Einde inhoudsopgave
De invloed van het EVRM op het ondernemingsrecht (IVOR nr. 91) 2012/7.4.7
7.4.7 Rechtsbescherming op Unie-niveau sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon
mr. A.J.P. Schild, datum 06-11-2012
- Datum
06-11-2012
- Auteur
mr. A.J.P. Schild
- JCDI
JCDI:ADS385213:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Uit de considerans van het besluit 2003/48/JBZ van de Raad van 19 december 2002, betreffende de toepassing van specifieke maatregelen op het gebied van politiële en justitiële samenwerking ter bestrijding van het terrorisme, overeenkomstig artikel 4 van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB: “Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB bevat bepaalde waarborgen om ervoor te zorgen dat personen, groepen of entiteiten pas op de lijst worden geplaatst als daar voldoende reden toe is. De Raad zal evenwel de nodige conclusies trekken uit een eventuele definitieve andersluidende uitspraak of uitvoerbare beschikking in kortgeding van een gerecht van de lidstaten.(8) Dit besluit eerbiedigt de fundamentele rechten en de beginselen die worden erkend bij artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Geen enkele bepaling van dit besluit mag zo worden uitgelegd dat inbreuk zou kunnen worden gemaakt op de wettelijke bescherming die personen, groepen of entiteiten die zijn vermeld in de bijlage bij Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB uit hoofde van de nationale wetgeving genieten, (…)”
Art. 263 VWEU bepaalt dat iedere natuurlijke of rechtspersoon (onder de in de eerste en tweede alinea vastgestelde voorwaarden) beroep kan instellen tegen handelingen die tot hem gericht zijn of die hem rechtstreeks en individueel raken, alsmede tegen regelgevingshandelingen die hem rechtstreeks raken en die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengen. Art. 275 VWEU bepaalt dat het Hof van Justitie in beginsel niet bevoegd is ten aanzien van de bepalingen van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid noch ten aanzien van de op grond daarvan vastgestelde besluiten. Een uitzondering wordt in dit artikel gemaakt om uitspraak te doen inzake beroepen die onder de in artikel 263, vierde alinea, van dit Verdrag bepaalde voorwaarden worden ingesteld betreffende het toezicht op de wettigheid van besluiten houdende beperkende maatregelen jegens natuurlijke personen of rechtspersonen, die door de Raad op grond van titel V, hoofdstuk 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie zijn vastgesteld.
Het Gerecht heeft in haar uitspraak van 12 december 2006, appl. nr. T-228/02, EHRC 2007, 30 m.nt. Lavranos (OMPI I) overwogen (in nrs. 142-145) dat de gemeenschapsrechter de juistheid en betrouwbaarheid van het bewijs dient vast te stellen en dient te beoordelen of het bewijs de plaatsing wel kan dragen. Daartoe dient de gemeenschapsrechter volledige inzage in het bewijs te krijgen. Een listing mag niet worden gebaseerd op bewijs dat niet aan de rechter is overgelegd. Daarnaast dient aan de betrokkene voldoende informatie te worden gegeven teneinde deze in staat te stellen om zich effectief te kunnen verweren.
HvJ EU 29 juni 2010, zaak C-550/09 (DHKP t. Commissie): “44. In dit verband moet worden beklemtoond dat de Unie een Unie is die wordt beheerst door het recht, in die zin dat de instellingen niet ontkomen aan het toezicht op de verenigbaarheid van hun handelingen met, inzonderheid, het VWEU en de algemene rechtsbeginselen. Dat verdrag heeft een volledig stelsel van rechtsmiddelen en procedures in het leven geroepen, waarbij het toezicht op de rechtmatigheid van de handelingen van de instellingen van de Unie aan het Hof is opgedragen (zie in die zin arrest van 25 juli 2002, Unión de Pequeños Agricultores/Raad, C-50/00 P, Jurispr. blz. I-6677, punten 38 en 40, en arrest Kadi en Al Barakaat International Foundation/ Raad en Commissie, reeds aangehaald, punt 281). 45. Hieruit volgt dat elke partij, in de context van een nationale procedure, het recht heeft om voor de aangezochte rechter de ongeldigheid aan te voeren van bepalingen die zijn neergelegd in handelingen van de Unie die de grondslag vormen voor een nationaal besluit of een nationale handeling jegens die partij, en die rechter, die niet bevoegd is om deze ongeldigheid zelf vast te stellen, ertoe te brengen daarover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof (zie in die zin arrest van 15 februari 2001, Nachi Europe, C-239/99, Jurispr. blz. I-1197, punt 35, en arrest Unión de Pequeños Agricultores/Raad, reeds aangehaald, punt 40).” In deze zaak oordeelde het Hof van Justitie dat de plaatsing van de DHKP-C op de lijst bedoeld in artikel 2, lid 3, van verordening nr. 2580/ 2001 was geschied op een wijze die de rechtswaarborgen van de DHKP-C had geschonden, bijgevolg de plaatsing ongeldig was en niet kon bijdragen aan de grondslag voor een strafrechtelijke veroordeling van enige leden van de DHKP-C die vanwege hun lidmaatschap van deze organisatie strafrechtelijk in Duitsland werden vervolgd.
Op grond van art. 340 VWEU moet de Unie overeenkomstig de algemene beginselen welke de rechtsstelsels der lidstaten gemeen hebben, de schade vergoeden die door haar instellingen of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies is veroorzaakt. Op grond van art. 268 VWEU behoren geschillen over de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie tot de exclusieve competentie van het Hof van Justitie. Zie HvJ EU 29 juli 2010, zaak C-377/09, NJ 2010, 607 m.nt. Mok (Hanssens-Ensch).
Zie over deze lacune uitvoerig A-G Sharpston in haar conclusie van 14 juli 2011, in de zaak C-27/09 P (Frankrijk t. PMOI), nrs. 177-182.
Wat zijn de rechtsbeschermingsmogelijkheden op Europees niveau? Deze vraag wordt relevant wanneer tevergeefs op nationaal niveau is opgekomen tegen een aanwijzingsbesluit op grond van de Sanctieregeling terrorisme 2007-II en wanneer een listing op Unie-niveau volgt. Ook kan sprake zijn van een listing op Unie-niveau doordat een andere lidstaat de (rechts)persoon heeft voorgedragen voor plaatsing op de lijst. Anders dan bij een VN-listing geldt bij een Unie-listing dat de betrokkene reeds gebruik heeft kunnen maken van rechtsbescherming op nationaal niveau, zodat de rechtsbescherming op Europees niveau meer aanvullend van karakter is.
Uitgangspunt bij een Unie-listing is dat daarbij geen grondrechten van de betrokkenen mogen worden geschonden.1 Zowel bij plaatsing op de endogene-lijst als plaatsing op de exogene-lijst kan een belanghebbende het Hof van Justitie vragen de rechtmatigheid van de listing te toetsen, binnen de daarvoor geldende termijnen.2 Het Hof van Justitie zal vervolgens controleren of de procedure correct is gevolgd en de listing voldoet aan de in art. 296 VWEU voorgeschreven motiveringsplicht.3 Dat geldt ook wanneer de listing een grondslag heeft in maatregelen die zijn getroffen op nationaal niveau.4 Daarnaast is het Hof van Justitie bevoegd kennis te nemen van een vordering voor schadevergoeding jegens de Unie vanwege een onrechtmatige listing.5
Een probleem is dat op Unie-niveau nog geen regeling bestaat op grond waarvan het Gerecht en het Hof van Justitie vertrouwelijk bewijsmateriaal in camera kunnen inzien. Het is onder het huidige Reglement voor de procesvoering niet mogelijk dat bewijsmateriaal door één partij kan worden overlegd, zonder dat het ook wordt overgelegd aan de andere partij. A-G Sharpston pleit in haar conclusie voor de zaak Frankrijk t. OMPI voor een wijziging van het reglement op dit punt.6 De hiervoor geciteerde jurisprudentie van het EHRM – die ook tot uitgangspunt dient bij de uitleg van grondrechten uit het EU-Handvest – lijkt ook tot aanpassing van het Reglement te dwingen, wil op Unie-niveau adequate rechtsbescherming kunnen worden geboden.