Naar een Nederlandse political question-doctrine?
Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/6.3.2:6.3.2 Ontvankelijkheid
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/6.3.2
6.3.2 Ontvankelijkheid
Documentgegevens:
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233734:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie over deze voorwaarden bijv. De Poorter 2003, p. 135-153; Schlössels 2004, p. 55-88; Van Wijk/Konijnenbelt en Van Male 2014, p. 66-74.
Zie bijv. Schlössels 2004, p. 104-107; Schutgens 2012, p. 210; Van Wijk/Konijnenbelt en Van Male 2014, p. 75-78.
Zie bijv. De Poorter 2003, p. 179-213; Van Wijk/Konijnenbelt en Van Male 2014, p. 78.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Net als in het civiele recht gelden ook in het bestuursrecht ontvankelijkheidsvoorwaarden. De belangrijkste daarvan is de voorwaarde dat beroep tegen een besluit uitsluitend kan worden ingesteld door een belanghebbende. Naast het zojuist besproken besluitbegrip is het belanghebbende-begrip daarmee een van de belangrijkste begrippen in het bestuursrecht en bepalend voor de taak van de bestuursrechter.
Om als natuurlijk persoon als een belanghebbende te kunnen worden aangemerkt, en daarom bij de bestuursrechter te kunnen opkomen tegen een besluit, moet hij een objectief, persoonlijk, eigen, rechtstreeks en actueel belang hebben.1 Dit vloeit voort uit artikel 1:2 lid 1 Awb:
‘Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.’
Ook een belangenorganisatie kan onder voorwaarden belanghebbende zijn en aldus bij de bestuursrechter opkomen voor collectieve of algemene belangen. De grondslag hiervoor is gelegen in artikel 1:2 lid 3 Awb:
‘Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstelling en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.’
Deze bepaling is de bestuursrechtelijke tegenhanger van artikel 3:305a BW.2
Ten slotte geldt als voorwaarde dat een appellant procesbelang moet hebben, dat wil zeggen dat zijn belang bij toewijzing van vordering moet zijn gebaat. Deze voorwaarde heeft eerst en vooral een proceseconomische achtergrond: het is niet nodig dat een appellant die geen belang meer heeft bij zijn vordering toch beslag legt op de beperkte capaciteit van de bestuursrechter. Diverse omstandigheden kunnen nopen tot het oordeel dat procesbelang ontbreekt. Eén van die omstandigheden is het niet langer bestaan van een concreet geschil, bijvoorbeeld omdat aan de bezwaren van een appellant volledig tegemoet is gekomen. In dat geval levert de enkele wens van een appellant om alsnog en om meer principiële redenen een inhoudelijk oordeel van de bestuursrechter te krijgen in de regel geen procesbelang op.3