Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.3.6
2.3.6 Artikel 7:184 BW: ‘onwaardigheid’ in het schenkingsrecht
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859087:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Titel 7.3 BW (schenking), p. 72. Zie over de eis van een onherroepelijke veroordeling nader par. 2.2.3 en 2.3.4. Hieruit wordt nogmaals duidelijk dat de wetgever bij art. 4:3 lid 1 sub a en b BW een strafrechtelijke veroordeling bedoelt. Zie daarover nader par. 2.2.3, 2.2.3.6 en 2.3.4.
Parl. Gesch. Titel 7.3 BW (schenking), p. 73. Vgl. ook Asser/Perrick 4 2021/293 en Kremer, in: GS Bijzondere overeenkomsten, art. 7:184 BW, aant. 1 (online, bijgewerkt tot en met 1 augustus 2023).
Zie hierover nader par. 2.2.3 en 2.3.4. Vgl. ook par. 1.6.1.1.
Parl. Gesch. Inv. Boek 4 2003, p. 1169. Zie ook par 2.3.1.
Parl. Gesch. Inv. Boek 4 2003, p. 1169.
Zie hierover ook par. 2.3.1.1.
Zie nader over het klachtvereiste par. 2.3.4.1.
Zie par. 2.2.3.5. Het Belgische recht komt aan de orde in H5.
Zie nader par. 2.3.4.
Artikel 7:184 lid 1 sub b BW bepaalt dat een schenking, ongeacht of zij reeds is uitgevoerd, vernietigbaar is indien de begiftigde opzettelijk een misdrijf jegens de schenker of diens naaste betrekking pleegt. Het tweede lid voegt daaraan toe dat onder een misdrijf mede wordt verstaan een poging tot, voorbereiding van en deelneming aan een misdrijf.
De vernietiging van schenkingen op deze grond kan gezien worden als de schenkingsrechtelijke onwaardigheid.1 Het betreft de pendant van artikel 4:3 lid 1 sub a en b BW. Dat neemt niet weg dat de regeling op onderdelen wezenlijk afwijkt. De verschillen tussen beide regelingen houden volgens de toenmalige minister van justitie vooral verband met de omstandigheid dat onwaardigheid in het erfrecht veelal pas aan de orde komt na het overlijden van de erflater, terwijl de vernietiging van schenkingen in de meeste gevallen toepassing zal kunnen vinden tijdens het leven van de schenker. Omdat bij onwaardigheid de erflater zelf vaak niet meer aanwezig is om zijn houding te bepalen naar aanleiding van het onbetamelijke gedrag dienen de onwaardigheidsgronden met grote nauwkeurigheid in de wet te worden omschreven, aldus de minister. Juist door het feit dat in het geval van een schenking de schenker zelf tegen de begiftigde kan optreden, kan worden volstaan met een enigszins globalere omschrijving van de vernietigingsgronden in vergelijking met de gronden van onwaardigheid.2
Een eerste verschil is dat de wet bij deze vernietigingsgrond – in tegenstelling tot onwaardigheid – geen strafrechtelijke veroordeling vordert. De reden hiervoor is dat van de schenker niet gevergd kan worden dat de schenking in stand moet blijven zolang geen strafrechtelijke veroordeling heeft plaatsgevonden.3 Verder is in de parlementaire geschiedenis opgemerkt dat de eis van een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling de schenker nodeloos belemmert in zijn mogelijkheden om op kwalijke gedragingen van de begiftigde op passende wijze te reageren.4 Bij onwaardigheid wordt omwille van de rechtszekerheid bij de gronden die verband houden met strafrechtelijk relevante gedragingen, dus artikel 4:3 lid 1 sub a en b BW, een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling vereist.5
De regeling is ook ruimer van opzet als het gaat om het onbetamelijke gedrag dat aanleiding geeft tot ingrijpen. Niet is vereist dat op het misdrijf een vrijheidsstraf is gesteld met een maximum van ten minste vier jaren, omdat ook bij minder ernstige misdrijven in beginsel niet van de schenker kan worden gevergd dat hij de schenking in stand moet houden. Een en ander behoudens de mogelijkheid voor de begiftigde om zich tegen de vernietiging te verweren met een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid.6
Het moet gaan om een opzettelijk gepleegd misdrijf, aldus artikel 7:184 lid 1 sub b BW. Uit de parlementaire geschiedenis bij de schenkingsregeling volgt dat niet noodzakelijk is dat opzet hierbij een delictsbestanddeel is.7 Het gaat erom dat de begiftigde zich opzettelijk schuldig maakt aan een misdrijf. Over het algemeen zal opzet wel deel uitmaken van de delictsomschrijving, nu een culpoos delict dat opzettelijk wordt begaan in veel gevallen ook een opzetdelict oplevert. Hierbij wordt nog opgemerkt dat in de hier voor het civiele recht afzonderlijk gestelde voorwaarde dat de begiftigde opzettelijk een misdrijf heeft gepleegd, besloten ligt dat aan de begiftigde van het misdrijf een verwijt kan worden gemaakt. Hiervan is geen sprake bij overmacht, noodweer of een andere strafuitsluitingsgrond uit de artikelen 39 tot en met 43 Sr.8 Bij artikel 4:3 lid 1 sub b BW wordt weliswaar dezelfde bewoording gebruikt, in die zin dat sprake moet zijn van een opzettelijk gepleegd misdrijf, de invulling daarvan is naar mijn mening niet hetzelfde als bij de schenkingsvariant. Of sprake is van een strafuitsluitingsgrond valt bij onwaardigheid namelijk niet weg onder de opzeteis, maar onder de voorwaarde dat sprake moet zijn van een veroordeling. Hiermee wordt een strafrechtelijke veroordeling bedoeld en daartoe komt de strafrechter niet als sprake is van een strafuitsluitingsgrond.9 Opzet dient bij de tweede onwaardigheidsgrond wel degelijk een delictsbestanddeel te zijn van het strafbare feit. Bij de voorbeelden van strafbare feiten die in de parlementaire geschiedenis genoemd worden bij deze onwaardigheidsgrond is hiervan ook sprake.10 Daar komt bij dat minister Sorgdrager nog opmerkt dat artikel 4:3 lid 1 sub b BW is geformuleerd als een van rechtswege werkende onwaardigheid indien een strafrechtelijke veroordeling wegens een van de bedoelde misdrijven heeft plaatsgevonden.11 Dat impliceert dat het moet gaan om opzetdelicten uit het strafrecht en dat een culpoos delict waarop een maximum van ten minste vier jaren vrijheidsstraf staat niet voldoende is. Als onwaardigheid van rechtswege intreedt bij de strafrechtelijke veroordeling dan moet het opzet door de strafrechter bewezen worden verklaard, omdat anders niet aan alle vereisten van artikel 4:3 lid 1 sub b BW wordt voldaan. Dat gebeurt enkel als opzet een delictsbestanddeel is.12 Kortom, bij artikel 4:3 lid 1 sub b BW geldt dat sprake moet zijn van een opzettelijk misdrijf in strafrechtelijke zin. Er is geen afwijkende of aanvullende civiele invulling beoogd bij onwaardigheid.
De vernietiging van een schenking is eveneens mogelijk als het misdrijf is gepleegd tegen een naaste betrekking van de schenker. Dit betreft geen vastomlijnd begrip. Uiteindelijk is het aan de rechter om de grenzen te bepalen.13 De parlementaire geschiedenis leert dat hieronder in ieder geval wordt verstaan de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van de schenker alsmede (andere) personen tot wie de schenker in een verhouding staat die te beschouwen valt als family life in de zin van artikel 8 EVRM. Daaronder vallen de gezinsleden van de schenker, maar ook naaste familieleden zoals ouders, kinderen, broers en zussen van de schenker.14 Betreft het slachtoffer een persoon in de omgeving van de schenker, maar kwalificeert hij niet als naaste betrekking dan valt niet uit te sluiten dat in uitzonderlijke omstandigheden vernietiging mogelijk is op grond van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid.15 Hoewel onwaardigheid beperkt is tot misdrijven die gepleegd zijn tegen de erflater, is ook hier niet uitgesloten dat in andere gevallen gecorrigeerd wordt echter dan op grond van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid. In paragraaf 2.7 wordt hier nader op ingegaan. Dit roept de vraag op of het aanbeveling verdient onwaardigheid tevens uit te breiden tot personen die een misdrijf als genoemd in artikel 4:3 lid 1 sub a of b BW plegen tegen een naaste betrekking van de erflater. Ik zou zover niet willen gaan. Onwaardigheid is een zware sanctie die van rechtswege intreedt. Dat rechtvaardigt de eis dat het misdrijf moet zijn gepleegd tegen de erflater. Bovendien geldt dat meerdere misdrijven die vallen onder artikel 4:3 lid 1 sub b BW klachtdelicten zijn. Daarmee kan de erflater invloed uitoefenen op het feit of onwaardigheid al dan niet intreedt. Wordt de kring van personen uitgebreid tot naaste betrekkingen dan verliest de erflater deze grip. Het is dan aan het slachtoffer, de naaste betrekking, om een keuze te maken over het indienen van een klacht.16
Bij de schenkingsregeling wordt de vaststelling dat een misdrijf is gepleegd in eerste instantie overgelaten aan partijen. Worden partijen het niet eens, dan kan de schenker een vordering tot vernietiging instellen en daarmee het oordeel van de rechter inroepen.17 Zoals hiervoor reeds opgemerkt, is een strafrechtelijke veroordeling dus niet vereist. De civiele rechter vormt zich dan een oordeel. Dat maakt dat de civiele rechter oordeelt over strafbare feiten en vast moet stellen of van een misdrijf sprake is. Voor onwaardigheid is als gevolg van de uitspraak de Roemeense erflater de suggestie gedaan artikel 4:3 BW te wijzigen waarbij Nederland zich kan laten inspireren door de Belgische wetgeving. Daar is het in bepaalde gevallen aan de civiele rechter om de schuld vast te stellen.18 Uit het voorgaande volgt dat het in Nederland dus vaker voorkomt dat de civiele rechter moet oordelen over strafbare feiten.19 Met een wijziging van artikel 4:3 BW in die richting wordt dus niet een geheel onbekende weg ingeslagen in het civiele recht.
Na het overlijden van de schenker kan de vernietiging van de schenking op grond van artikel 7:184 lid 1 sub b BW slechts plaatsvinden door een rechterlijke uitspraak waarbij als aanvullende voorwaarde geldt dat het feit dat grond tot vernietiging oplevert, de dood van de schenker moet hebben veroorzaakt (art. 7:185 lid 2 BW). Enkel indien het misdrijf tot de dood van de schenker leidt, hebben de erfgenamen de mogelijkheid om na het overlijden van de schenker tot vernietiging over te gaan. De reden daarvoor is gelegen in het feit dat de schenker de vernietiging niet meer zelf kan effectueren.20 Bij onwaardigheid wordt eveneens een ruimere benadering bepleit indien de erflater door het misdrijf is overleden. Voorgesteld is de bewezenverklaring van een misdrijf dat de dood van de erflater tot gevolg heeft, voldoende te achten om onwaardigheid te laten intreden. Bij een dergelijk ernstig feit kan de erflater zelf geen maatregelen meer treffen om de dader van zijn nalatenschap uit te sluiten.21 Een verschil in benadering tussen de situatie dat het slachtoffer wel of niet door het misdrijf is overleden, komt dus vaker voor.