Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.10.3
5.10.3 De bevoegde rechter in het primair en voortgezet onderwijs
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949673:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Deze formulering is afkomstig uit de noot van J.H. van der Veen bij ARRvS 9 augustus 1982, AB 1982, nr. 538. Zie ook ABRvS 16 april 1999, ECLI:NL:RVS:1999:ZF3777.
ABRvS 23 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA1287 en Rechtbank Amsterdam 17 juli 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:3552.
Zie Parket bij de Hoge Raad 19 april 2019, ECLI:NL:PHR:2019:509, ro. 4.45 en Noorlander 2007, p. 42.
Artikel 48 Eindexamenbesluit VO.
Rechtbank Zutphen 15 augustus 2018, ECLI:NL:RBZUT:2008:BE2724.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18 juni 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:5125 en Rechtbank Den Haag 9 september 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:9429.
Zoals vastgesteld in § 5.7 zijn de vaststelling van de uitslag van het schooladvies in het primair onderwijs en het school- en centraal examen in het voortgezet onderwijs besluiten in de zin van de Awb. Tegen deze besluiten staat geen bijzondere voorprocedure of rechtsgang open voor de leerling. De student zou normaliter dan ook bezwaar in kunnen stellen en, indien het bezwaar (deels) ongegrond wordt verklaard, beroep in kunnen stellen bij de bestuursrechter. Bij een beslissing inzake het kennen of kunnen van een leerling is dit evenwel niet mogelijk. Uit artikel 8:4, derde lid, onder b, van de Awb vloeit immers voort dat geen beroep ingesteld kan worden tegen besluiten inzake het kennen en kunnen van de leerling. Doordat tegen deze besluiten geen beroep openstaat bij de bestuursrechter, staat op grond van artikel 7:1, eerste lid, van de Awb hiertegen ook geen bezwaar open.
Van een beslissing inzake het kennen of kunnen van een leerling is sprake als de beoordeling die aan het besluit ten grondslag ligt betrekking heeft op intellectuele en fysieke vaardigheden die door studie of oefening verkregen kunnen worden.1 Het besluit moet daarnaast betrekking hebben op een leerling die is “opgegaan voor een proef of een examen [cursivering komt voort uit de betreffende memorie van toelichting]”.2 Hieronder vallen in elk geval besluiten die een beoordeling van de leerling omvatten die is verkregen middels een toets, tentamen of examen.
Van een beslissing inzake het kennen en kunnen van een leerling is ten aanzien van examens in elk geval in drie gevallen geen sprake. 1) Een beslissing over fraude omtrent de examens is geen beslissing inzake het kennen en kunnen van een leerling. In een dergelijk geval wordt niet toegekomen aan de beoordeling van het kennen of kunnen van de leerling, maar wordt aan de hand van een feitelijk onderzoek beoordeeld of van fraude sprake is.3 2) Ook gebonden beslissingen zoals de vaststelling van de uitslag van het gehele eindexamen kunnen niet onder besluiten inzake het kennen of kunnen van een leerling worden geschaard.4 In dat geval dienen de directeur en examensecretaris aan de hand van de uitslag van het school- en centraal examen de uitslag van het eindexamen vast te stellen op basis van in het Eindexamenbesluit VO vastgestelde voorwaarden.5 Er is geen ruimte om op basis van een eigen afweging van de directeur en examensecretaris tot een eigen oordeel te komen.6 Deze beslissing omvat dan ook geen oordeel over het kennen of kunnen van de leerling. 3) Ten slotte wordt een beslissing genomen in administratief beroep over bijvoorbeeld de uitslag van een tentamen niet onder een beslissing inzake het kennen en kunnen geschaard. Tegen een in administratief beroep genomen beslissing over een beslissing inzake het kennen of kunnen van een leerling staat wel beroep open bij de bestuursrechter.
De vaststelling van de uitslag van het schooladvies en het school- en centraal examen zijn beoordelingsbeslissingen in de zin van artikel 8:4, derde lid, van de Awb. De betreffende leerling gaat middels het school- en centraal examen immers op voor een proef waarbij wordt vastgesteld of zijn intellectuele of fysieke kunnen aan de maat is.7 Het schooladvies rust niet direct op een bepaalde toets of op een bepaald examen, maar bestaat uit een weging door het bevoegd gezag van de leerresultaten en de (sociale en emotionele) ontwikkeling van de leerling. Die weging is ook een beslissing inzake het kennen of kunnen van de leerling. Aangezien het schooladvies en het school- en centraal examen beoordelingsbeslissingen zijn in de zin van artikel 8:4, derde lid, onder b, van de Awb, staat tegen deze besluiten geen bezwaar en beroep open bij de bestuursrechter.