Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer
Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/15.8.5:15.8.5 Conclusie
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/15.8.5
15.8.5 Conclusie
Documentgegevens:
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232811:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hiervoor zijn meerdere denkbare oplossingen besproken voor het probleem dat de erfgenamen belasting moeten betalen, terwijl zij mogelijk geen beschikking krijgen over middelen om deze belasting uit te voldoen. Aan al deze oplossingen zijn voor- en nadelen verbonden, maar één aspect is universeel: de vraag of de erfgenamen gelijk behandeld worden en – in het verlengde daarvan – de vraag in hoeverre dat noodzakelijk is. Een eventuele ongelijke behandeling wordt veroorzaakt doordat een erfgenaam meer belasting verschuldigd is dan een andere. Dit kan veroorzaakt worden doordat reeds sprake is van meer eigen inkomsten of vermogen bij een erfgenaam, als gevolg waarvan aan hem toegerekend inkomen of vermogen tegen een hoger effectief tarief belast wordt. Of er kan sprake zijn van een fictieve verkrijging op grond van de Successiewet, waarbij ter zake van de erfgenamen niet steeds hetzelfde tarief en/of dezelfde vrijstelling van toepassing is.
Vraag is in hoeverre het redelijk is om rekening te houden met dergelijke verschillen. Enerzijds kan gezegd worden dat alle erfgenamen een even grote bruto-uitkering zouden moeten krijgen, die dus geen rekening houdt met hun persoonlijke verschillen. Anderzijds kan men betogen dat de erfgenamen niet gekozen hebben voor het APV en de daarmee samenhangende fiscale gevolgen en dat zij daarom volledig voor het daarmee samenhangende “belastingnadeel” gecompenseerd moeten worden. Mijn voorkeur gaat uit naar de laatste benadering, mede in aanmerking nemend dat het APV helemaal niet tot doel hoeft te hebben om alle erfgenamen strikt gelijk te behandelen. Bij een wettelijke regeling zou ik de inkomstenbelasting dan ook in aanmerking willen nemen aan de top van het tarief. Bij een regeling die de inbrenger zelf treft in de beheersregeling van het APV kan deze uiteraard zijn eigen keuze maken en hetzelfde geldt voor een vergoeding op initiatief van het APV zelf.
De verschillende oplossingsrichtingen overziend, heeft het mijn voorkeur dat een verhaalsrecht voor de erfgenamen wordt opgenomen in de wet. Hiervoor is geen grote inbreuk op het huidige wettelijke systeem vereist, terwijl voor de erfgenamen van ieder APV een oplossing bereikt wordt. Zij zijn daarmee niet meer afhankelijk van wat de inbrenger geregeld heeft. Bij gebreke aan een dergelijke regeling zou de inbrenger mijns inziens een regeling moeten treffen in de beheersregeling van het APV, waarbij het de wetgever zou sieren als, indien hij niet bereid is om in een verhaalsrecht te voorzien, dan ten minste te regelen dat een dergelijke verplichte vergoeding door het APV niet als zodanig tot aanvullende heffing leidt. Overigens heeft een regeling op het niveau van het APV mijns inziens ook meerwaarde naast een verhaalsrecht: waar de bestuurder van het APV wellicht niet bereid zal zijn om een betaling te doen aan de erfgenaam uit hoofde van het verhaalsrecht, zou ik verwachten dat nakoming van een rechtstreekse aan het APV opgelegde verplichting wel plaats zal vinden.