Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/6.3.4
6.3.4 Monopoliepositie van de schuldenaar
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950292:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 2.8. Zie ook § 3.8.
Vgl. HR 20 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4169, NJ 1981/640 (Veluwse Nutsbedrijven/Blokland q.q.), p. 2100 (“Het belang van een gelijke behandeling van de schuldeisers zal dus in zo’n geval op een andere wijze moeten worden beschermd, en wel door een uitzondering te aanvaarden op de hiervoor bedoelde hoofdregel voor het geval dat een failliet verklaarde afnemer van het nutsbedrijf door afsluiting ter zake van wanbetaling in de voormelde eerste levensbehoeften van hem en zijn gezin zou worden getroffen. In een dergelijk geval komt het nutsbedrijf de bevoegdheid tot afsluiting wegens een onbetaald gebleven schuld van voor de faillietverklaring niet toe.” (cursivering GJB)). Zie ook Rb. Zeeland-West-Brabant (vzr.) 18 januari 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:338, r.o. 4.3 (“is (…) de opschorting van de elektratoevoer door de camping in deze zaak een te zwaar middel. Voor het innen van een betalingsachterstand of het beëindigen van een onrechtmatige permanente bewoning staan juridische wegen open voor de camping. Het eigenmachtig afsluiten van de elektratoevoer is daarvoor niet gepast. Elektratoevoer is essentieel voor de bewoning van het gehuurde. De camping maakt de bewoning van het gehuurde onmogelijk voor [eiser] en zijn gezin, terwijl zij daarop zijn aangewezen.”) en Rb. Zeeland-West-Brabant (vzr.) 20 juli 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:6597, r.o. 3.11 (‘opschorting van de leveringsverplichting van gedaagde prematuur en gelet op de belangen van eisers een veel te zwaar middel’).
HR 28 juni 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC8969, NJ 1985/840 (Luyer/Gemeente Amsterdam), r.o. 3.3. Zie ook Rb. Amsterdam (pres.) 19 december 1985, ECLI:RBAMS:1985:AH0964, KG 1986/45 (Harhour/Gemeente Amsterdam) r.o. 10. Vgl. HR 20 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4169, NJ 1981/640 (Veluwse Nutsbedrijven/Blokland q.q.), p. 2100.
Concl. A-G Ten Kate 28 juni 1985, ECLI:NL:PHR:1985:AC8969, par. 26-27.
Voorlopig, omdat het een procedure in kort geding betrof.
Ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/3 beschouwt Luyer/Gemeente Amsterdam als een uitwerking van het destijds toekomstige art. 6:52 BW.
Zie § 3.7.5.
Zie § 6.2.
Al kan aan de tijdelijkheid van de opschorting van nutsvoorzieningen worden getwijfeld (zie § 2.5.2).
Zie bijv. Rb. Groningen (vzr.) 5 maart 2003, ECLI:NL:RBGRO:2003:AF5565, KG 2003/93, r.o. 3.8 en Rb. ’s-Hertogenbosch (vzr.) 11 februari 2003, ECLI:NL:RBSHE:2003:AF4337, KG 2003/60, r.o. 3.5 (“NRE maakt daarbij geen misbruik van haar monopoliepositie. Zij oefent een recht uit dat zij nu eenmaal heeft en gebruikt niet haar macht als monopolist. Ter zitting heeft zij zich ook bereid verklaard om tegen een substantiële betaling, door haar gesteld op de helft, de levering te hervatten (zulks onder voorbehoud van al haar rechten), en zij misbruikt dusdoende haar positie niet om reeds nu meer te willen ontvangen dan haar na grondiger onderzoek wellicht toekomt.”).
HR 16 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2741, NJ 1998/896 (Van der Hel q.q./Edon Twente), r.o. 3.6 (elektriciteit en stadsverwarming; zakelijk (vgl. r.o. 3.4)); HR 28 juni 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC8969, NJ 1985/840 (Luyer/Gemeente Amsterdam), r.o. 3.3 (gas en elektriciteit; particulier) en HR 20 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4169, NJ 1981/640 (Veluwse Nutsbedrijven/Blokland q.q.) (gas en water; zakelijk en particulier). Zie ook Rb. Zeeland-West-Brabant (vzr.) 20 juli 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:6597, r.o. 3.11, die oordeelde dat de opschorting van een (door)leverplicht van elektriciteit aan bewoners door een vakantiepark prematuur en een veel te zwaar middel is. In vergelijkbare zin Rb. Zeeland-West-Brabant (vzr.) 18 januari 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:338, r.o. 4.3.
Hof Leeuwarden 12 juli 2000, ECLI:NL:GHLEE:2000:AC2602, NJ 2001/102, r.o. 6 en 11. Het hof verwijst ook naar de enac. In de op art. 95b lid 8 en 11 Elektriciteitswet 1998 en art. 44 lid 8 Gaswet gebaseerde Regeling afsluitbeleid voor kleinverbruikers van elektriciteit en gas (Stcrt. 2011, 11579) zijn nadere voorwaarden voor de (tijdelijke) beëindiging van de levering van elektriciteit en gas aan kleinverbruikers en kwetsbare consumenten gesteld. Zie in verband met deze regeling Hof ’s-Hertogenbosch 6 juni 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:2536, r.o. 3.8.2.
Rb. Rotterdam 10 februari 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:1074, r.o. 3.4, en in vrijwel gelijke zin Rb. Rotterdam 31 juli 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:7033, r.o. 4.11 en Rb. Rotterdam 27 maart 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:2683, r.o. 5.7. In de op art. 9 Drinkwaterwet gebaseerde Regeling afsluitbeleid voor kleinverbruikers van drinkwater (Stcrt. 2012, 7964) zijn nadere voorwaarden voor de (tijdelijke) beëindiging van de levering van drinkwater aan kleinverbruikers en kwetsbare consumenten gesteld. Zie in verband met opschortingsrechten Rb. Den Haag 6 april 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:3043, r.o. 4.3 (“Zonder een dergelijke regeling zouden de drinkwaterbedrijven de levering van water kunnen opschorten zodra de kleinverbruiker in verzuim is met de betaling. De Afsluitregeling stelt nadere voorwaarden, om dergelijke opschortingen te voorkomen.”) en Rb. Rotterdam 10 februari 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:1074, r.o. 3.4 (“Daarbij geldt tevens dat een aansluiting op de waterleiding in het belang is van de volksgezondheid en dat een drinkwaterbedrijf daarom op grond van art. 9 lid 1 van de Drinkwaterwet gehouden is een beleid te voeren, gericht op het voorkomen van het afsluiten van een kleinverbruiker. Een ingrijpend middel als afsluiting van levering van drinkwater terwijl er sprake is van een relatief geringe betalingsachterstand als de onderhavige, past niet in een dergelijk beleid. Onder deze omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat de geringe tekortkoming van [gedaagde] de opschorting van de levering niet rechtvaardigt, zodat de daarop gerichte vorderingen (…) zullen worden afgewezen.”).
Rb. Gelderland (vzr.) 1 maart 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:1271, r.o. 4.6 en 5.1.
De belangen van de wederpartij kunnen door de uitoefening van het algemene opschortingsrecht ook onevenredig worden geschaad als de schuldenaar een monopolie of een daarmee vergelijkbare positie bezit ten aanzien van het goed of de dienst waarvan hij de levering opschort. Door de opschorting komt de wederpartij in een positie te verkeren waarin zij niet de beschikking heeft over het goed of de dienst, en evenmin in redelijkheid de mogelijkheid heeft dat elders te betrekken. Evenwel geldt ook voor deze omstandigheid dat deze niet zonder meer meebrengt dat de uitoefening van het opschortingsrecht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daar waar de wederpartij in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelt door nakoming te verlangen zonder harerzijds nakoming aan te bieden, heeft de schuldenaar een opschortingsrecht, in beginsel ongeacht de omstandigheid dat de wederpartij het goed of de dienst niet elders zou kunnen betrekken. Het opschortingsrecht verschaft de schuldenaar immers de bevoegdheid een verbintenis vooralsnog niet na te komen, omdat zijn wederpartij een verbintenis harerzijds niet nakomt. De nakoming hapert eerst bij de wederpartij en die is bij machte deze opschortingsbevoegdheid weg te nemen door harerzijds na te komen of zekerheid voor die nakoming te stellen.1 Toch kan dit onder omstandigheden anders zijn, bijvoorbeeld in het geval de schuldenaar de nakoming van een nutsvoorziening opschort. Bij de opschorting van deze voorziening kan ook de doelmatigheid van de uitoefening van het opschortingsrecht een rol spelen, met name in de particuliere sfeer.2 Over de opschorting van de levering van een nutsvoorziening is relatief veel rechtspraak verschenen, die min of meer begint in de jaren 80 van de vorige eeuw met het arrest Luyer/Gemeente Amsterdam.
De vraag die in het arrest Luyer/Gemeente Amsterdam centraal staat, is of het GEB in de gegeven omstandigheden bevoegd was om haar verbintenis tot energielevering aan het privéadres van Luyer (b2c) op te schorten in verband met haar vordering tot betaling van geleverde energie aan de vof Luyson (b2b), van welke vof Luyer vennoot was en voor welke vordering Luyer daarom hoofdelijk aansprakelijk was. Het cassatiemiddel keerde zich tegen het oordeel van het hof dat tussen deze verbintenissen over en weer voldoende samenhang bestaat:
“Tevergeefs evenwel. Bij overeenkomsten tot levering van energie is er in het algemeen voldoende samenhang tussen de vordering tot betaling van leveranties aan het bedrijfspand van een gebruiker voor bedrijfsmatig gebruik en de verplichting tot levering aan het prive-adres van deze gebruiker ter voldoening aan persoonlijke behoeften om aan te nemen dat opschorting van leveranties aan het prive-adres gerechtvaardigd is indien de leveranties aan het bedrijfspand niet worden betaald. Anders dan het middel voorts betoogt, noopte de omstandigheid dat de verplichting der gemeente energie betreft, die in de particuliere sfeer strekt ter voorziening in de eerste levensbehoeften, terwijl de gemeente ter zake een monopoliepositie inneemt, het hof niet tot een ander oordeel omtrent de opschortingsbevoegdheid van de gemeente in gevallen als het onderhavige. Die omstandigheid behoort wel gewicht in de schaal te leggen bij het beantwoorden van de vraag of uitoefening van die bevoegdheid door de gemeente in concreto naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aanvaardbaar is, maar die vraag is, gelijk hiervoor reeds aangestipt, in cassatie niet aan de orde.”3
Terecht heeft A-G Ten Kate voor dit arrest opgemerkt dat het processuele debat bij en de oordelen van de feitelijke instanties gestoeld waren op de uitleg van de toepasselijke algemene voorwaarden.4 De overwegingen van de Hoge Raad zijn daarom te begrijpen als een bekrachtiging van de voorlopige contractsuitleg door de rechtbank en het hof.5 Tegelijk bezigde de Hoge Raad een algemene formulering ten aanzien van het vereiste van samenhang, zonder uitdrukkelijk aandacht te besteden aan de grondslag van het uitgeoefende opschortingsrecht, waardoor de indruk bestaat dat deze overweging ook relevant is voor de beoordeling van de uitoefening van wettelijke opschortingsrechten in een geval als Luyer/Gemeente Amsterdam. De verdere formulering van de overweging, waarin het samenhangcriterium uit artikel 6:52 BW is te herkennen, versterkt die indruk. In deze interpretatie van het arrest anticipeerde de Hoge Raad op destijds toekomstige wetgeving.6 Daarom heeft dit arrest zijn relevantie behouden voor de uitoefening van het algemene opschortingsrecht en de beoordeling daarvan.
De monopoliepositie van de schuldenaar is, naar de Hoge Raad overwoog, niet van invloed op zijn opschortingsbevoegdheid. Dat is mijns inziens terecht. Het gaat bij de beoordeling van het samenhangcriterium om de vraag van welke vordering van de schuldenaar de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid nakoming behoort aan te bieden, gelijktijdig met de door haar gevorderde nakoming.7 In dit geval behoorde Luyer nakoming van de betaling van de leveringen aan het bedrijfspand aan te bieden, tegelijk met de nakoming van de leveringen aan zijn privéadres door de gemeente. Door wel nakoming aan zijn privéadres te verlangen en geen betaling voor de leveringen aan het bedrijfspand aan te bieden, handelde Luyer in strijd met de redelijkheid en billijkheid, hetgeen tot opschortingsbevoegdheid van de gemeente leidde. Daarop is de monopoliepositie van de gemeente niet van invloed. Die positie kan wel van invloed zijn op de vraag of de uitoefening van het opschortingsrecht door de gemeente naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Aldus volgt expliciet uit de overweging van de Hoge Raad dat de vraag of een schuldenaar een opschortingsbevoegdheid heeft, een tweeledige beoordeling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid behelst.8
Of de monopoliepositie van invloed is op de uitoefening van een opschortingsrecht wordt mede bepaald door de impact die het vooralsnog uitblijven van het goed of de dienst heeft op de wederpartij.9 De enkele omstandigheid dat die het goed of de dienst niet elders kan betrekken lijkt niet voldoende gewicht in de schaal te leggen voor het oordeel dat de uitoefening van het opschortingsrecht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.10
In het geval waarin het bijvoorbeeld gaat om de levering van elektra, gas of water, kan het voeren van een opschortingsverweer door het nutsbedrijf met een monopoliepositie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Daarbij is van belang dat de opschorting van de levering van nutsvoorzieningen de particuliere afnemer raakt in zijn eerste levensbehoeften en de zakelijke afnemer raakt in zijn bedrijfsbelang.11 De omstandigheden dat het bij de levering van gas en elektriciteit gaat om de eerste levensbehoeften van een particulier terwijl het nutsbedrijf een monopoliepositie inneemt, brengen volgens het Hof Leeuwarden mee dat het nutsbedrijf bij de uitoefening van het algemene opschortingsrecht ‘uiterste zorgvuldigheid en terughoudendheid moet betrachten’.12 Tot deze overweging komt ook de Rechtbank Rotterdam in geval van de opschorting van de levering van drinkwater.13
In een geval waarin een schuldenaar een met een monopolie gelijk te stellen positie bezat, legde de voorzieningenrechter aan de schuldenaar een opschortingsverbod op, maar verbond daaraan tevens de voorwaarde dat zijn wederpartij het in geschil zijnde factuurbedrag in depot zou storten en voorts de door de schuldenaar in rekening gebrachte facturen tijdig zal voldoen.14