Einde inhoudsopgave
Grensoverschrijdende fusies van kapitaalvennootschappen naar Nederlands recht (VDHI nr. 109) 2011/6.4.2.3
6.4.2.3 De visie van de Minister
mr. H.J.M.M. van Boxel, datum 11-05-2011
- Datum
11-05-2011
- Auteur
mr. H.J.M.M. van Boxel
- JCDI
JCDI:ADS430729:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
V, TK, 2006-2007, 30 929, nr. 6, p. 8.
MvA, EK, 2007-2008, 30 929, C, p. 10-11.
NMvA, EK, 2007-2008, 30 929, E, p. 10: 'Met de leden van de fractie van de PvdA ben ik het eens dat het eenvoudiger ware geweest de tekst van artikel 16 rechtstreeks in de voorgestelde wet op te nemen. Een aantal lidstaten heeft dat gedaan; de leden van de fractie van de PvdA geven daarvan voorbeelden. Dat is ook, zo moet ik de leden van de fractie van de PvdA antwoorden, waarom er aarzeling bestaat de materie aan de Europese Commissie voor te leggen; op ambtelijk niveau pleegt men slechts daar waar de terminologie letterlijk is gevolgd aan te (kunnen) geven dat een en ander naar het oordeel van de Commissieambtenaren juist is uitgevoerd. De voorspelbaarheid en herkenbaarheid van het resultaat — een medezeggenschapregeling die in Nederland goed is ingebed en waar belanghebbenden en, zo nodig, de rechter mee kunnen omgaan — draagt naar ik verwacht ook bij aan het vergroten van de aantrekkingskracht van Nederland als land van vestiging voor de uit de fusie ontstane vennootschap. Voorgesteld wordt om op basis van deze, in het licht van de onderhandelingen en de bescherming van het Nederlandse medezeggenschapsstelsel goed verdedigbare, uitleg ervaring op te doen met de regeling. Mocht een en ander aanleiding zijn voor praktijkproblemen, dan kan de keuze worden heroverwogen.'
Een aantal van de voornoemde argumenten tegen de tekst van artikel 333k etaleren mogelijke oneffenheden in de wettelijke regeling waarvoor ook door de leden van de PvdA-fractie in de Tweede Kamer aandacht is gevraagd.1 Het betreft de mogelijkheid de medezeggenschapsrechten met gebruikmaking van artikel 158/ 268 lid 12 te elimineren en de derde uitzondering op de hoofdregel die artikel 16 Richtlijn GOF geeft.
De Minister geeft op beide punten een gemeenschappelijk antwoord:
`De leden van de fractie van de PvdA meenden dat ten onrechte geen rekening zou zijn gehouden met het geval bedoeld in artikel 16 lid 2 van de richtlijn. Daarbij gaven deze leden aan dat de structuurregeling naar hun overtuiging niet kan worden beschouwd als een regeling die qua niveau van medezeggenschap altijd hoger ligt dan het niveau van andere lidstaten omdat de structuurregeling de optie geeft om op het wettelijk stelsel te variëren, en dat de strekking van artikel 16 lid 2 mede zou zijn dat de werknemers van de verkrijgende vennootschap die werken in vestigingen in andere lidstaten kunnen deelnemen aan medezeggenschap.
Met artikel 16 richtlijn is beoogd onevenredig verlies van medezeggenschap bij fusie te voorkomen. Daarbij heeft men vooral de situatie voor ogen gehad dat bewust zou worden gekozen voor vestiging in een land dat geen vennootschappelijke medezeggenschap kent. Dat wil niet zeggen dat als gevolg van een juridische fusie de rechten van werknemers niet kunnen wijzigen. Dat kan wel, allereerst omdat partijen in een aantal gevallen waarbij vennootschapsrechtelijke medezeggenschap voorhanden is, zullen onderhandelen over de waag of en zo ja hoe de medezeggenschap in de verkrijgende vennootschap eruit zal zien, en ten tweede omdat de richtlijn werkt met een referentiekader dat zelf gebruik maakt van kwantitatieve vergelijkingen, bijvoorbeeld op het punt van het aantal werknemers dat medezeggenschap kende en bij de vergelijking van verschillende medezeggenschapssystemen. Het onderscheid tussen vennootschappen met meer en minder dan 500 werknemers kwam voort uit de door de vele lidstaten geuite wens kleinere vennootschappen zo mogelijk niet te belasten met een als ingewikkeld en kostbaar ervaren onderhandelingstraject. Bij meer dan 500 werknemers én medezeggenschap moet er altijd onderhandeld worden, ongeacht het niveau of de aard van de medezeggenschap in het vestigingsland. Anders dan bij de SE is er dus een onderscheid aangebracht tussen de gang van zaken bij "grote" en "kleinere" ondernemingen. Voor kleinere ondernemingen geldt de onderhandelingsplicht alleen indien de wetgeving van de lidstaat van de zetel van de verkrijgende vennootschap niet voorziet in hetzelfde niveau van medezeggenschap of indien die wetgeving niet voorziet in hetzelfde recht tot uitoefening van medezeggenschapsrechten door werknemers in andere lidstaten. Daarmee worden lidstaten feitelijk geprikkeld om te voorzien in een hoog niveau van bescherming (namelijk het kwantitatief hoogste niveau dat in de Europese Unie bestaat) of in verbreding van de bescherming (namelijk door uitbreiding naar de werknemers in andere lidstaten). Men vergelijke ook lid 5 van artikel 16, waar ten aanzien van deze keuze een aanvullende bepaling is opgenomen. In Nederland geldt een medezeggenschapsregeling waardoor bij de hierboven bedoelde kwantitatieve vergelijking van een verlies eigenlijk geen sprake kan zijn. De aanpassingen in de structuurregeling van 1 oktober 2004 (Stb. 2004, 370) brengen daarin geen wijziging nu de richtlijn verwijst naar de wetgeving van de lidstaat en het aanbevelingsrecht ten aanzien van alle leden van de raad van commissarissen bestaat, met een versterkt recht ten aanzien van een derde. Een voorbeeld van de uitwerking van artikel 16 lid 2 bij een fusie tussen "kleinere vennootschappen" kan dit verduidelijken. Voor de bepaling van het niveau van medezeggenschap moet worden uitgegaan van de wettelijke regels (de richtlijn spreekt over "de nationale wetgeving voorziet in"). Is er dus sprake van een fusie waarbij een structuurvennootschap betrokken is, dan geldt voor de bepaling van de waag of de verkrijgende vennootschap bij vestiging in Nederland het structuurregime moet toepassen, het nationale recht van het land van vestiging van de verkrijgende vennootschap. Is dat Nederland, dan geldt de structuurregeling. Vervolgens kan op basis van artikel 2:158/268 BW maatwerk worden geleverd, maar een andere invulling van de benoemingsregeling kan niet zonder akkoord van de werknemers tot stand komen. Is de verkrijgende vennootschap een vennootschap naar buitenlands recht, dan moet op basis van artikel 16 lid 2 worden bepaald of de nationale regelgeving van het vestigingsland van "hetzelfde niveau is" als de structuurregeling. Op dit moment zijn mij elders geen regelingen bekend waarbij de werknemers een recht van benoeming of aanbeveling hebben ten aanzien van alle commissarissen. In dat geval moet dus worden bepaald of de in Nederland werkzame werknemers van de verkrijgende vennootschap dezelfde rechten hebben als de werknemers in het vestigingsland; is dat niet het geval (en die regeling bestaat voor zover bekend alleen in EER-lidstaat Noorwegen) dan vinden onderhandelingen plaats met zonodig een terugval op de referentievoorschriften. Aldus kunnen de werknemers van de Nederlandse structuurvennootschap hun rechtspersoonlijke medezeggenschap veilig stellen.'
Ik lees in de reactie van de Minister geen bevredigend antwoord op het 'derde argument'. De Minister wijdt — naar mijn idee — slechts uit over toepassing van artikel 16 lid 2 sub b Richtlijn GOF bij een outbound fusie. Roest heeft nu net aangegeven dat het probleem speelt bij een inbound fusie.
Opvallend is de passage over het structuurregime. Bij een inbound fusie waarbij een structuurvennootschap betrokken is 'geldt de structuurregeling'. en 'vervolgens kan op basis van artikel 2:158/268 BW maatwerk worden geleverd, maar een andere invulling van de benoemingsregeling kan niet zonder akkoord van de werknemers tot stand komen'.
In het hiervoor geschetste voorbeeld is sprake van een structuurvennootschap waarop voorafgaand aan de fusie al maatwerk is geleverd. Dat maatwerk is geleverd met instemming van de Nederlandse OR. Degenen die medezeggenschapsrechten kunnen uitoefenen in die buitenlandse vennootschap hebben geen invloed gehad bij de introductie van het maatwerk. Daarmee blijft verdedigbaar dat een dergelijk systeem wel degelijk afbreuk doet aan het toepasselijke medezeggenschapssysteem op de verdwijnende buitenlandse vennootschap. De Minister zal toch niet bedoeld hebben dat bij een dergelijke fusie het wettelijke structuurregime weer 'herleeft' waarna 'vervolgens' opnieuw maatwerk kan worden geleverd. Statutaire regelingen op grond van artikel 158/268 lid 12 zouden dan van rechtswege vervallen. Zulks volgt niet uit de wet en ook niet uit het systeem van de wet. Wat ik mij kan voorstellen is dat de Minister met de gekozen bewoordingen het volgende probeert duidelijk te maken.
Niet bepalend is de feitelijke medezeggenschap, maar de medezeggenschap conform het wettelijk systeem. De hoofdregel in het wettelijk systeem bij een structuurvennootschap is dat invloed kan worden uitgeoefend op de benoeming van alle commissarissen. Op basis van deze hoofdregel 'wint' Nederland. Aan onderhandelen wordt niet toegekomen. Dat feitelijk geen medezeggenschap plaatsvindt, is niet relevant. De nationale wetgeving voorziet in de aanbevelingsrechten.
Wanneer deze zijn opgegeven is dat voor de weging irrelevant. Wel relevant is dat het prijsgeven van de rechten met instemming van de OR is gebeurd.
Deze redenering kan ik volgen maar vind ik dun. Artikel 158/268 lid 12 is óók onderdeel van het wettelijk systeem. De Minister kijkt alleen naar de hoofdregel bij de weging van de medezeggenschapsrechten en niet naar de alternatieven waarin het wettelijk systeem ook voorziet. Hij stelt het wettelijk systeem centraal en niet de verkrijgende vennootschap.
Het doel van artikel 16 Richtlijn GOF is te voorkomen dat medezeggenschap verdwijnt indien een rechtspersoon waar werknemers medezeggenschap kunnen uitoefenen als verdwijnende vennootschap fuseert met een rechtspersoon in een lidstaat waar geen medezeggenschap geldt. De regel beschermt de werknemers die hun medezeggenschap verliezen. Is bij de verkrijgende vennootschap de medezeggenschap geëlimineerd dan betekent dat een verlies van medezeggenschap van de werknemers van de verdwijnende vennootschap zonder hun toestemming. Nu er in dit geval geen onderhandelingen zijn en er dus ook geen BOG gevormd wordt hebben zij geen enkele invloed (gehad) op het (niet-) toepasselijke medezeggenschapsregime. Dit pleit voor het centraal stellen van de verkrijgende vennootschap en niet het algemene wettelijke systeem. Als aan de letterlijke tekst van de Richtlijn GOF zou moeten worden vastgehouden zou aan onderhandelingen ook niet worden toegekomen wanneer de verkrijgende Nederlandse vennootschap niet aan het structuurregime onderworpen zou zijn. Ook dan immers voorziet de nationale wetgeving die op de verkrijgende vennootschap van toepassing is (namelijk Nederlands recht in zijn algemeenheid) in een medezeggenschapsniveau dat zwaar weegt. Dat dat deel van het recht niet toepasselijk is op de betreffende vennootschap is dan niet ter zake.
Bij de behandeling van de Implementatiewet Richtlijn GOF in de Eerste Kamer is wat ik noemde — het 'derde argument' van Roest wederom aan de orde geweest. Dit keer waren het de leden van de CDA-fractie die een vraag stelden over de strekking van artikel 16 lid 2 sub b Richtlijn GOF. De Minister beantwoordt de gestelde vraag als volgt:
`Artikel 16 lid 2 bepaalt wanneer er moet worden onderhandeld indien er bij de fusie geen vennootschap betrokken is met medezeggenschap en meer dan 500 werknemers. Gaat het om kleinere vennootschappen en kent in elk geval één van de fuserende vennootschappen een medezeggenschapsstructuur, dan moeten er onder bepaalde omstandigheden onderhandelingen komen tussen bestuurders en werknemersvertegenwoordigers (de bijzondere onderhandelingsgroep) van de fuserende vennootschappen. Die omstandigheden staan in de onderdelen a en b en behelzen, kortweg, twee categorieën: — als het vestigingsland niet hetzelfde niveau van medezeggenschap kent als één van de deelnemers (het niveau van medezeggenschap wordt numeriek bepaald); of — als werknemers in andere vestigingen buiten het vestigingsland niet dezelfde medezeggenschapsrechten kunnen uitoefenen. Bij de waag hoe dit voorschrift moet worden geduid, is van belang dat de Europese wetgever signaleerde dat grensoverschrijdende fusie niet benut moet kunnen worden door vennootschappen om zich aan de vigerende medezeggenschapsregels te onttrekken. Men zie de toelichting bij het voorstel van de Europese Commissie van 18 november 2003, COM (2003) 703 def: Anderzijds wilden lidstaten die in hun nationale recht niet een keuze hadden gemaakt voor vennootschappelijke medezeggenschap, niet door richtlijnvoorschri)?en gedwongen worden om dergelijke voorschriften alsnog in te voeren. Doel van de richtlijn is dus niet een inhoudelijke wijziging of harmonisatie van medezeggenschapsregels. (...) Indien de voorwaarden van artikel 16 lid 2 sub a en b cumulatief zouden moeten worden gelezen, zouden er onderhandelingen moeten gevoerd onafhankelijk van de waag of het vestigingsland een medezeggenschapsvorm kent en onafhankelijk van de waag welk niveau — in de daaraan door de Europese wetgever toegekende betekenis van numerieke aantallen benoemingen of aanbevelingen — het recht van dat vestigingsland inhoudt. Dat komt omdat geen enkel EU land een regeling heeft waardoor werknemers uit andere landen kunnen deelnemen aan de medezeggenschap. Wij kunnen de WOR ook niet toepassen op vestigingen van bedrijven in het buitenland,. de WOR werkt territoriaal. Het feit dat nergens zo 'n grensoverschrijdende deelname van werknemers bestaat, betekent dat dan altijd onderhandelingen nodig zouden zijn, ongeacht het beschermingsniveau. Dan heeft een voorwaarde over het beschermingsniveau geen toegevoegde waarde. '2
Voor de motivering van de Minister is wat te zeggen. Gevolg van de conclusie dat geen enkel EU land een regeling heeft waardoor werknemers uit andere landen kunnen deelnemen aan medezeggenschap zou inderdaad betekenen dat altijd onderhandeld zou moeten worden. Ik volg de Minister in de opvatting dat daarmee artikel 16 lid 2 letter a Richtlijn GOF een dode letter zou zijn. Anderzijds betekent dat, dat als die visie juist is artikel 16 lid 2 letter b Richtlijn GOF een dode letter is. Immers, letter a schrijft voor dat onderhandeld moet worden indien de verkrijgende vennootschap niet voorziet in ten minste gelijke medezeggenschap.
Dat betekent het volgende:
Kent de nationale wetgeving die van toepassing is op de verkrijgende vennootschap een gelijk of zwaarder regime: aan letter b wordt niet toegekomen;
Kent de nationale wetgeving die van toepassing is op de verkrijgende vennootschap een lichter regime: onderhandelen op grond van letter a en aan letter b wordt niet toegekomen.
Uitleg van het artikel is voorbehouden aan het HvJEU. Door een van artikel 16 Richtlijn GOF afwijkende tekst op te nemen in de Nederlandse wet geeft Nederland een eigen uitleg. De wetgever had er, de andere argumenten meewegend, voor kunnen kiezen de wettekst te laten aansluiten bij artikel 16 Richtlijn GOF en haar visie in de Memorie van Antwoord kunnen geven.
Tot deze visie lijkt de Minister uiteindelijk ook zelf te komen. In de Nadere Memorie van Antwoord bij de Richtlijn GOF in de Eerste Kamer geeft de Minister toe dat het eenvoudiger was geweest de tekst van artikel 16 Richtlijn GOF over te nemen in de Nederlandse wet.3 Hij doet dit in het kader van de discussie omtrent wat ik hiervoor het 'derde argument' noemde. Hij voegt er overigens aan toe: `Mocht een en ander aanleiding zijn voor praktijkproblemen, dan kan de keuze worden heroverwogen.' Mijn overige argumenten in ogenschouw nemend zou ik daar een voorstander van zijn.