Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/9.3.3.2.2
9.3.3.2.2 Onjuiste of onvolledige aangifte
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940649:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De strafkamer van de Hoge Raad heeft in het kader van de Wet BPM geoordeeld dat hieronder ook kan worden begrepen het doen van een onjuiste of onvolledige melding BPM, die onder omstandigheden aan de aangifte BPM voorafgaat, zie HR 27 juni 2023 (strafkamer), V-N 2023/32.19, r.o. 4.1-4.2.2.
Zie echter ook paragraaf 9.3.3.1 hierna.
Vgl. in dit verband de Brief van de Staassecretaris van Financiën van 7 juni 2017, V-N 2017/29.9 (de grondslagkoppeling wordt daar in feite omschreven in termen van ‘(het ontbreken van) heffingsbelang’).
Als het beboetbare feit het doen van een onjuiste of onvolledige aangifte betreft,1 dan is vooral van belang dat daarmee iets anders wordt bedoeld dan het in algemene zin veroorzaken van een te lage heffing. Het gaat erom dat er verkeerde of onvolledige informatie is verstrekt in het format van de wettelijk voorgeschreven aangifte.2 Bij de vergrijpboete van art. 67d AWR moet de vereiste opzet ook in eerste instantie daarop gericht zijn geweest.3 Een andere consequentie is dat ook de belastingplichtige die verzuimt om aftrekposten aan te geven, in theorie een beboetbaar feit begaat, althans voor zover de belastingwet dwingend is geformuleerd. In strikt grammaticale zin is er immers ook dan sprake van een onvolledige aangifte. Vanwege de hierna te bespreken grondslagkoppeling die in art. 67d AWR ligt besloten, zal uiteindelijk echter geen beboeting kunnen plaatsvinden.4