Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.3.4:2.3.4 Onherroepelijke veroordeling
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.3.4
2.3.4 Onherroepelijke veroordeling
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859214:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Inv. Boek 4 2003, p. 1168-1169, 1172 en 1174-1175.
Rb. Maastricht 26 september 2012, ECLI:NL:RBMAA:2012:BX9399. Zie over deze uitspraak ook par. 2.7.3.
Zie ook par. 2.2.3.
Parl. Gesch. Inv. Boek 4 2003, p. 1168-1169, 1172 en 1174-1175. Zie par. 2.2.3 en de daar genoemde literatuurverwijzingen. Vgl. ook par. 2.2.3.6.
Zie par. 1.6.1.1 en 2.2.3.6.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Net als bij de eerste onwaardigheidsgrond vordert de wet hier een onherroepelijke veroordeling. Gelijk als bij artikel 4:3 lid 1 sub a BW doelt de wetgever met de term veroordeling op een strafrechtelijke veroordeling.1 Wanneer de rechter tot een veroordeling komt, is aan de orde gekomen in paragraaf 1.6.1.1 en paragraaf 2.2.3.
Met betrekking tot deze onwaardigheidsgrond is door de Rechtbank Maastricht in 2012 bevestigd dat een (strafrechtelijke) maatregel geen onherroepelijke veroordeling is als bedoeld in artikel 4:3 BW.2 In deze zaak brengt V hun dochter om in Duitsland. Het betreft volgens haar een wanhoopsdaad. V heeft gehandeld zonder schuld en wordt om die reden niet veroordeeld. Wel wordt haar de maatregel opgelegd van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis. Vertaald naar Nederlands recht wordt dan gezegd dat V is ontslagen van alle rechtsvervolging.
De rechtbank overweegt dat artikel 4:3 lid 1 sub b BW een opgelegde onherroepelijke straf (of maatregel) eist. Van een dergelijke veroordeling is volgens de rechtbank gelet op het Duitse strafvonnis geen sprake. De aan V opgelegde maatregel betreft geen onherroepelijke veroordeling in de zin van artikel 4:3 lid 1 sub b BW.
De rechtbank vervolgt dat niet zonder meer duidelijk is of de wetgever bij de totstandkoming van (thans) artikel 4:3 lid 1 sub b BW mede in ogenschouw heeft genomen de rechtsgevolgen van het oordeel dat het tenlastegelegde feit weliswaar is bewezen, alsook een strafbaar feit is, maar de verdachte niet strafbaar is nu dit feit is begaan wegens een ziekelijke stoornis van de geestvermogens waardoor het feit de verdachte niet kan worden toegerekend. Een dergelijke situatie doet zich hier voor.
Onder verwijzing naar het ‘Stenografisch verslag van een wetgevingsoverleg van de vaste commissie voor Justitie’ meent de rechtbank dat de ratio van artikel 4:3 lid 1 onder b BW is dat deze bepaling eng dient te worden uitgelegd. Uit dit verslag, met name pagina’s 20 en 21, moet worden afgeleid, dat deze bepaling niet van toepassing is indien niet aan de gestelde vereisten ervan is voldaan. Zelfs niet indien de toepassing van deze erfrechtelijke bepaling een maatschappelijk onwenselijke situatie met zich brengt, aldus de rechtbank.
De conclusie die volgens de rechtbank moet worden getrokken, is dat een dader die bij het begaan van een strafbaar feit, zoals het ombrengen van de erflater, zozeer lijdende was aan een ziekelijke storing van zijn geestvermogens dat hij niet strafbaar is verklaard, niet onwaardig kan worden geoordeeld. De rechtbank merkt op dat dit dus zelfs het geval is indien de dader door diens handelwijze een zeer zware inbreuk op het recht van leven van de erflater (art. 2 EVRM) heeft gemaakt. V is daarom niet onwaardig om van haar dochter te erven.
De overweging van de rechtbank dat artikel 4:3 lid 1 sub b BW een opgelegde straf of maatregel eist, is niet juist. Artikel 4:3 lid 1 sub b BW vordert een veroordeling. Dat kan ook een veroordeling zijn zonder oplegging van een straf of maatregel.3
Ook het oordeel van de rechtbank dat niet zonder meer duidelijk is of de wetgever bij de totstandkoming van artikel 4:3 lid 1 sub b BW mede in ogenschouw heeft genomen dat de dader wordt ontslagen van alle rechtsvervolging wegens een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, is niet correct. Uit de parlementaire geschiedenis volgt genoegzaam dat de wetgever met het begrip ‘veroordeling’ een strafrechtelijke invulling beoogt en niet een afwijkende civielrechtelijke uitleg.4 Bij ontslag van alle rechtsvervolging is van een veroordeling geen sprake. Bovendien is onder het oude recht in de rechtspraak reeds uitgemaakt dat ontslag van alle rechtsvervolging wegens een ziekelijke stoornis van de geestvermogens geen veroordeling inhoudt in de zin van artikel 885 OBW. Het is derhalve geen situatie geweest die de wetgever ten tijde van het wetgevingsproces onbekend was.5
Gelet op het voorgaande stellen Kremer en Reinhartz ten onrechte, en zonder verdere onderbouwing, dat een civiele uitspraak bij artikel 4:3 lid 1 sub b BW voldoende is.6
De rechtbank komt terecht tot de conclusie dat op grond van de wettekst van onwaardigheid geen sprake is. Er wordt niet voldaan aan de vereisten van artikel 4:3 lid 1 sub b BW. In paragraaf 2.2.3.6 is betoogd dat artikel 4:3 BW aanpassing behoeft in die zin dat een bewezenverklaring voor het opzettelijk ombrengen van de erflater voldoende dient te zijn voor onwaardigheid. Hetzelfde zou ik menen voor delicten die de dood tot gevolg hebben, maar waarbij het opzet niet gericht was op de dood. Te denken valt aan mishandeling de dood ten gevolg hebbend. Ook in die situatie kan de erflater zelf geen maatregelen meer treffen om ervoor te zorgen dat de dader niet van hem erft. Bij het uitblijven van een veroordeling blijft onwaardigheid mijns inziens ten onrechte buiten beeld. Wat mij betreft dient bij artikel 4:3 lid 1 sub b BW niet generiek te worden opgenomen dat een bewezenverklaring volstaat. Bij minder ernstige gedragingen speelt de niet-toerekenbaarheid mogelijk een grotere rol van betekenis voor de erflater. Het is voorstelbaar dat de erflater de dader dan wel wil toelaten tot zijn nalatenschap, omdat hem strafrechtelijk gezien geen verwijt kan worden gemaakt. Indien dit niet het geval is, kan de erflater – nu hij door de misdraging niet is overleden – zelf maatregelen treffen.
2.3.4.1 Bepaalde misdrijven zijn klachtdelicten2.3.4.2 Buitenlandse veroordeling2.3.4.3 Buitengerechtelijke afdoening2.3.4.4 Gratie, verjaring en herziening2.3.4.5 Eis van onherroepelijkheid2.3.4.6 Invloed jurisprudentie EHRM op eis onherroepelijke veroordeling