Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/7.3.2.1
7.3.2.1 Aard van het verzuim
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS619050:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Simmelink 2005, p. 479, Mevis in zijn noot onder HR 22 juni 2004, ECLI:NL:HR: 2004:AO8320, NJ 2004/561 en Klip in zijn noot onder HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR: 2006:AV6195, NJ 2006/623.
Vgl. Simmelink 2005, p. 479.
Zie zijn noot onder HR 24 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8411, NJ 2008/145.
Vgl. plv. PG Fokkens die in zijn conclusie voor HR 7 september 2004, ECLI:NL:HR: 2004:AP2257, NJ 2004/608.
Zo merkte Reijntjes terecht op in zijn noot onder HR 8 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001: AB1566, NJ 2001/587.
Zie bijv. HR 30 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4307 (ter terechtzitting niet-ontvankelijkheid bepleit wegens tweede vordering bewaring terwijl het dossier inhoudelijk niet was veranderd na eerste afgewezen vordering) en HR 7 september 2004, ECLI:NL: HR:2004:AP2257, NJ 2004/608 (ter terechtzitting niet-ontvankelijkheid bepleit wegens schending equality of arms tijdens toetsing ex art. 59a Sv door RC).
Bij toetsing ex art 59a, lid 5, Sv van de inverzekeringstelling moet de RC beoordelen of sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, of de inverzekeringstelling gerechtvaardigd is in het belang van het onderzoek, of de wettelijke vormvoorschriften met betrekking tot de inverzekeringstelling zijn nageleefd en of de inverzekeringstelling niet op andere gronden, bijv. wegens strijdigheid met beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging, onrechtmatig is. Bij schending van een vormvoorschrift moet de RC aan de hand van de aard en het belang van het vormvoorschrift, de mogelijkheid tot herstel, de schade aan het beschermde belang van de verdachte en de betrokken persoonlijke en maatschappelijke belangen beoordelen of dit ook tot onrechtmatigheid van de inverzekeringstelling en tot invrijheidstelling moet leiden. Vgl. Kamerstukken II, 1992/93, 21225, nr. 13, p. 8-10.
Vgl. HR 17 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT2518, NJ 2012/64 zij het dat het de raadsvrouw in die zaak niet was gelukt een beroep te doen op de onrechtmatigheid van de aanhouding omdat het ‘bij de RC allemaal zo snel ging’.
Vgl. HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6195, NJ 2006/623 m.nt. Klip (verdediging bepleitte bij hof bewijsuitsluiting wegens onrechtmatigheid doorzoeking en stelde dat hof gebonden was aan oordeel RC dat de inverzekeringstelling onrechtmatig was. HR oordeelde dat ook als RC de inverzekeringstelling onrechtmatig heeft geoordeeld wegens onvoldoende verdenking, het hof op basis van de ter terechtzitting bekende feiten zelfstandig een oordeel kan vormen over die verdenking bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de doorzoeking en het daardoor verkregen bewijs). Zie ook HR 24 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8411, NJ 2008/145 m.nt. Schalken (zittingsrechter moet zelfstandig onderzoeken of ten tijde van het bevel tot het afnemen van DNA-materiaal ex art. 151b Sv sprake was van ernstige bezwaren. Hij is daarbij niet gebonden aan oordeel RC dat geen toereikende verdenking bestond voor de inverzekeringstelling van verdachte. Ook OvJ was bij uitvoering van bevel ex art. 151b Sv niet gebonden aan dit oordeel van de RC).
Wat betreft de aard van het verzuim kan een onderscheid worden gemaakt tussen vormverzuimen die:
alleen relevant zijn in het kader van de beslissing inzake de toepassing van vrijheidsbenemende dwangmiddelen;
die alleen relevant zijn voor de beantwoording van de vragen van art. 348 en 350 Sv door de zittingsrechter; en een categorie daartussen van
vormverzuimen die zowel bij de beoordeling door de RC en de raadkamer als bij de beoordeling door de zittingsrechter van belang kunnen zijn.
Alleen voor de vormfouten van cat. (i) geldt dat daarop uitsluitend bij de RC of de raadkamer een beroep kan worden gedaan. De in cat. (iii) bedoelde verzuimen kunnen ook aan de zittingsrechter worden voorgelegd, mits het verweer tenminste aangrijpt op een aan het oordeel van de zittingsrechter onderworpen kwestie. De functie van de toetsing door de RC – het controleren van de beslissing van de (H)OvJ en zonodig direct beëindigen van onrechtmatige vrijheidsbeneming – verschilt van die van de zittingsrechter, die het voorbereidend onderzoek toetst met het oog op mogelijke consequenties voor de hem opgedragen beslissingen.1 Simmelink spreekt van vormen van rechterlijke toetsing ‘met een zelfstandig bestaansrecht die in beginsel naast elkaar staan’,2 met dien verstande dat soms dezelfde feiten bij de RC en bij de zittingsrechter met het oog op de beantwoording van verschillende vragen aan de orde kunnen komen. Soms moet de zittingsrechter, zoals Schalken het onder woorden bracht, de feiten en omstandigheden die aan de vrijheidsbenemende maatregelen ten grondslag zijn gelegd en die onder de controle van de RC staan, opnieuw beoordelen in het licht van de beslissingen die hij in het kader van art. 359a Sv heeft te nemen.3
Een goede sleutel om te bepalen tot welke categorie een ter terechtzitting gedaan beroep op een vormverzuim behoort en of het gaat om een vormverzuim waarover de zittingsrechter moet oordelen, vormt de beantwoording van de vraag: Is het soort nadeel dat is veroorzaakt door de gestelde vormfout én waarop in het verweer een beroep wordt gedaan nadeel dat de RC/raadkamer kan verhelpen of in zijn beoordeling moet betrekken, of is dat aan de zittingsrechter?
Ad (i) Levert de gestelde vormfout uitsluitend nadeel voor de verdachte op in de procedure strekkende tot toetsing van de inverzekeringstelling of de voorlopige hechtenis of in de uitkomst van die procedure, dan is het oordeel daarover uitsluitend aan de RC of de raadkamer. Een goed voorbeeld daarvan bieden de in HR NJ 2001/587 gestelde verzuimen dat het bevel tot inverzekeringstelling niet in een voor de verdachte begrijpelijke taal was opgesteld en dat de grond voor inverzekeringstelling niet in het bevel was opgenomen. Ook kan worden gewezen op HR 30 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001: AD4307, waarin werd geklaagd dat na een eerdere afwijzing voor een tweede maal de inbewaringstelling was gevorderd, zonder dat het dossier inhoudelijk was veranderd, HR 5 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7794 waarin de klacht luidde dat de inverzekeringstelling was bevolen na ommekomst van de wettelijke termijn, of HR 22 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8320, NJ 2004/561 m.nt. Mevis, waarin werd geklaagd dat de voorlopige hechtenis van de verdachte vanaf een zeker moment onrechtmatig was, terwijl dat nadien door de raadkamer van het hof was getoetst. Een ander voorbeeld biedt HR 7 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP2257, NJ 2004/608 waarin bij het hof werd geklaagd dat het beginsel van equality of arms was geschonden bij de toetsing van de inverzekeringstelling, doordat de RC over de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling had geoordeeld zonder desverzocht de raadsvrouw inzage te verlenen in de daarop betrekking hebbende stukken.
In zijn zeer instructieve conclusie voor HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR: 2006:AV6195, NJ 2006/623 m.nt. Klip, sprak AG Machielse van vormfouten die ‘direct in het teken staan van de formaliteiten rond het voorarrest dan wel van de voorwaarden voor toepassing van inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis, welke gebreken geen doorwerking hebben op de vragen die de zittingsrechter moet beantwoorden en die zich ook vaak lenen voor herstel door de RC’. Op zulke vormfouten, die alleen van belang zouden kunnen zijn voor de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling en de voorlopige hechtenis, maar niet voor de vragen die de zittingsrechter op de voet van art. 348 en 350 Sv moet beantwoorden, kan bij de zittingsrechter geen beroep worden gedaan.
Ad (ii) Bestaat het nadeel van de gestelde vormfout in onrechtmatige bewijsgaring of is zo onbehoorlijk gehandeld dat niet-ontvankelijkverklaring van het OM zou moeten volgen, dan kan daarop bij uitstek bij de zittingsrechter een beroep worden gedaan. Dat zijn immers geen rechtsgevolgen die de RC of de raadkamer aan een vormverzuim kan verbinden.4 Heeft de vormfout invloed op de bruikbaarheid van bewijsmateriaal, dan wordt de discussie daarover niet van de terechtzitting verbannen.5 Daarbij moet worden vermeld dat het standpunt van de verdediging dat sprake is van een verzuim dat tot niet-ontvankelijkheid van het OM moet leiden, op zichzelf niet beslissend is voor de vraag of het verweer aan het gesloten stelsel van rechtsmiddelen ontsnapt.6 Beslissend is de aard van het vormverzuim waarop een beroep wordt gedaan.
Ad (iii) Sommige vormverzuimen kunnen zowel bij de toetsing van de toepassing van vrijheidsbenemende dwangmiddelen door de RC en de raadkamer als bij de beantwoording van de vragen van art. 348 en 350 Sv door de zittingsrechter een rol spelen. Bij de toetsing van de inverzekeringstelling moet de RC onder meer beoordelen of sprake is van een redelijk vermoeden van schuld in de zin van art. 27 Sv.7 Daarbij is niet uitgesloten dat hij oordeelt dat onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal niet mag bijdragen aan de verdenking. De zittingsrechter kan geroepen worden over dezelfde onrechtmatigheid te oordelen in het kader van een beroep op bewijsuitsluiting.8 De verdediging kan in zo’n geval op dezelfde onrechtmatigheid dus zowel een beroep doen bij de RC of de raadkamer, als bij de zittingsrechter.
In die gevallen waarin de zittingsrechter een eigen taak heeft in de beoordeling van gestelde vormverzuimen is hij niet gebonden aan het oordeel van de RC of raadkamer.9 Ten eerste omdat de vragen die de RC en de raadkamer moeten beantwoorden een andere aard en strekking hebben dan de vragen voor de zittingsrechter, maar ook omdat de gegevens waarop de beslissingen in het voorbereidend onderzoek moeten worden gebaseerd meestal summierder zijn dan ter terechtzitting. Als de RC de inverzekeringstelling rechtmatig heeft geoordeeld omdat hij – in weerwil van het verweer van verdachte – oordeelt dat het bewijsmateriaal op rechtmatige wijze is verkregen, bindt dit oordeel de zittingsrechter dus niet. Andersom geldt hetzelfde: wanneer de RC meent dat er na uitsluiting van onrechtmatig verkregen bewijs onvoldoende verdenking rest om de verdachte in verzekering te stellen, kan de zittingsrechter het door de RC terzijde gestelde bewijsmateriaal toch aan de uiteindelijke veroordeling ten grondslag leggen.