Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.3.2:2.3.2 Tegen de erflater gepleegd
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.3.2
2.3.2 Tegen de erflater gepleegd
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859213:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Parl. Gesch. Inv. Boek 4 2003, p. 1169.
F. Schols, in: Handboek Erfrecht 2020, p. 258.
Parl. Gesch. Inv. Boek 4 2003, p. 1169.
Vgl. ook Rb. Den Haag 21 december 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:16699. In par. 2.3.2.2 komt deze uitspraak nader aan de orde.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het enkele feit dat op het misdrijf een maximum van ten minste vier jaren of meer vrijheidsstraf is gesteld, is niet voldoende. Artikel 4:3 lid 1 sub b BW vereist dat het misdrijf tegen de erflater moet zijn gepleegd. Meerdere delicten die wel aan de vierjaarseis voldoen, vallen daardoor af. Te denken valt aan deelneming aan een criminele of terroristische organisatie (art. 140 Sr resp. 140a Sr), werven voor een vreemde krijgsdienst (art. 205 Sr) of witwassen (art. 420bis Sr).
Verder zijn er tal van misdrijven waarbij het minder goed voorstelbaar is, althans waar de kans zeer klein is dat zij tegen de erflater zijn gericht. Hierbij kan gedacht worden aan misdrijven tegen de Koninklijke waardigheid (art. 108 e.v. Sr), misdrijven tegen hoofden van bevriende Staten en andere internationaal beschermde personen (art. 115 e.v. Sr) en misdrijven betreffende de uitoefening van staatsplichten en staatsrechten (art. 121 e.v. Sr).
Het vereiste dat het misdrijf tegen de erflater moet zijn gepleegd, brengt mee dat een veroordeling voor een willekeurige brandstichting, mishandeling, afpersing of diefstal niet voldoende is.1 De potentiële onwaardige moet brand hebben gesticht in het huis van de erflater, de erflater hebben mishandeld, de erflater hebben afgeperst of van de erflater hebben gestolen. Schols noemt ter illustratie het aan drugs verslaafde kind dat van de ouders steelt.2 Wetenschap bij de dader dat het misdrijf tegen de erflater is gepleegd, wordt niet vereist. In paragraaf 2.3.2.2 kom ik hier nader over te spreken.
De parlementaire geschiedenis noemt opzettelijke brandstichting als voorbeeld bij artikel 4:3 lid 1 sub b BW.3 Hieruit volgt dat het begrip tegen de erflater niet enkel betrekking heeft op de persoon van de erflater, maar ook op diens goederen.4 Samenloop van beide is daarbij mogelijk. Bij brandstichting kan sprake zijn van gevaar voor de erflater alsmede voor diens goederen.
2.3.2.1 Vaststellen dat misdrijf tegen de erflater is gericht2.3.2.2 Rechtspraak