Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/9.3.3.2.1
9.3.3.2.1 Niet of te laat doen van aangifte
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940648:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie daarover paragraaf 9.3.3.1 hiervoor.
Dit kan genuanceerd liggen: als de inspecteur de voor de indiening gestelde termijn heeft omschreven in de trant van ‘uw aangifte moet uiterlijk op [datum] binnen zijn’, kan worden verdedigd dat een vóór die datum verzonden, maar na die datum ontvangen aangifte te laat is ingediend. Zie voor een voorbeeld de Hofuitspraak die aanleiding gaf tot HR 13 november 2020, V-N 2020/60.28.2 (art. 81 Wet RO). Ook in Hof Amsterdam 20 april 2023, V-N 2023/38.19 was sprake van een aanmaning waarin stond dat de aangifte uiterlijk op een bepaalde datum moest zijn ontvangen. Het Hof overwoog ten aanzien van het bewijsobject vervolgens dat de inspecteur moest bewijzen dat hij de aangifte na die datum had ontvangen (zie r.o. 2.1, 5.1 en 5.2). De Redactie Vakstudie-Nieuws betwijfelt in de Aantekening of dit oordeel wel juist is, en vraagt zich – als ik het goed zie – naar mijn mening terecht af of het Hof niet te snel over (het bewijs van) de verzending is heen gestapt.
Zie paragraaf 7.3.4.3.
Zie voor een aardig inkijkje in deze interne administratie bij de verwerking van papieren aangiftes Hof Amsterdam 20 april 2023, V-N 2023/38.19, r.o. 2.3.
In dezelfde zin: Koopman, Poelmann & Rosier 2008, p. 24-25. Zij suggereren dat de belastingplichtige aangeeft wanneer en hoe hij aangifte heeft gedaan. Zie voor een voorbeeld waarin het Hof aldus oordeelt: Hof Arnhem 17 januari 2012, V-N 2012/20.27.9, r.o. 4.11.
Het niet nakomen van de suppletieverplichting is het kale beboetbare feit, zie art. 10a lid 3 AWR en paragraaf 6.2.10. Rb Gelderland 25 oktober 2021, V-N 2021/55.21 heeft dit naar mijn mening miskend door te overwegen dat de bewijslast van een correcte en tijdige indiening van de suppletie op de belastingplichtige rust (r.o. 14.).
Ik kan mij dan ook niet vinden in het andersluidende oordeel van Rb Gelderland 25 oktober 2021, V-N 2021/55.21, r.o. 15. Naar mijn mening laat de rechtbank bovendien het bewijs van het kale beboetbare feit en van de aanwezigheid van opzet door elkaar lopen (vgl. ook de Aantekening van de Redactie Vakstudie-Nieuws).
Zie daarover nader paragraaf 15.4.3.3.
HR 5 juli 2019, V-N 2019/33.19, BNB 2019/142.
Zie met name HR 5 juli 2019, V-N 2019/33.19, BNB 2019/142, r.o. 2.6.3. Deze kernoverweging werd bovendien gegeven in het kader van het (door art. 6 EVRM gegarandeerde) recht op toegang tot de rechter.
De verzending van de aangifte vormt hier immers een centrale stelling.
Hierbij moet worden opgemerkt dat de vergrijpboete van art. 67d AWR alleen kan worden opgelegd wegens het in het geheel niet doen van aangifte (en niet wegens het te laat indienen daarvan). Zie voor enkele voorbeelden waarin een vergrijpboete wegens het niet doen van aangifte was opgelegd (en in feitelijke aanleg in stand bleef) Hof Den Haag 26 april 2019, V-N 2019/36.30.23 en Hof Den Haag 4 mei 2022, V-N 2022/33.1.5.
Zie paragraaf 6.2.2, paragraaf 6.2.3 en paragraaf 6.2.7.
Dit bewijs moet waarschijnlijk ‘beyond reasonable doubt’ worden geleverd, zie paragraaf 13.3.5.1.4.
Zie over de bewijsgradatie die in de boetesfeer geldt voor de uitnodiging nader paragraaf 13.3.5.1.4.
Zie paragraaf 7.3.5.4.2, paragraaf 7.3.8.3.2, paragraaf 10.2.2. Specifiek met betrekking tot de ontvangst van rechtens relevante stukken zou ik in dit verband het bestaan van een goed bijgehouden postboek, waarin het beweerde stuk ontbreekt, al snel als voldoende tegenbewijs willen aanmerken.
Zie voor een voorbeeld waarin de boeteling er niet in slaagde redelijkerwijs te betwijfelen dat een aanmaning was ontvangen HR 17 mei 2013, V-N 2013/26.1.1.
Zie daaromtrent nader paragraaf 6.2.2 en paragraaf 6.2.7.
Art. 67a respectievelijk art. 67d AWR. Zie HR 30 september 2022, V-N 2022/42.17, r.o. 2.2.
Zie Hof ’s-Hertogenbosch 20 december 2018, V-N 2019/18.14. Deze uitleg wordt ook gevolgd als het gaat om het strafrechtelijke verwijt van art. 69 lid 1 AWR, zie Hof ’s-Hertogenbosch 11 september 2019 (strafkamer), V-N 2019/59.20.
Zie HR 11 oktober 2019, V-N 2019/49.23 en HR 15 december 2006, V-N 2006/65.5, BNB 2007/112, NTFR 2006/1781: een geloofwaardige ontkenning kan voldoende zijn voor de ontzenuwing. Zie voorts Rb Den Haag 29 augustus 2017, V-N 2017/58.7. Vgl. ten slotte Hof ’s-Hertogenbosch 30 augustus 2019, V-N 2020/2.14.
Dat het bewijs van verzending niet altijd kan worden geleverd, moge blijken uit de verwijzingsuitspraak (Hof Arnhem 7 juni 2007, NTFR 2007/1195), alsmede uit Hof Arnhem 24 april 2012, NTFR 2012/1440. Zie ook HR 23 maart 2007, NTFR 2007/516, V-N 2007/16.9 en HR 13 juni 2014, V-N 2014/35.1.3.
Zie daarover nader paragraaf 13.3.5.1.4.
Beide vereisten zijn immers nadrukkelijk cumulatief, zie HR 30 september 2022, V-N 2022/42.17, r.o. 2.2. Vgl. ook HR 24 juni 2016, V-N 2016/34.8, BNB 2016/192 en HR 14 april 2017, V-N 2017/20.13, BNB 2017/138. Aldus ook: Hof Den Haag 5 april 2022, V-N 2022/32.16, r.o. 5.1.1. Zie voorts paragraaf 7.4.4.2.1.
Stb. 2015, 378 (34 196). De wet is op 1 november 2015 (gedeeltelijk) in werking getreden, Stb. 2015, 379.
Zie – in een ander kader – Rb Overijssel 4 april 2017, V-N 2017/38.21, alsmede – in dezelfde zin – de Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening. Zie voorts hetgeen in art. 2:17 Awb is bepaald omtrent het tijdstip van elektronische verzending en elektronische ontvangst door het bestuursorgaan.
Zie voor dezelfde vraag, maar dan in het kader van de omkering (‘de vereiste aangifte’) paragraaf 7.4.4.2.2.
Aldus bijvoorbeeld Hof Amsterdam 30 november 2017, V-N 2018/13.12 (art. 67a AWR).
HR 27 maart 1996, BNB 1996/273 en HR 26 augustus 1998, BNB 1998/350. Zie voorts paragraaf 7.4.6.1.
Zie over die criteria paragraaf 9.4.2 hierna.
Anders (ten aanzien van het te laat doen van aangifte): Rb Gelderland 14 maart 2018, V-N 2018/32.14. De rechtbank toetste slechts of het standpunt van de inspecteur, die het Belgische lichaam als vermoedelijk belastingplichtig in Nederland had aangemerkt, redelijk was. Volgens de rechtbank was dat het geval, omdat er zowel omstandigheden waren die naar Nederland wezen als omstandigheden die naar België wezen. Dat sluit naar mijn mening niet uit dat het lichaam terzake een (objectief) pleitbaar standpunt had (zie daarover nader paragraaf 9.4.2.1) en al helemaal niet dat het lichaam zijn stelling uitdrukkelijk en gemotiveerd had verdedigd.
Zie daaromtrent nader paragraaf 9.4.1 hierna.
In verschillende boetebepalingen wordt het niet of niet tijdig doen van aangifte beboetbaar gesteld, zowel voor aanslagbelastingen als voor aangiftebelastingen.1 Voor wat betreft het bewijs van het in het geheel niet of niet tijdig doen van de aangifte zou de gedachte kunnen opkomen dat hiervoor hetzelfde geldt als voor het bewijs van het ‘niet of niet tijdig betalen’.2 Dat is echter niet het geval. Ten opzichte van het niet (tijdig) betalen is het bewijsobject anders: bij het niet (tijdig) doen van aangifte gaat het om de vraag of (dan wel wanneer) de belastingplichtige de aangifte heeft verzonden,3 terwijl bij het niet (of te laat) betalen de vraag voorligt of (dan wel wanneer) de betaling (tijdig) is bijgeschreven op de rekening van (en dus: is ontvangen door) de ontvanger. Volgens de reguliere regels van bewijslastverdeling zou de bewijslast van de indiening op de belastingplichtige rusten: daaruit volgt immers, dat in het algemeen de bewijslast – en dus ook het bewijsrisico – ter zake van een juiste verzending van documenten die niet-aangetekend zijn verzonden, bij de afzender berust.4 In de sfeer van de boeteoplegging moet daar vanwege de onschuldpresumptie naar mijn mening een belangrijke nuancering op worden aangebracht. Hoewel van de inspecteur ook hier niet het onmogelijke wordt gevergd, zal de inspecteur normaliter niet veel meer (kunnen) doen dan te wijzen op zijn interne administratie, waarin geen aangifte als (tijdig) ontvangen is geregistreerd.5 Daarmee bewijst de inspecteur echter nog niet het niet (tijdig) doen van de aangifte. De belastingplichtige hoeft dan niet meer dan een begin van (tegen)bewijs van het wél (tijdig) indienen van de aangifte aan te dragen.6 Elke twijfel moet immers in zijn voordeel werken.
Naar mijn mening geldt het voorgaande ook voor het niet of te laat voldoen aan andersoortige spontane informatieverplichtingen,7 zoals het niet of te laat doen van een suppletie omzetbelasting.8 De inspecteur moet bewijzen dat de suppletie niet of te laat is gedaan.9 Het enkele feit dat de inspecteur geen suppletie heeft ontvangen, is daarvoor naar mijn mening niet voldoende, in het bijzonder niet wanneer de belastingplichtige stelt de suppletie wel te hebben verzonden.10
In dit verband is het verleidelijk om een parallel te trekken met de bewijsregels die gelden bij de beoordeling van de tijdigheid van de indiening van bezwaar- en beroepschriften. Voor zover het om een boete ging, waren die bewijsregels tot medio 2019 soepeler (voor de belastingplichtige).11 In zijn arrest van 5 juli 2019 maakte de Hoge Raad een einde aan dit onderscheid: voor boetes gelden sindsdien de reguliere regels zoals die ook in de sfeer van de heffing gelden.12 Naar mijn mening moet het bewijsobject ‘niet of niet tijdig doen van aangifte’ echter nadrukkelijk worden onderscheiden van de beoordeling van de tijdigheid van de indiening van bezwaar- en beroepschriften. In de eerste plaats geldt voor bezwaar- en beroepschriften als regel de ontvangsttheorie,13 terwijl dat voor andersoortige stukken niet het geval is. In de tweede plaats zien de overwegingen van de Hoge Raad uit het arrest van 5 juli 2019 specifiek op het aanwenden van een rechtsmiddel (dus op het instellen van bezwaar of beroep).14 Gaat het om de verzending van een aangifte, dan brengt de onschuldpresumptie naar mijn opvatting mee dat de boeteling (wél) steeds het voordeel van de twijfel moet krijgen. De bewijsregels zijn in de sfeer van de boete dus wel degelijk soepeler dan in de sfeer van de heffing.15
Verder is van belang dat pas een boete wegens het te laat of niet doen van aangifte kan worden opgelegd,16 als de boeteling was uitgenodigd tot het doen van aangifte.17 Ook als het gaat om de vraag of de inspecteur de uitnodiging wel heeft verzonden, geldt in de boetesfeer een nuancering op de uitgangspunten zoals die in de sfeer van de heffing gelden. Slaagt de inspecteur in het bewijs van de verzending van de uitnodiging,18 dan rechtvaardigt dat normaal gesproken een vermoeden van ontvangst door de boeteling. Vanwege de zware bewijsgradatie en de onschuldpresumptie die in de sfeer van de boete gelden, moet eventuele twijfel echter steeds in het voordeel van de boeteling werken. Mogelijk moet de inspecteur daarom ook de ontvangst bewijzen.19 Hoe dan ook kunnen aan het tegenbewijs in de sfeer van de boete slechts zeer lichte eisen worden gesteld.20 Dat betekent overigens niet dat de boeteling een eenmaal gerezen vermoeden zonder enige onderbouwing zou kunnen ontzenuwen.21
Met betrekking tot het te laat of niet doen van aangifte, is bij aanslagbelastingen verder relevant dat zulks pas kan worden beboet nadat is vastgesteld dat een aanmaning is verzonden die de belastingplichtige heeft bereikt, terwijl de daarin gestelde termijn is overschreden.22 Dit uitgangspunt geldt zowel voor de verzuimboete als voor de vergrijpboete.23 Het beboetbare feit wordt begaan op het moment dat de termijn uit de aanmaning is verstreken en er (nog) geen aangifte is gedaan.24 Bij betwisting van de ontvangst van de aanmaning ligt de bal bij de inspecteur, die zal moeten bewijzen dat de aanmaning daadwerkelijk is verzonden. Slaagt de inspecteur daarin, dan rechtvaardigt dat een vermoeden van ontvangst, dat door de boeteling kan worden ontzenuwd.25 Slaagt de inspecteur daarin niet, dan dient de boete te worden vernietigd.26 Ook op dit punt moet eventuele twijfel in de sfeer van de boete weer in het voordeel van de boeteling werken.27 Naar analogie met de bewijsregels ten aanzien van het niet doen van de vereiste aangifte in het kader van de omkering, meen ik voorts dat een niet-verzonden uitnodiging niet kan worden gerepareerd door een wél verzonden aanmaning.28
Het streven van de Wet elektronisch berichtenverkeer Belastingdienst29 was om het berichtenverkeer tussen de belastingplichtige en de Belastingdienst op langere termijn uitsluitend nog langs elektronische weg te laten plaatsvinden. Later is in de wet Overige Fiscale Maatregelen 2020 een keuzesysteem geïntroduceerd: belastingplichtigen krijgen voor wat betreft de berichten afkomstig van de inspecteur de keuze tussen hetzij verzending van alle berichten langs elektronische weg, hetzij verzending van alle berichten anders dan langs elektronische weg. Ook voor wat betreft berichten van de belastingplichtige aan de inspecteur zal er steeds sprake zijn van óf uitsluitend elektronisch, óf uitsluitend anders dan elektronisch.30 Naar aanleiding van deze wetswijzigingen zal het belang van de hiervoor aangehaalde bewijsregels met betrekking tot de verzending van stukken per post vanzelfsprekend afnemen. Naar mijn mening geldt dat echter niet voor de daaraan ten grondslag liggende uitgangspunten. In feite is slechts een vertaling naar de digitale berichtenomgeving van MijnOverheid en de Berichtenbox noodzakelijk.31 Voor wat betreft de consequenties van haperende elektronische communicatie voor de boeteoplegging meen ik dat aan het door de boeteling te leveren (tegen)bewijs slechts lichte eisen kunnen worden gesteld: eventuele twijfel dient in het voordeel van de boeteling te werken. Ik kan mij wel voorstellen dat die twijfel er minder snel zal zijn, bijvoorbeeld omdat het moment van indienen en de ontvangst van de aangifte zal volgen uit een tijdstempel in het systeem.
Daar waar de wet- en regelgeving het elektronisch doen van aangifte verplicht heeft gesteld,32 kan de vraag rijzen of een niet op die wijze ingediende aangifte ook kwalificeert als het niet doen van aangifte.33 Gelet op de wetssystematiek is het logisch dat de boetebepalingen met ‘de aangifte’ in dit verband doelen op de bij de wet voorziene aangifte, zoals omschreven in hoofdstuk II van de AWR. Een niet in de voorgeschreven vorm gedane aangifte (bijvoorbeeld een handgeschreven brief met bijlagen) geldt naar mijn mening dan ook als niet gedaan.34
Ten slotte is nog van belang, dat de Hoge Raad heeft bepaald dat geen boete kan worden opgelegd wegens het niet doen van aangifte, wanneer een (vermeende) belastingplichtige de aangifte oningevuld retour zendt en daarbij uitdrukkelijk en gemotiveerd stelt dat hij in het geheel niet belastingplichtig is, ook niet wanneer dat standpunt achteraf onjuist blijkt te zijn.35 De Hoge Raad heeft hiermee voor zulke situaties een specifiek criterium aangelegd, dat voor de belastingplichtige nog weer soepeler is dan de criteria die gelden voor een pleitbaar standpunt.36 In wezen is er naar mijn mening sprake van een bijzondere invulling van AVAS.37 Voor wat betreft de bewijslastverdeling gelden in een dergelijk geval daarom de bewijsregels zoals die voor AVAS gelden.38