Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/3.3.2
3.3.2 Het relativiteitsvereiste als vehikel voor diverse algemene grenzen aan aansprakelijkheid
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS583941:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
HR 16 februari 1973,NJ 1973/463 m.nt. L.J. Hijmans van den Bergh (Maas/Willems). Zie ook HR 24 januari 1936,NJ 1936/427 m.nt. E.M. Meijers (Everts/Van Krimpen); HR 4 januari 1963,NJ 1964/434 m.nt. G.J. Scholten (Scholten/Scholtens Aardappelmeelfabriek) en HR 23 februari 2007,NJ 2008/492 m.nt. J.B.M. Vranken (Io Vivat).
Zie § 2.7.4.
Asser-Rutten 4-III 1983, p. 143, 144.
Bloembergen 1993, p. 144.
Men placht naar Latijnse adagia te verwijzen – zie bijvoorbeeld Keirse 2003, p. 12; Vranken in zijn annotatie bij HR 23 februari 2007,NJ 2008/492 (Io Vivat); Haazen 2009, p. 829 e.v.; Keirse & Paijmans 2017, p. 207 e.v. – die, zoals ook wordt onderkend, wel een zekere zeggingskracht hebben maar onscherp, en vooral te ruim, zijn. Weinrib 1976, p. 28 waarschuwt mijns inziens terecht, naar aanleiding van de formule ‘ex turpi causa non oritur actio’ (op een onzedelijke grondslag kan geen actie worden gebaseerd), “The very facility of applying an apparently adaptable and intuitively appealing formula to different situations may obscure the particular considerations appropriate to each context.”
Zie nader nr. 540.
Zie bijvoorbeeld Fruytier 2016, 152 e.v. voor een nadere uitwerking van het belang van de ratio van deze twee kwalitatieve aansprakelijkheden voor deze uitkomst.
Asser/Sieburgh 6-II 2017, nr. 40 wijst er mijns inziens terecht op dat de uitsluiting van vergoedbaarheid van schade in een niet-rechtmatig belang zich zowel in het relativiteitsvereiste als in het toerekeningsvereiste laat inbedden. Lindenbergh 2014, nr. 46 wijst niet ten onrechte erop dat het ontbreken van een aanspraak niets van doen heeft met het door art. 6:98 BW genoemde “verband” tussen schade en “de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust”. Niettemin ontkomt men er mijns inziens niet goed aan om in ons wettelijk systeem het toerekeningsvereiste te gebruiken om een aanspraak op vergoeding van de door een wanprestatie veroorzaakte schade in een niet-rechtmatig belang af te snijden.
Bloembergen 1965, nr. 22. Deze opvatting schuurt met Bloembergens in nr. 117 geciteerde opvatting, uit een geheel ander deel van zijn proefschrift, dat het tovenarij is wanneer we zeggen dat een norm niet strekt tot bescherming tegen bepaalde schade terwijl deze beslissing in werkelijkheid niet is genomen op grond van een door middel van interpretatie blootgelegde strekking van de norm.
Hofmann/Drion & Wiersma 1959, p. 137.
Zie bijvoorbeeld de genuanceerde benadering in geval van ‘zwarte’ nevenactiviteiten in HR 24 november 2000,NJ 2001/195 m.nt. A.R. Bloembergen (‘Zwarte’ neveninkomsten) en de door Bloembergen geopperde achterliggende gedachtegang. Zie voor een andere situatie waarin het niet redelijk zou zijn om geen aanspraak op vergoeding van schade in een niet-rechtmatig belang te geven: HR 6 februari 1987,NJ 1988/926 m.nt. M Scheltema (Den Haag/Aral). In het geval het voordeel door een schuldenaar wordt verkregen door tekortschieten in de nakoming van een verbintenis uit overeenkomst jegens de schuldeiser niet zijnde de laedens, ligt de situatie ook minder eenduidig, zie bijvoorbeeld HR 22 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6104 (Handelskwekerij B&L/Green Works International) en Lindenbergh 2011, p. 255, 256 en Lindenbergh 2014, nr. 46.
Parl. Gesch. Boek 6, p. 633 (T.M.).
De situatie waarin de schade van de gelaedeerde niet van het soort is of op een wijze is ontstaan waartegen de geschonden norm beoogde te beschermen wordt volgens de driemanschapstoelichting niet opgelost met het jegensvereiste maar met het ontwerp voor wat art. 6:163 BW geworden is, zie hierover § 2.6.2.
Parl. Gesch. Boek 6, p. 633 (T.M.).
Parl. Gesch. Boek 6, p. 633 (T.M.).
Zie nader § 5.3.3. In navolging van het in de Duitse doctrine gemaakte onderscheid tussen Schutzzweck en Schutzbereich; zie hierover nader bijvoorbeeld Deutsch 1995, p. 195.
Anders Den Hollander 2016, p. 169 t/m 253.
Zie nader nr. 276.
Zie nader nr. 279.
Zie nader § 6.3.5.
Vgl. hierover ook Bloembergen 1965, nr. 120 die ook heeft betoogd dat dit onderscheid dient te worden gemaakt en dat “(…) heel goed mogelijk [is], dat de norm wel geschreven is ter bescherming van het getroffen belang, maar dat desondanks de gelaedeerde geen vordering toekomt [omdat aan de overtreding van de norm niet het rechtsgevolg is verbonden dat een verbintenis uit onrechtmatige daad ontstaat]”.
Vgl. Di Bella 2014, p. 135 t/m 137 die schrijft dat het oordeel van de Hoge Raad “niet logisch” is.
Welke omstandigheden in dit verband van belang zijn en hoe hierover dient te worden geoordeeld, behandel ik nader in hoofdstuk 5.
Van Nispen 1978, nr. 96; Bloembergen 1987b, p. 632, 633; Nieuwenhuis 1987b, p. 148.
Zie Van Nispen 1978, nr. 97 die de laatste formulering zuiverder vindt.
HR 18 augustus 1944, NJ 1944/45/598 (Alkmaar/Noord-Holland). De Hoge Raad oordeelde dat de door art. 1401 (oud) BW geboden bescherming zich ook “uitstrekt tot maatregelen van preventie voor het geval ernstig dreigt, dat onrecht staat te geschieden”.
Naar ik meen is tegenwoordig het beroep op het ontbreken van een art. 3:303 BW-belang niet langer een exceptief verweer, maar een verweer ten gronde, zodat het slagen van dit verweer, anders dan in HR 18 februari 1994,NJ 1995/718 m.nt. M. Scheltema (Staat/Kabayel) geoordeeld, niet leidt tot niet-ontvankelijkheid, maar tot ontzegging van de vordering; zie HR 9 juli 2010,NJ 2010/403 (Engineering Design Documentation Services/Electronic Data Systems Corporation).
In HR 31 maart 2003,NJ 2003/360 (Landelijk instituut sociale verzekeringen/D.) oordeelde de Hoge Raad dat de kosten gemaakt voor de opsporing van fraude van een werknemer met het uitbetalen van sociale premies niet gold als schade in de zin van art. art. 6:96 lid 2 onder b BW (redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid) omdat anders de publiekrechtelijke regelgeving waarop de bevoegdheid tot opsporing van premiefraude berust onaanvaardbaar zou worden doorkruist.
HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1899 (X/Gilze en Rijen), rov. 3.4.1. Zie ook: HR 2 december 1994,NJ 1995/288 m.nt. J.M.M. Maeijer (Poot/ABP), rov. 3.4.3; HR 15 juni 2001,NJ 2001/573 m.nt. J.M.M. Maeijer (Chipshol), rov. 3.4.2 en HR 16 februari 2007,NJ 2007/256 m.nt. J.M.M. Maeijer (Tuin Beheer), rov. 3.3.c.
In deze zin ook Van Schilfgaarde 1997, p. 3 e.v.; Van Maanen 2000, p. 798; Van der Wiel 2005, p. 11. Kroeze 2004, p. 50 e.v. toont zich over deze dogmatische inbedding minder enthousiast en wijst er daarbij op dat in deze gevallen van afgeleide schade “in het geheel geen sprake” is van de interpretatie van een concrete norm. Het hanteren van de relativiteitsleer is volgens hem “veeleer een dogmatisch excuus bij gebrek aan beter dan toepassing van artikel 6:163 BW”. Kroeze signaleert mijns inziens terecht dat de hier van belang zijnde grens niet door interpretatie van de geschonden norm wordt gevonden. Kroeze ziet er hierbij echter aan voorbij dat, zoals uit mijn bespreking in § 3.3 blijkt, de relativiteitsleer ook wordt gebruikt om allerlei algemene grenzen aan aansprakelijkheid tot uitdrukking te brengen die niet worden gevonden door interpretatie van de geschonden norm.
Onder meer wordt erop gewezen dat crediteuren van de vennootschap hierdoor kunnen worden benadeeld, dat inbreuk kan worden gemaakt op de rangorde tussen aandeelhouders onderling en dat chaotische verhaalssituaties kunnen ontstaan. Zie hierover bijvoorbeeld Du Perron 1995, p. 52 e.v.; Kroeze 2004, p. 37 e.v.; Kroeze 2012, p. 33; Timmerman 2013, p. 116, 117.
Zie daarover nader nr. 529. Ik laat buiten beschouwing onder welke omstandigheden een aandeelhouder een verbod of bevel in verband met een dreigende onrechtmatige daad zou kunnen vorderen of aanspraak zou kunnen maken op schadevergoeding in natura (art. 6:103 BW) in die zin dat de laedens de schade aan de vennootschap vergoedt.
Zie nader nr. 712.
Kroeze 2004, p. 51, 52.
Kroeze 2004, p. 52 acht mede om deze reden, zo begrijp ik, het relativiteitsvereiste geen gelukkige inbedding voor de problematiek van de afgeleide schade.
Inleiding
120. Het relativiteitsvereiste wordt gebruikt om diverse algemene grenzen aan aansprakelijkheid tot uitdrukking te brengen die niet volgen uit een gebleken met de geschonden norm beoogde bescherming. In het navolgende bespreek ik achtereenvolgens de grens aan aansprakelijkheid die geldt in het geval van een in pari delicto verkerende gelaedeerde, van schade in een niet-rechtmatig belang, van een niet-privaatrechtelijk gesanctioneerde wettelijke norm, van doorkruising van het publiekrecht, van afgeleide schade van een aandeelhouder en van afgeleide schade van een schadeverzekeraar.
De in pari delicto verkerende gelaedeerde
121. In de in-pari-delicto-situaties heeft de gelaedeerde zich door zijn eigen gedrag aan de bescherming van de door de laedens geschonden norm onttrokken. Onderscheid dient mijns inziens te worden gemaakt, zoals ik in nr. 539 nader bespreek, tussen twee gevaltypen. In de eerste plaats is er het gevaltype waarin de gelaedeerde met een normschendende gedraging tamelijk dwingend aanleiding geeft voor het door de laedens plegen van een onrechtmatige daad. In de tweede plaats is er het gevaltype waarin de gelaedeerde dezelfde norm heeft geschonden als die hij de laedens verwijt geschonden te hebben.
Een situatie van het eerste type deed zich bijvoorbeeld voor in Taams/Boudeling.1 Taams bracht Boudeling met langdurig getreiter ertoe hem een klap te geven. De Hoge Raad oordeelde dat geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting ‘s hofs oordeel “dat het gedrag van Boudeling – howel het geven van een klap in beginsel een onrechtmatige daad opleverde – zozeer is uitgelokt door het gedrag van Taams dat het gedrag van Boudeling tegenover Taams niet onrechtmatig was” (rov. 3.2 en 3.3).
Van een situatie van het tweede type was bijvoorbeeld sprake in Maas/Willems.2 Willems vorderde van haar concurrent Maas schadevergoeding op de grond dat deze in strijd met de wet te lage vervoerstarieven rekende. De Hoge Raad oordeelde “dat, indien waar is dat, zoals Maas heeft gesteld, ten tijde van het ten processe bedoelde vervoer de door Maas gevolgde wijze van berekening van de vrachtprijs in geval van samenlading onder de internationale goederenvervoerders, waaronder Willems, algemeen gangbaar was, niet kan worden gezegd dat Maas zich door de overtreding van dat voorschrift tegenover Willems onbehoorlijk zou hebben gedragen; dat immers in dat geval die vervoerders, waaronder Willems, door zich niet aan het wettelijk tariefvoorschrift te houden, zich op grond van hun eigen gedrag zouden hebben onttrokken aan de privaatrechtelijke bescherming welke zij, voor zover zij zich daar wel aan plachten te houden, aan dat voorschrift op grond van art. 1401 BW tegenover de overtreder hadden kunnen ontlenen”.
Naar vaste rechtspraak wordt in dergelijke in-pari-delicto-situaties geoordeeld dat de laedens niet jegens de gelaedeerde onrechtmatig heeft gehandeld en de geschonden norm niet strekt tot bescherming van de gelaedeerde tegen de schade zoals door hem geleden.3 Uit een gebleken bedoeling met de geschonden norm volgt deze grens naar mijn mening niet. In de literatuur is dit ook herhaaldelijk gesignaleerd.
Meijers schreef in zijn annotatie bij Everts/Van Krimpen,4 waarin de Hoge Raad oordeelde dat een handeling in strijd met de wet niet een onrechtmatige daad is jegens een concurrent die zich aan een gelijke overtreding heeft schuldig gemaakt: “Hoe komt de Hooge Raad tot deze beperking? Uit de strekking der bepaling, zooals zij in de Memorie van Toelichting ontwikkeld is, zeker niet.” Zoals in nr. 105 besproken, werd in de memorie van antwoord bij het gewijzigd ontwerp, onder verwijzing naar Maas/Willems5 onderkend dat de strekking van de norm soms niet volgt uit een gebleken bedoeling van de wetgever.6 Rutten betoogde dat de begrenzing van aansprakelijkheid in in-pari-delicto-situaties, en ook in het geval van de hierna nog te bespreken schade in een niet-rechtmatig belang, niet thuishoorden in de relativiteitsleer, maar in de daarvan te onderscheiden, in nr. 137 te bespreken, leer van de door art. 1401 (oud) BW beschermde belangen. Op deze manier bracht hij tot uitdrukking dat deze grenzen niet uit de geschonden norm volgden, maar golden voor aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad in het algemeen.7 Ook Bloembergen heeft, geruime tijd na het verschijnen van zijn dissertatie, geschreven dat in het geval van een in pari delicto verkerende gelaedeerde “interpretatie van de overtreden norm niets [oplevert]”.8 Vranken noemt in zijn annotatie bij Io Vivat9 het beroep op het ontbreken van relativiteit “nogal kleurloos” en onderstreept daarmee impliciet dat geen sprake is van een begrenzing van aansprakelijkheid die volgt uit een met de geschonden norm gebleken bedoeling.
122. Voor het scherp onder woorden brengen hoe deze begrenzing van aansprakelijkheid zich laat rechtvaardigen, bestaat in onze literatuur geen overvloedige belangstelling.10Grosso modo is wel ongeveer duidelijk waar het om gaat. Het spreekt min of meer vanzelf dat het niet redelijk zou zijn wanneer degene die een ander een onrechtmatige daad laat plegen of daartoe tamelijk dwingend aanleiding geeft, en ten gevolge van die onrechtmatige daad zelf schade lijdt, zich erop zou kunnen beroepen dat de ander een onrechtmatige daad heeft gepleegd: de gelaedeerde heeft dat immers zelf teweeggebracht. De ratio van de begrenzing ligt in dit eerste gevaltype in overwegingen die samenhangen met de ratio van de begrenzing van aansprakelijkheid in het geval van overmacht aan de zijde van de laedens en de ratio van de begrenzing bij eigen schuld van de gelaedeerde. In het tweede gevaltype, waarin de gelaedeerde dezelfde norm heeft geschonden als hij de laedens verwijt geschonden te hebben, ligt de rechtvaardiging voor het afsnijden van de aanspraak op schadevergoeding van de gelaedeerde erin dat hij zelf de door de laedens geschonden norm op een zodanige wijze niet serieus heeft genomen, dat het inconsistent en onredelijk zou zijn om de gelaedeerde de mogelijkheid te geven de laedens op schending van die norm aan te spreken.11
123. Beide grenzen zijn niet absoluut: het hangt steeds van de omstandigheden van het geval af of voldoende reden bestaat om de in pari delicto verkerende gelaedeerde zijn aanspraak te ontzeggen. Niet elk door de gelaedeerde aanleiding geven tot het plegen van een onrechtmatige daad door de laedens, rechtvaardigt om de gelaedeerde zijn aanspraak op schadevergoeding geheel te ontzeggen: op enig moment is nog slechts gerechtvaardigd om door middel van de eigen schuldfiguur de aanspraak van de gelaedeerde te beperken.12 Ook niet elk overtreden door de gelaedeerde van een norm maakt dat hij de laedens niet meer kan aanspreken op het schenden van dezelfde norm, met name niet wanneer de laedens deze norm meer verwijtbaar of op grotere schaal heeft geschonden.13
124. In Hangmat14 en Manegepaard Imagine,15 waarin in-pari-delicto-achtige problematiek speelde in het kader van kwalitatieve aansprakelijkheden, heeft de Hoge Raad uitdrukkelijk geoordeeld dat beslissend is welk beschermingsbereik het “meest redelijk” moet worden geacht.
In Hangmat lag de vraag voor of de ene bezitter van een ingestorte opstal de andere bezitter kon aanspreken voor daardoor veroorzaakte personenschade. De Hoge Raad oordeelde: “De kernvraag is of het recht bescherming behoort te verlenen aan degene die, hoewel de aansprakelijkheid van art. 6:174 niet is gebaseerd op overtreding van enigerlei gedragsnorm, zelf in zekere zin medeverantwoordelijk geacht kan worden voor de gebrekkige opstal.” Vervolgens oordeelde hij: “Bij de geschetste stand van zaken, waarbij de wetgever (…) aansprakelijkheid [van de medebezitter] niet heeft uitgesloten, hangt de te maken keuze af van wat naar maatschappelijke opvattingen, in aanmerking genomen de belangen van de benadeelde, de bezitter en de aansprakelijkheidsverzekeraar, het meest redelijk moet worden geacht als reikwijdte van art. 6:174.” (rov. 3.4.3) Dit bracht de Hoge Raad tot de slotsom dat het beschermingsbereik van de kwalitatieve aansprakelijkheid voor een opstal (art. 6:174 BW) ook de medebezitter omvat, met dien verstande dat de gelaedeerde medebezitter het gedeelte van zijn schade dat correspondeert met zijn bezitspercentage in ieder geval zelf dient te dragen. In Manegepaard Imagine kwam de Hoge Raad voor de kwalitatieve aansprakelijkheid voor dieren (art. 6:179 BW) tot een tegengesteld oordeel: de medebezitter van het dier valt niet binnen het beschermingsbereik. In deze zaken raken overigens redelijkheidsoverwegingen die samenhangen met de in-pari-delicto-gedachte verweven met ratio en grondslag van de kwalitatieve aansprakelijkheid;16 zo laten zich de tegengestelde uitkomsten ook verklaren.17 Hier is van belang dat de Hoge Raad de redelijkheid beslissend achtte voor de omvang van het beschermingsbereik.
125. De bijzondere reden om in in-pari-delicto-situaties aansprakelijkheid te begrenzen, dient onderscheiden te worden van de vraag of blijkt dat met de geschonden norm niet bedoeld is om bepaalde personen, tegen bepaalde schade en bepaalde wijzen van ontstaan te beschermen. Het kan namelijk zo zijn dat, of de gelaedeerde nu wel of niet in pari delicto verkeerde, met de geschonden norm überhaupt niet bedoeld was hem te beschermen tegen de door hem geleden schade en/of de wijze waarop die schade is ontstaan.
126. Op grond van het voorgaande concludeer ik, dat in de situatie van een in pari delicto verkerende gelaedeerde de begrenzing van aansprakelijkheid niet volgt uit een gebleken bedoeling met de geschonden norm. Deze begrenzing volgt uit andere omstandigheden die maken dat het niet redelijk zou zijn om de gelaedeerde een aanspraak te geven. Omdat de grens niet absoluut is, is voor de begrenzing van aansprakelijkheid uiteindelijk beslissend of, gelet op de omstandigheden van het geval, een redelijke begrenzing van aansprakelijkheid wordt verkregen.
Schade in een niet-rechtmatig belang
127. Mogelijk is dat de gelaedeerde nadeel ondervindt door de beschadiging van een hem toebehorende maar verboden zaak of dat hij een voordeel misloopt dat hij zonder de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis in strijd met de wet zou hebben verkregen.
Te denken valt bijvoorbeeld aan het ten gevolge van een onrechtmatige daad door de gelaedeerde verliezen van door de Opiumwet verboden verdovende middelen.
In deze situaties is in beginsel sprake van schade in een niet-rechtmatig belang. De gelaedeerde heeft geen aanspraak op vergoeding daarvan. Men zegt dan dat normen niet strekken tot bescherming van schade in een niet-rechtmatig belang.18 Ingeval op grond van wanprestatie vergoeding wordt gevorderd van schade in een niet-rechtmatig belang, ligt naar mijn mening voor de hand deze aanspraak in het toerekeningsvereiste af te snijden.19
128. Ook hier wordt de strekking van de geschonden norm niet afgeleid uit een subjectieve bedoeling van de wetgever. Bloembergen schreef hierover in zijn dissertatie:
“En nu zou men kunnen zeggen, dat een norm nimmer strekt tot bescherming tegen niet-rechtmatige schade. Wij zouden hier dan als het ware te doen hebben met een algemene aan de beschermingsomvang van normen gestelde beperking.”20
Naar ik meen, is de ratio van de gevonden begrenzing de volgende. Met het absolute verbod om een zaak aanwezig te hebben, laat zich niet verenigen dat het recht tot vergoeding van de waarde van deze zaak zou verplichten, indien zij door een aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis wordt beschadigd. Evenmin laat zich met het verbod om een bepaalde activiteit te verrichten, verenigen dat het recht tot vergoeding van de met deze activiteit te behalen voordelen zou verplichten, indien de gelaedeerde deze voordelen vanwege een aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis misloopt. H. Drion heeft dit voor aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad kernachtig uitgedrukt:
“Art. 1401 [oud BW] kan niet worden ingeroepen om onwettige toestanden te sanctioneren.”21
129. Evenmin als bij de in-pari-delicto-gevallen is sprake van een absolute regel. Soms kan toch (ten dele) aanspraak worden gemaakt op een voordeel dat zonder de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis in strijd met het recht zou zijn verkregen.22
130. De bijzondere reden om aansprakelijkheid in het geval van schade in een niet-rechtmatig belang te begrenzen, dient verder onderscheiden te worden van de vraag of blijkt dat met de geschonden norm niet bedoeld is om bepaalde personen, tegen bepaalde schade en bepaalde wijzen van ontstaan te beschermen. Het kan namelijk zo zijn dat, of het belang waarin de gelaedeerde schade heeft geleden nu wel of niet rechtmatig is, met de geschonden norm überhaupt niet bedoeld was hem te beschermen tegen het soort schade zoals geleden en/of de wijze waarop de schade was ontstaan.
131. Mijn conclusie is, dat de grens aan aansprakelijkheid in het geval van schade in een niet-rechtmatig belang, niet volgt uit een gebleken bedoeling met de geschonden norm. Omdat geen sprake is van een absolute grens, is voor de begrenzing van aansprakelijkheid uiteindelijk beslissend of, gelet op de omstandigheden van het geval, een redelijke begrenzing van aansprakelijkheid wordt verkregen.
Norm niet privaatrechtelijk gesanctioneerd
132. Niet aan elke wettelijke norm is voor belanghebbenden de aanspraak op nakoming en, in het geval van de schending van die norm, de aanspraak op schadevergoeding gekoppeld. In de driemanschapstoelichting wordt bij het ontwerp voor wat art. 6:163 BW is geworden, hierover het volgende naar voren gebracht.
“In verschillende opzichten kan uit de strekking van het overtreden wetsvoorschrift voortvloeien, dat degene die de daarin genoemde plicht schendt niet een onrechtmatige daad pleegt jegens [de gelaedeerde]. Vooreerst bestaat de mogelijkheid [dat de gelaedeerde niet behoort tot de groep personen die met het wetsvoorschrift beoogd is te beschermen]. Voorts kan de strekking van de overtreden wetsbepaling meebrengen, dat daarin niet rechtstreeks tegenover de terzake belanghebbenden een plicht wordt opgelegd, waarvan schending tegenover hen een onrechtmatige daad oplevert, omdat de bepaling in het geheel niet voor de belanghebbenden een aanspraak op de voorgeschreven gedraging wil vestigen.”23
In het kader van de vraag of jegens de gelaedeerde onrechtmatig is gehandeld, wordt in de driemanschapstoelichting aldus een tweetal problemen onderscheiden. In de eerste plaats kan het volgens de driemanschapstoelichting zo zijn dat de gelaedeerde niet behoort tot de groep van personen die met het wetsvoorschrift beoogd is te beschermen.24 In de tweede plaats kan het zo zijn dat de bedoeling niet is om “belanghebbenden” aanspraak te geven op gedrag conform dat wetsvoorschrift. Volgens de driemanschapstoelichting kan in dit laatste geval zo’n belanghebbende niet een rechterlijk gebod onder dwangsom tot naleving van dat wetsvoorschrift verkrijgen en kan hij evenmin een aanspraak op schadevergoeding doen gelden in het geval van de overtreding van dat wetsvoorschrift.25 Volgens de toelichting is van wetsvoorschriften van dit laatste soort veelal sprake bij publiekrechtelijke voorschriften die verplichtingen van bepaalde overheidsorganen omschrijven, maar kan dit ook gelden voor wetsvoorschriften die aan burgers plichten opleggen.26
133. In de meer recente literatuur wordt in het kader van het relativiteitsvereiste onderscheiden tussen het beschermingsdoel van een norm en de beschermingsomvang van die norm.27 Bij het beschermingsdoel gaat het om de vraag of de schending van een norm überhaupt wel de schadevergoedingsremedie kan activeren. Bij de beschermingsomvang gaat het om de vraag welke personen door de norm beschermd zijn en tegen welke soort schade en welke wijzen van ontstaan de beoogde bescherming zich uitstrekt. Doorgaans spreekt mijns inziens bij buitencontractuele normen vanzelf dat zo’n norm de schadevergoedingsremedie kan activeren en gaat het bij de toepassing van het relativiteitsvereiste alleen nog om de bepaling van de beschermingsomvang.28 Slechts in uitzonderingsgevallen is niet bedoeld om belanghebbenden een aanspraak te geven op gedrag conform de norm en komt daarmee het beschermingsdoel aan de orde.
Ik geef twee voorbeelden waarin dit laatste zich voordoet. In de situatie waarin een bestuursorgaan in strijd met haar uit art. 4:13 Awb en art. 7:10 Awb voorvloeiende wettelijke plicht niet binnen de voorgeschreven termijn een besluit neemt, geldt naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat met het schenden van de wettelijke verplichting nog geen onrechtmatige daad is gepleegd. Noodzakelijk is daarvoor naar het oordeel van de Hoge Raad dat tegenover de aanvrager van het besluit in strijd is gehandeld met hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.29 De reden dat het in strijd handelen met een wettelijke plicht aldus niet privaatrechtelijk wordt gesanctioneerd, is mijns inziens dat genoemde verplichtingen exclusief bestuursrechtelijk gesanctioneerd zijn door de dwangsommenregeling en door de mogelijkheid om tegen een niet-tijdig genomen besluit bezwaar te maken en in beroep te gaan. Het tevens privaatrechtelijk sanctioneren van deze verplichting laat zich daarmee in beginsel niet goed verenigen. Hoewel de Hoge Raad oordeelt dat de schending van een wettelijke plicht überhaupt niet onrechtmatig is, en niet oordeelt dat de normschending niet jegens de aanvrager van het besluit onrechtmatig is, meen ik dat zich hier de situatie voordoet dat niet bedoeld is om voor de belanghebbenden een privaatrechtelijke aanspraak op de voorgeschreven gedraging te vestigen.30
Ook in de situatie waarin een overheidslichaam een taak in het algemeen belang heeft, kan het zo zijn dat niet bedoeld is belanghebbenden tegenover dat overheidslichaam een aanspraak te geven op gedrag conform de norm. Een dergelijke situatie deed zich voor in Duwbak Linda.31 Het kapseizen van Duwbak Linda veroorzaakte schade aan enkele andere schepen. De eigenaar van die andere schepen sprak de Staat aan op de grond dat ten onrechte vanwege de Staat een keuringscertificaat in de zin van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1976 aan de stokoude en onveilige duwbak was afgegeven en dat, indien het keuringscertificaat niet zou zijn afgegeven, de schade niet zou zijn ontstaan. De Hoge Raad onderkende dat de geschonden normen beoogden “het voorkomen van ongevallen als gevolg van ondeugdelijkheid van de aan het Rijnvaartverkeer deelnemende vaartuigen, waarvoor het certificaat van onderzoek is vereist”, maar oordeelde niettemin dat de geschonden normen “niet strekken tot bescherming tegen vermogensschade zoals die welke [de scheepseigenaar] stelt te hebben geleden” (rov. 3.4.2). Deze op het eerste gezicht merkwaardige discrepantie tussen de door de norm beoogde bescherming en haar strekking laat zich mijns inziens verklaren door te zeggen dat wel beoogd is om te beschermen tegen schade zoals door de scheepseigenaar geleden, maar niet bedoeld is om zo’n scheepseigenaar aan de geschonden norm een aanspraak te laten ontlenen en daarom de geschonden norm niet strekt tot bescherming van de door de scheepseigenaar geleden schade.32
Het staat de wetgever op zichzelf volkomen vrij om te bepalen dat een bepaalde gedragsnorm niet privaatrechtelijk wordt gesanctioneerd. Doorgaans is van een uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever hieromtrent echter geen sprake. Soms kan zo’n bedoeling tot op zekere hoogte worden geconstrueerd uit de wetssystematiek. De functie en sanctionering binnen het bestuursrecht van de in art. 4:13 Awb en art. 7:10 Awb neergelegde verplichting van een bestuursorgaan om binnen de voorgeschreven termijn een besluit te nemen, doen minder voor de hand liggen dat bedoeld is dat deze bepalingen tegelijkertijd privaatrechtelijk zijn gesanctioneerd. Geen sprake is mijns inziens echter van een dwingende consequentie. In de situatie waarin aan een overheidsinstantie een bijzondere, positieve verplichting is opgelegd teneinde het leven van burgers veiliger te maken, kan mijns inziens zeer goed in twijfel worden getrokken of wel bedoeld is om belanghebbenden een aanspraak op gedrag conform die norm te geven en op schadevergoeding in het geval van schending van die norm. Maar ook dan behoeft er geen sprake te zijn van een blijkende, doorslaggevende bedoeling hieromtrent.33
134. De bijzondere reden om in deze situaties aansprakelijkheid te begrenzen dient, zoals ook in de driemanschapstoelichting naar voren komt, onderscheiden te worden van de vraag of blijkt dat met de geschonden norm niet bedoeld is om bepaalde personen, tegen bepaalde schade en bepaalde wijzen van ontstaan te beschermen. Zoals uit Duwbak Linda blijkt, kan het wel zo zijn dat met de geschonden norm beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden, maar niettemin niet bedoeld is om belanghebbenden een aanspraak op schadevergoeding te geven.34 Indien men deze twee relativiteitsproblemen niet scherp zou onderscheiden, is de door de Hoge Raad bereikte uitkomst tamelijk merkwaardig.35
135. Ondanks dat de driemanschapstoelichting de terminologie gebruikt of bedoeld is om belanghebbenden aanspraak te geven op gedrag conform de norm, is hier doorgaans niet de werkelijke bedoeling van de wetgever beslissend. Doorgaans blijkt namelijk de bedoeling van de wetgever hieromtrent niet. Mijns inziens is om deze reden beslissend of, gelet op de omstandigheden van het geval, in deze gevallen een redelijke begrenzing van aansprakelijkheid wordt verkregen.36
Doorkruising van een publiekrechtelijke regeling door gebruik van het privaatrecht
136. Het publiekrecht kan onaanvaardbaar worden doorkruist indien een overheidsinstantie door middel van het privaatrecht de door art. 6:162 BW geïmpliceerde rechtsplichten zou kunnen afdwingen en/of aanspraak zou kunnen maken op schadevergoeding ingeval zo’n rechtsplicht wordt geschonden. Het relativiteitsvereiste wordt gebruikt om aanspraken van de overheid af te snijden en zo een doorkruising van het publiekrecht te voorkomen.
137. De ontwikkeling van de dogmatiek op dit gebied is enigszins merkwaardig. In Bedrijfschap/Klomp37 oordeelde de Hoge Raad in verband met de dreigende doorkruising van het publiekrecht dat de wetsovertreding van Klomp geen onrechtmatige daad was jegens het Bedrijfschap voor de Detailhandel in Aardappelen, Groenten en Fruit.
Klomp had in strijd met de Vestigingswet Bedrijven 1954 en het daarop gebaseerde Vestigingsbesluit Levensmiddelenbedrijven 1961, zonder de vereiste vergunning van het bedrijfschap gehandeld in aardappelen, groenten en fruit. Ter onderbouwing van zijn oordeel dat Klomp niet jegens het bedrijfschap onrechtmatig had gehandeld, oordeelde de Hoge Raad: “dat het vervolgingsbeleid bij overtreding van de bepalingen van de Vestigingswet Bedrijven 1954 of van haar uitvoeringsvoorschriften in de Wet op de economische delicten is toevertrouwd aan andere overheidsorganen dan de product- of bedrijfschappen, en dat het niet in de bedoeling van de wetgever kan hebben gelegen dat dit beleid zou kunnen worden doorkruist door ingrijpende maatregelen van privaatrechtelijke aard op initiatief van andere overheidsorganen dan die, welke door de wetgever met de zorg voor de naleving van de genoemde bepalingen zijn belast”.
De Hoge Raad leidt in het geciteerde oordeel fraai de bedoeling van de wetgever met de geschonden norm a contrario af uit de omstandigheid dat de wetgever het vervolgingsbeleid aan andere overheidsorganen heeft toevertrouwd en dat zou worden doorkruist door ingrijpende maatregelen van privaatrechtelijke aard. Dit doet overigens ook denken aan de in de vorige paragraaf besproken niet privaatrechtelijk gesanctioneerde normen. In de daar besproken gevallen was echter een norm steeds niet privaatrechtelijk gesanctioneerd, bijvoorbeeld omdat dit conflicteerde met de kennelijke bedoeling van de wetgever om de norm bestuursrechtelijk te sanctioneren. In de hier besproken gevallen is doorgaans aan een norm wel het privaatrechtelijk remediearsenaal verbonden, maar geldt dat als de overheid daarvan gebruik zou maken daarmee het publiekrecht zou worden doorkruist.
Tot een vergelijkbaar oordeel kwam de Hoge Raad enkele jaren laten in Limmen/Houtkoop.38 De Hoge Raad oordeelde in deze zaak, dat degene die een door de gemeente uitgevaardigde bouwverordening overtreedt, en dus onrechtmatig handelt, niet jegens de gemeente een onrechtmatige daad pleegt, omdat
“het algemene belang dat voor elk overheidslichaam is betrokken bij de naleving van de door dat lichaam uitgevaardigde wettelijke voorschriften op zich zelf niet behoort tot de belangen welke art. 1401 BW beoogt te beschermen”.
Deze uitspraak werd in de literatuur door diverse auteurs begrepen in het verlengde van Bedrijfschap/Klomp.39 Volgens deze auteurs beoogde de Hoge Raad in Limmen/Houtkoop de doorkruising van het publiekrecht te voorkomen: wanneer de gemeente de door haar uitgevaardigde verordeningen wil handhaven, dient zij daarvoor het bestuursrecht in te zetten en niet de met minder waarborgen omklede privaatrechtelijke weg te volgen van het vorderen van een bevel of verbod op grond van onrechtmatige daad. Om die reden leverde de overtreding van de bouwverordening geen onrechtmatige daad jegens de gemeente op.
Overigens waren er ook auteurs die het arrest in het perspectief plaatsten van de meer algemene kwestie welke belangen door art. 1401 (oud) BW, of door de normen waarvan de schending een onrechtmatige daad oplevert,40 worden beschermd.41 De vraag of sprake was van een belang dat door art. 1401 (oud) BW werd beschermd, rees indien een verbod werd gevorderd om een onrechtmatige daad te plegen of een bevel om het plegen van een onrechtmatige daad te staken. Voor de toewijsbaarheid van zo’n vordering werd niet steeds voldoende geacht dat zich laat vaststellen dat als degene die het bevel of verbod vordert ten gevolge van de onrechtmatige daad waarop de vordering ziet schade zou lijden, met de dan geschonden norm beoogd is diegene te beschermen tegen de schade zoals dan zou zijn geleden. Wanneer bijvoorbeeld geen enkele aanwijzing bestaat dat iemand een onrechtmatige daad zal plegen, kan namelijk onvoldoende reden bestaan om zo’n vordering toe te wijzen. Evenzo kan onvoldoende belang bestaan indien degene die een bevel of verbod vordert ten gevolge van zo’n daad zeker geen schade zou ondervinden (bijvoorbeeld wanneer een verbod wordt gevorderd dat een ander niet op de openbare weg zal rijden met een hogere snelheid dan toegestaan). Een criterium was daarom nodig om te bepalen wanneer hiertoe wel voldoende reden bestaat. In Alkmaar/Noord-Holland42 had de Hoge Raad hiertoe een aanzet gegeven door het vormen van een leer van door art. 1401 (oud) BW beschermde belangen: indien een onrechtmatige daad dreigde te worden gepleegd of werd gepleegd maar niet tot schade had geleid, kon slechts tegen deze daad geageerd worden indien sprake was van de schending van een door art. 1401 (oud) BW beschermd belang. Wanneer dat het geval was, kan hier verder in het midden blijven. Van belang is dat een onrechtmatige daad niet onrechtmatig was jegens degene die zich niet op zo’n door art. 1401 (oud) BW beschermd belang kon beroepen. Ook in dit perspectief werd Limmen/Houtkoop begrepen. Op de onder meer in Limmen/Houtkoop gestelde voorwaarde van een door art. 1401 BW beschermd belang, is de Hoge Raad in Staat/Kabayel43 teruggekomen. Het probleem onder welke omstandigheden in verband met een onrechtmatige daad een verbod of bevel kan worden gevorderd, werd daarin deels uit het relativiteitsvereiste gehaald en geplaatst in het belangvereiste van art. 3:303 BW.44
138. In Windmill45 heeft de Hoge Raad vervolgens de doorkruisingsleer geïntroduceerd. Wanneer aan de overheid in een regeling ter behartiging van bepaalde belangen publiekrechtelijke bevoegdheden zijn toegekend, rijst de vraag of de overheid ook privaatrechtelijke bevoegdheden ter behartiging van die belangen kan inzetten. Volgens de Windmill-formule geldt dat, wanneer de publiekrechtelijke regeling geen antwoord geeft op deze vraag, beslissend is
“of gebruik van de privaatrechtelijke bevoegdheden die regeling op onaanvaardbare wijze doorkruist”.
Deze leer geldt niet alleen voor de op een onrechtmatige daad te baseren aanspraken van de overheid maar voor elk gebruik door de overheid van aan het privaatrecht ontleende bevoegdheden.
Deze doorkruisingsleer heeft de Hoge Raad in Vlissingen/Rize Denizcilik46 van toepassing geoordeeld op situaties waarin een overheidsinstantie vanwege een onrechtmatige daad bepaalde kosten maakt bij de uitoefening van haar publieke taak en de vraag rijst of de overheidsinstantie aanspraak heeft op vergoeding daarvan. De doorkruisingsproblematiek doet zich verder ook voor wanneer een overheidsinstantie niet met behulp van het aansprakelijkheidsrecht bij de uitoefening van haar publieke taak gemaakte kosten wil verhalen, maar bij de uitoefening van die taak anderszins geleden schade. De Hoge Raad heeft hier, anders dan bij het kostenverhaal, niet uitdrukkelijk een doorkruisingsmaatstaf toepasselijk geoordeeld, maar toetst niettemin of het publiekrecht zou worden doorkruist indien de aanspraak op schadevergoeding zou worden toegelaten.
Illustratief is Staat/Lenger en Deloitte & Touche.47 De Staat leed een renteverlies door een onjuiste, te lage, belastingopgave. Met het onrechtmatigedaadsrecht probeerde de Staat dat verlies vergoed te krijgen. De Hoge Raad oordeelde dat de Staat deze aanspraak niet op het onrechtmatigedaadsrecht kon baseren omdat daarmee het in de Grondwet verankerde fiscale legaliteitsbeginsel (art. 104 Gw) zou worden doorkruist.
139. Hoewel de Hoge Raad in Bedrijfschap/Klomp en Limmen/Houtkoop uitdrukkelijk het relativiteitsvereiste gebruikte om de doorkruising van het publiekrecht te voorkomen, lijkt de Hoge Raad de doorkruisingsproblematiek in latere arresten te beschouwen als min of meer op zichzelf staand. Dat is niet zo vreemd, omdat de doorkruisingsproblematiek ook speelt als de overheid op andere wijzen van het privaatrecht gebruikmaakt, bijvoorbeeld overeenkomsten sluit. Incidenteel heeft de Hoge Raad deze doorkruisingsproblematiek, kennelijk omdat het zo uitkwam, ook wel uitdrukkelijk ingebed in het schadebegrip48 en in het toerekeningsvereiste.49 Bloembergen meende dat de Hoge Raad in dit soort zaken doorgaans impliciet de relativiteitsleer toepast.50 Lindenbergh heeft geschreven dat deze problematiek in de relativiteitsleer kan worden geplaatst.51 Het spreekt mij aan om het aan de overheid ontzeggen van een op een onrechtmatige daad gebaseerde aanspraak, in ieder geval in een van de wettelijke vereisten voor buitencontractuele aansprakelijkheid in te bedden.
140. Soms kan dadelijk uit de regeling van de publieke taak van de overheidsinstantie, of een daarmee verband houdende regeling, volgen dat een privaatrechtelijke aanspraak op schadevergoeding niet of juist wel mogelijk dient te zijn. Soms biedt echter de publiekrechtelijke regeling onvoldoende aanknopingspunten. De Hoge Raad heeft zich dat kennelijk ook gerealiseerd. Volgens de in Vlissingen/Rize Denizcilik gegeven maatstaf kunnen namelijk voor het antwoord op de vraag of sprake is van een onaanvaardbare doorkruising, naast de inhoud en strekking van de publiekrechtelijke regeling, ook van belang zijn de “de aard van de taak en de aard van de kosten”. In Staat/Lenger en Deloitte & Touche vormt niet zozeer de publiekrechtelijke regeling op grond waarvan de belastingdienst haar taak uitoefent, maar het fiscale legaliteitsbeginsel zoals neergelegd in art. 104 Gw, de reden om de overheidsinstantie een aanspraak op schadevergoeding te ontzeggen. In § 13.2 zal ik betogen dat publiekrechtelijke noties over redelijke kostenverdeling en normen voor behoorlijk bestuurshandelen hier beslissend kunnen zijn voor de vraag of een overheidsinstantie aan een door een burger gepleegde onrechtmatige daad een aanspraak op schadevergoeding kan ontlenen. Deze grens is verder niet absoluut: wanneer bijvoorbeeld wordt gehandeld met het oogmerk de overheid te benadelen, kan dat maken dat de aanspraak op schadevergoeding het publiekrecht niet meer onaanvaardbaar doorkruist.52
141. De bijzondere reden om aansprakelijkheid te begrenzen in het geval van de doorkruising van een publiekrechtelijke regeling dient onderscheiden te worden van de vraag of sprake is van een gebleken bedoeling om bepaalde personen, tegen bepaalde schade en bepaalde wijzen van ontstaan te beschermen. Indien bijvoorbeeld door onzorgvuldig rijden een aanrijding ontstaat en daarbij ook de openbare weg beschadigd raakt, spelen in het kader van het relativiteitsvereiste twee problemen. In de eerste plaats of het onzorgvuldig rijden en het daardoor veroorzaken van een aanrijding ook de eigenaar van de weg aanspraak kan geven op vergoeding van de kosten voor het herstel van de weg en in de tweede plaats of de overheid in verband met de doorkruisingsproblematiek op grond van onrechtmatige daad vergoeding van die kosten kan vorderen. Beide vragen dienen aan de hand van verschillende criteria te worden beantwoord.53
142. Mijn conclusie is, dat de besproken begrenzing voor het door de overheid door middel van het privaatrecht afdwingen van de door art. 6:162 BW geïmpliceerde rechtsplichten, niet volgt uit de bedoeling van de wetgever met de geschonden norm. Wel kan deze begrenzing volgen uit andere normen waarmee publiekrechtelijke bevoegdheden zijn toegekend, uit andere regelingen of, nog meer in het algemeen, uit noties van een redelijke kostenverdeling en noties van behoorlijk bestuurshandelen. Dat de hier besproken grens aan aansprakelijkheid niet volgt uit de bedoeling van de wetgever met de geschonden norm, wordt overigens nog onderstreept door het feit dat deze grens ook wel is ingebed in het schadebegrip en in het vereiste van toerekenbaarheid van de schade. Naar ik meen hangt het antwoord op de vraag of de door een aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis veroorzaakte schade aan de overheid dient te worden vergoed, uiteindelijk af van de omstandigheden van het geval en is beslissend of een redelijke begrenzing wordt verkregen.
Afgeleide schade van een aandeelhouder
143. Indien aan een vennootschap schade wordt toegebracht kunnen daardoor de aandelen in deze vennootschap minder waard worden en de houders van die aandelen ook schade lijden. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad geldt ter zake van de verhaalbaarheid van die afgeleide schade het volgende:54
“indien een derde aan een naamloze of besloten vennootschap vermogensschade toebrengt (…) door gedragingen die jegens de vennootschap onrechtmatig zijn, [heeft] alleen de vennootschap uit dien hoofde een vordering (…) tot vergoeding van deze aan haar toegebrachte schade. In beginsel komt aan één of meer houders van aandelen in de vennootschap niet een vordering toe tot vergoeding van schade bestaande in vermindering van de waarde van hun aandelen of gemiste koerswinst die het gevolg is van de vorenbedoelde (…) onrechtmatige gedraging van een derde jegens de vennootschap. Op deze regel kan een uitzondering worden gemaakt indien sprake is van een gedraging die specifiek onzorgvuldig is jegens de aandeelhouder. (…).”
In de literatuur wordt wel aangenomen dat deze kwestie in het relativiteitsvereiste wordt opgelost.55 De Hoge Raad formuleert de uitzondering op de door hem gegeven regel ook in termen van relativiteit.
144. Ter rechtvaardiging van deze begrenzing wordt in de literatuur doorgaans gewezen op een scala beleidsargumenten op grond waarvan het onwenselijk zou zijn indien de aandeelhouder aanspraak zou kunnen maken op vergoeding van zijn afgeleide schade.56 Naar ik meen, en in § 13.3 zal uitwerken, speelt bij het beantwoorden van de vraag of een aandeelhouder aanspraak dient te hebben op vergoeding van zijn afgeleide schade in de eerste plaats een doorkruisingsprobleem. Neemt men tot uitgangspunt dat de laedens de veroorzaakte schade slechts eenmaal behoeft te vergoeden, dan zou het door een aandeelhouder van de laedens vergoed krijgen van zijn afgeleide schade betekenen dat de vennootschap haar schade voor zover deze correspondeert met de vergoede afgeleide schade, niet meer op de laedens zou kunnen verhalen: deze schade heeft de laedens dan immers al aan de aandeelhouder vergoed. Indien een aandeelhouder aanspraak zou hebben op vergoeding van zijn afgeleide schade zou hij dus vermogen aan de vennootschap kunnen onttrekken. Dat zou de vennootschapsrechtelijke rechtsorde, en in het bijzonder de regeling omtrent het door aandeelhouders onttrekken van kapitaal aan de vennootschap (art. 2:105 en 2:216 BW), naar mijn mening onaanvaardbaar doorkruisen. Onder omstandigheden kan een aandeelhouder wel aanspraak hebben op vergoeding van schade aan aandelen die correspondeert met door de vennootschap geleden schade. Nodig is dan dat sprake is van omstandigheden die ofwel rechtvaardigen dat de laedens dezelfde schade mogelijk tweemaal dient te vergoeden, ofwel gerechtvaardigd is dat de aandeelhouder vermogen aan de vennootschap onttrekt.57
145. De bijzondere reden om in het geval van afgeleide schade van een aandeelhouder aansprakelijkheid te begrenzen dient onderscheiden te worden van de vraag of sprake is van een gebleken bedoeling om bepaalde personen, tegen bepaalde schade en bepaalde wijzen van ontstaan te beschermen. De noodzaak hiertoe komt pregnant naar voren in de situatie waarin iemand een vennootschap door een onrechtmatige daad schade toebrengt met de bedoeling om een aandeelhouder te schaden. Men zou geneigd kunnen zijn te denken dat dan toch jegens die aandeelhouder onrechtmatig is gehandeld en de geschonden norm dan ook strekt tot bescherming tegen de toegebrachte schade. Tegelijkertijd blijft opgeld doen de reden om de aandeelhouder vanwege de doorkruising van de vennootschapsrechtelijke rechtsorde geen aanspraak op vergoeding van afgeleide schade toe te kennen. Kroeze heeft – mijns inziens in beginsel terecht58 – verdedigd dat ook in deze situatie de aandeelhouder geen aanspraak heeft op vergoeding van zijn afgeleide schade.59 Indien men de twee relativiteitsproblemen die hier spelen niet scherp uit elkaar houdt, laat zich dat moeilijk verklaren.60
146. De reden om aansprakelijkheid te begrenzen vindt men in het geval van afgeleide schade van een aandeelhouder niet door de geschonden norm uit te leggen. Deze reden volgt uit de regeling van de vennootschapsrechtelijke rechtsorde en daarmee samenhangende noties van aanspraken op het kapitaal van de vennootschap en de bevoegdheid tot aanwending van dit kapitaal. Geen sprake is van een absolute grens; het komt uiteindelijk erop aan of, gelet op de omstandigheden van het geval, een redelijke begrenzing van aansprakelijkheid wordt verkregen.
Afgeleide schade van een verzekeraar
147. Soms lijdt een schadeverzekeraar afgeleide schade ten gevolge van een jegens de verzekerde gepleegde onrechtmatige daad. De schadeverzekeraar lijdt dergelijke schade indien hij de door de onrechtmatige daad veroorzaakte schade van de verzekerde vergoedt en/of anderszins kosten maakt.
In de begindagen van de relativiteitsleer oordeelde de Hoge Raad in Vonk/De Overijsselsche61 over de vraag of opzettelijke brandstichting in een woning ook onrechtmatig is jegens de verzekeraar die gehouden is tot vergoeding van de door de brand veroorzaakte schade. In deze zaak had een vrouw opzettelijk brand gesticht in de woning waarvan zij en haar man gezamenlijk eigenaar waren. De man sprak zijn schadeverzekeraar aan tot vergoeding van de hierdoor veroorzaakte schade. De verzekeraar verweerde zich ermee dat de door de vrouw gepleegde brandstichting jegens hem onrechtmatig was en verrekende zijn verplichting tot schadevergoeding op grond van de verzekeringsovereenkomst met de verplichting van de vrouw om de schade van de verzekeraar te vergoeden. De Hoge Raad oordeelde dat de onrechtmatige brandstichting door de vrouw niet een onrechtmatig daad jegens de verzekeraar opleverde. De Hoge Raad overwoog hiertoe onder meer:
“dat de omstandigheid dat iemand bij overeenkomst de verplichting op zich neemt om, indien zekere gebeurtenis plaats vindt, aan zijn wederpartij een geldsbedrag te betalen, aan derden niet den plicht oplegt om zich daarom te onthouden van handelingen, die bedoelde gebeurtenis moeten of kunnen veroorzaken, ook niet indien die derden met het bestaan der overeenkomst bekend zijn of dat bestaan moeten bevroeden”.
Naar het oordeel van de Hoge Raad zou het anders kunnen zijn
“indien de brand ware gesticht met de bedoeling om [de verzekeraar] te benadeelen, omdat dan inbreuk ware gemaakt op den – ook hem beschermenden – zedelijken plicht, om niet zonder redelijken grond aan een ander opzettelijk nadeel toe te brengen”.
148. Naar ik meen, is hetgeen de Hoge Raad in Vonk/De Overijsselsche oordeelde nog steeds geldend recht. Naar mijn mening ligt voor de hand om ook hier in de eerste plaats een doorkruisingsprobleem in te zien. De verzekeringsrechtelijke subrogatie (art. 7:962 BW) maakt tegenwoordig dat de schadeverzekeraar die uitkeert zich in het algemeen kan verhalen op de laedens die door een aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis de schade van de verzekerde heeft veroorzaakt. Deze subrogatieregeling zou doorkruist kunnen worden indien de verzekeraar de door hem geleden afgeleide schade op grond van het onrechtmatigedaadsrecht op de laedens zou kunnen verhalen. Dit is van belang omdat de subrogatieregeling bepaalde grenzen kent: onder meer dat de verzekeraar niet wordt gesubrogeerd in de aanspraak tot schadevergoeding van de verzekerde op de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot van de verzekerde.62 Deze beperkingen zouden mijns inziens in beginsel onaanvaardbaar worden doorkruist indien de verzekeraar via het onrechtmatigedaadsrecht ook de mogelijkheid tot regres zou hebben.
149. Hoewel het primaat hier ligt bij het onaanvaardbaar zijn van de doorkruising van de verzekeringsrechtelijke subrogatieregeling, laat zich niet in alle gevallen uit deze regeling afleiden of een aanspraak van de verzekeraar afgesneden dient te worden. In § 13.3 zal ik bespreken of een schadeverzekeraar die kosten maakt ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid of ter verkrijging van voldoening buiten rechte (art. 6:96 lid 2 onder b respectievelijk onder c BW), deze kosten op de laedens kan verhalen. Ook bespreek ik of een sommenverzekeraar die schade lijdt door het doen van een uitkering aan de verzekerde, aanspraak heeft op vergoeding van die schade tegenover de laedens, indien door de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis aan de verzekerde schade is toegebracht en de sommenverzekeraar daarom diende uit te keren. Beide situaties worden niet beheerst door de subrogatieregeling. Voor de hand ligt om in de eerste situatie te zeggen dat daarom van een doorkruisingsprobleem geen sprake is, maar in de tweede situatie dat uit het ontbreken van een subrogatieregeling volgt dat geen verhaal genomen kan worden. Ik zal in § 13.3 betogen, dat de grond voor de begrenzing van de aanspraken van een verzekeraar in deze gevallen niet zozeer in de subrogatieregeling maar in de redelijkheid gevonden moet worden. Verder geldt dat niet elke doorkruising van de verzekeringsrechtelijke subrogatieregeling onaanvaardbaar is. Dit is het geval waar de laedens het oogmerk had om aan de verzekeraar schade toe te brengen. In dat geval dient te worden afgewogen het belang van de verzekeraar om rechtstreeks de laedens te kunnen aanspreken tegen de belangen van de verzekerde en de laedens bij de in art. 7:962 BW gelegen beperkingen van de subrogatiemogelijkheid.
150. De bijzondere reden om in het geval van afgeleide schade van een verzekeraar aansprakelijkheid te begrenzen dient onderscheiden te worden van de vraag of sprake is van een gebleken bedoeling om bepaalde personen, tegen bepaalde schade en bepaalde wijzen van ontstaan te beschermen.
151. Dit alles leidt tot de volgende conclusie. Indien ten gevolge van een onrechtmatige daad een verzekeraar uitkering doet aan een verzekerde en de laedens wil aanspreken tot vergoeding van de daardoor door de verzekeraar geleden schade, rijst de vraag of de laedens ook jegens de verzekeraar onrechtmatig heeft gehandeld. Het antwoord op deze vraag volgt doorgaans niet uit een gebleken bedoeling met de geschonden norm, maar veelal wel uit de omstandigheid dat de doorkruising van de verzekeringsrechtelijke subrogatieregeling onaanvaardbaar zou zijn. Niet in alle omstandigheden is het al dan niet bestaan van een verzekeringsrechtelijke subrogatieregeling echter beslissend; uiteindelijk komt het erop aan of, gelet op de omstandigheden van het geval, een redelijke begrenzing van aansprakelijkheid wordt verkregen.
Slotsom
152. In het voorgaande zagen wij dat in het relativiteitsvereiste een aanzienlijk aantal, heel uiteenlopende algemene grenzen aan aansprakelijkheid tot uitdrukking wordt gebracht. Ik heb betoogd dat deze grenzen steeds niet volgden uit een gebleken bedoeling met de geschonden norm, maar uit andere omstandigheden. Deze algemene grenzen aan aansprakelijkheid zijn, anders dan de in afdeling 6.1.10 BW neergelegde algemene grenzen aan de schadevergoedingsverplichting op grond van de wet, zoals bijvoorbeeld begrenzing van deze verplichting in het geval van eigen schuld van de gelaedeerde (art. 6:101 BW), niet gecodificeerd. Naar mijn mening dienen de in het voorgaande behandelde grenzen steeds onderscheiden te worden van de grens aan aansprakelijkheid die geldt indien blijkt dat met de geschonden norm niet beoogd is de persoon van de gelaedeerde te beschermen tegen het soort schade zoals door hem geleden en/of de wijze waarop die schade is ontstaan. Op dezelfde manier dient ook de laatstgenoemde de grens aan aansprakelijkheid te worden onderscheiden van de grens aan aansprakelijkheid in het geval van eigen schuld van de gelaedeerde. Tevens heb ik betoogd dat geen van de in het voorgaande besproken grenzen absoluut is en daarom uiteindelijk steeds beslissend is of gelet op de omstandigheden van het geval een redelijke begrenzing van aansprakelijkheid wordt verkregen. Opvallend was verder dat diverse van deze algemene grenzen aan aansprakelijkheid werden getrokken omdat anders een andere regeling zou worden doorkruist of aansprakelijkheid niet te verenigen zou zijn met een ander onderdeel van het recht.