondergang van het vorderingsrecht als zodanig. In dat geval geschiedt betaling dus wél onverschuldigd.2
Voor wat betreft de uitleg van een verjaringsbeding is het niet nodig te onderscheiden tussen een beding type a (met precies geformuleerde termijn) en type b (met een vage termijn, bijvoorbeeld ‘zo spoedig mogelijk’). Een verjaringsbeding zal namelijk in de regel een specifieke termijn bevatten. Met het wezen van verjaring is niet goed te rijmen dat dit rechtsgevolg is gekoppeld aan een onbepaalde termijn. Mij zijn uit de rechtspraak ook geen voorbeelden van bedingen met een ‘vage’ verjaringstermijn bekend. Daarmee zal de uitleg van de lengte van de betreffende contractuele verjaringstermijn geen problemen opleveren: net zoals bij bedingtype Ib (een klachtbeding met rechtsverval als sanctie en een specifieke termijn) zou de tekst van het beding leidend moeten zijn.
Ten aanzien van de toepassing van dit soort bedingen en de rol van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid merk ik het volgende op. Voor klachtbedingen met verjaring als sanctie geldt, net zoals ik hiervoor heb betoogd bij bedingtype 1b, de gebruikelijke hoge drempel voor toepassing van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid. Die opvatting wordt bevestigd door een arrest van de Hoge Raad uit 2004. Hij vernietigt daarin het bestreden arrest, omdat het hof niet kenbaar heeft getoetst of de werking van het betreffende verjaringsbeding ‘onaanvaardbaar’ is. Onder andere is het hof niet ingegaan op de stelling dat de gemeente, een als ‘groot’ aangemerkte professionele partij jegens wie in algemene voorwaarden een verjaringsbeding is gehanteerd, die verjaring eenvoudig had kunnen stuiten, aldus de Hoge Raad.3 In dit kader ben ik van mening dat, net zoals bij bedingtype 1b (het klachtbeding met precieze termijn en rechtsverval als sanctie), de nadeelfactor niet als enige factor tot de gevolgtrekking kan leiden dat toepassing van het beding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan worden geoordeeld.