Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/7.5
7.5 Bestanddeelvorming
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS398527:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 26 maart 1936, NJ 1936, 757 m.nt. P. Scholten.
Zie bijv. W.C.L. van der Grinten, ‘Natrekking, vermenging en zaaksvorming’, WPNR 1961 (4701), p. 520, Asser/Beekhuis 3-I 1980, p. 52 en Hijma 1992, p. 286.
HR 15 november 1991, NJ 1993, 316, rov. 3.7. Het arrest behandelt slechts de vraag wanneer een zaak volgens verkeersopvatting bestanddeel is geworden van een zaak. Algemeen wordt evenwel aangenomen dat, nu art. 3:4 BW betrekking heeft op alle typen zaken, de incompleetheid ook een (belangrijke) aanwijzing vormt waar het bestanddeelvorming bij roerende zaken betreft. Zie bijv. Wichers 2002, p. 83-87 en Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 37.
Zie met verdere verwijzingen Klang/Kisslinger 2011, § 294 ABGB, Rn. 10 en Schwimann & Kodek/ Hofmann 2012, § 294 ABGB, Rn. 2.
Zie BGH 8 oktober 1955, NJW 1955, 1793: ‘Seit Erlaû des BGB ist aber die technische Entwicklung erheblich fortgeschritten, und die wirtschaftlichen Verhältnisse haben sich erheblich geändert. Diese Umstände sind maûgebend zu berücksichtigen. Sie führen dazu, daû den §§ 93, 947 BGB nicht mehr dieselbe Bedeutung wie früher zukommt. In vielen Fällen, in denen bei Sachen, die nach dem Stand der Technik von 1900 gefertigt sind, wesentliche Bestandteile anzunehmen wären, ist das nicht der Fall, wenn sie auf Grund der heutigen technischen Entwicklung hergestellt werden.’ Zie voor Oostenrijk S. Leitner, ‘Der Eigentumsvorbehalt des Bauhandwerkers’, bbl 2000, p. 104, ‘Durch den Fortschritt der Technik werden vermehrt [Bestandteile] in Serienproduktion hergestellt. Setzt sich das fertige Produkt sodann aus leicht montierbaren Serienteilen zusammen, die ohne Aufwand ausgetauscht werden können, wird der Wertverlust regelmäûig verneint.’
BGH 8 oktober 1955, NJW 1955, 1793. Zie ook Staudinger/Jickeli & Stieper 2012, § 93 BGB, Rn. 1 en MünchKomm-BGB/Stresemann 2015, § 93 BGB, Rn. 9: ‘Infolge der Ausweitung von Norm- und Serienproduktion bestehen technische Geräte und Anlagen vielfach aus nichtwesentlichen Bestandteilen. Die Regelung in § 93 kommt damit den Lieferanten serienmäûig hergestellter und für den Einbau in bewegliche Sachen vorgesehener Teile zugute.’
Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 486 en Rummel/Aicher 2000, § 1063 ABGB, Rn. 37.
Zie daarover hierna in paragraaf 7.6.
Het was nogal een inconsequente regeling, omdat Meijers tegelijkertijd in art. 3:4 BW wel de norm uit het arrest Sleepboot Egbertha aanvaardde. Daarmee leek de uitzondering beperkt tot natrekking zonder hoofdzaak, maar hij lijkt ook schrapping van art. 3:4 lid 1 BW te hebben overwogen. Zie Notulen van de 144 ste vergadering van de Subcommissie Burgerlijk Recht d.d. 26 september 1953, p. 825: ‘De Voorzitter [Meijers; toevoeging EFV] erkent dat art. 16 [thans art. 5:14 BW; toevoeging EFV] in strijd is met het arrest van 1936 en ook met art. 3 lid 1 [thans art. 3:4 lid 1 BW; toevoeging EFV] van de titel Algemene Bepalingen (…), waar de leer van de H. R. is overgenomen. Bij nader inzien vraagt spreker zich echter af of de leer van de H. R. wel juist is en of het standpunt van art. 16 niet redelijker is.’ Zie ook W.C.L. van der Grinten, ‘Eigendom van roerende zaken in het Ontwerp-B.W.’, WPNR 1973 (5240), p. 516, E.O.H.P. Florijn, Ontstaan en ontwikkeling van het nieuwe Burgerlijk Wetboek (diss. Maastricht), Maastricht: Universitaire Pers 1994, p. 247 en Wichers 2002, p. 132-133.
Zie voor het Nederlandse recht kritisch over het motief van waardebehoud o.m. Beekhuis 1972, p. 14, Fikkers 1999b, p. 176, Wichers 2002, p. 18-20, Verheul 2015a, p. 243 en Verheul & Verstijlen 2016, p. 73- 77.
Zie voor het Duitse recht Staudinger/Wiegand 2017, Vorbem zu §§ 946 ff BGB, Rn. 1. Illustratief is dat de voorgestelde § 632b BGB is geschrapt, dat een aannemer de mogelijkheid verschafte een eigendomsvoorbehoud te bedingen ten aanzien van bestanddelen van onroerende zaken en gebouwen. Uiteindelijk is besloten de bepaling te schrappen omdat zij zou leiden tot onoverzichtelijke eigendomsverhoudingen ten aanzien van onderdelen van onroerende zaken en op gespannen voet stond met de bestanddeelregeling van § 94 BGB. Zie BR-Drucks. 458/04, p. 9 en R. Scherzer, Die Sicherung von Forderungen der am Bau Tätigen aus rechtsvergleichender Sicht, Baden-Baden: Nomos 2009, p. 65.
Zie – betrokken op de positie van de rechthebbenden van zaaksdelen – Verheul & Verstijlen 2016, p. 95-96. Gangbaarder is de benadering in de literatuur die het eenheidsbeginsel rechtvaardigt vanuit de positie van derden, zoals derdenverkrijgers en schuldeisers die verhaal willen nemen op de eenheidszaak. Zie Beekhuis 1972, p. 14-15, Hijma 1992, p. 285-286, Wichers 2002, p. 6-20 en Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 65.
Wichers 2002, p. 8-9 en Struycken 2007, p. 791-792.
Von Bar & Clive 2009, p. 5143-5144.
Vgl. Von Bar & Clive 2009, p. 5159-5160.
Zie uitgebreid Verheul & Verstijlen 2016, p. 96-98.
Zie voor de ruimte voor een zodanige ontwikkeling m.n. HR 16 maart 1979, NJ 1980, 600 m.nt. B. Wachter (Radio Holland).
Als de verkochte zaak wordt onderdeel wordt van een andere roerende zaak, verliest de verkoper zijn voorbehouden eigendomsrecht indien de verkochte zaak een bestanddeel wordt van de andere zaak (art. 3:4 BW). Als gevolg van de bestanddeelvorming strekt de eigendom van de hoofdzaak zich uit tot het bestanddeel. Met name ten aanzien van zaken die onderdeel worden van een andere roerende zaak, heeft bestanddeelvorming relatief snel tot gevolg dat het voorbehouden eigendomsrecht ten aanzien van dit onderdeel door de werking van artikel 3:4 BW tenietgaat. Opvallend is dat het Duitse en het Oostenrijkse recht in dit verband een (veel) terughoudendere toets aanleggen, hetgeen is ingegeven door de wens om het eigendomsrecht van de verkoper niet te zeer te bedreigen.
De Nederlandse ontwikkeling werd ingezet met het arrest Sleepboot Egbertha, waarin de Hoge Raad besliste dat van bestanddeelvorming niet alleen sprake is, indien een zaak zonder beschadiging kan worden afgescheiden, maar ook wanneer zij krachtens ‘de opvattingen, welke in het maatschappelijk verkeer omtrent die soort van roerende zaken bestaan’ moet worden aangemerkt als bestanddeel van een andere roerende zaak. Beslissend voor het aannemen van deze nieuwe categorie bestanddelen achtte de Hoge Raad de omstandigheid dat ‘bij het voortschrijden der techniek steeds toeneemt het aantal voorwerpen, die wat betreft de wezenlijke bestanddeelen zelfs door niet vaklieden zonder beschadiging uit elkander kunnen worden genomen.’1
Nadien is het criterium van de verkeersopvatting is in de literatuur nader uitgewerkt, waarbij met name beslissende betekenis werd toegekend aan de vraag of de hoofdzaak als incompleet moet worden beschouwd zonder de toegevoegde zaak.2 In het arrest D É pex/Curatoren van Bergel omarmde de Hoge Raad de incompleetheid als een aanwijzing voor bestanddeelvorming en voegde daaraan nog toe dat ook de omstandigheid dat twee zaken in constructief opzicht specifiek op elkaar zijn afgestemd een aanwijzing voor bestanddeelvorming is.3 Het is bij roerende zaken met name de incompleetheid die als aanwijzing relatief snel tot bestanddeelvorming zal leiden bij samengestelde zaken. Zo zijn fietsen zonder zadel, auto’s zonder wielen of motoren en stoelen zonder poten incompleet. Het voorbehouden eigendomsrecht ten aanzien van onderdelen van die samengestelde zaak gaat daarmee teniet bij samenstelling van de onderdelen. Dat dergelijke zaaksdelen eenvoudig en vrijwel kosteloos demonteerbaar zijn, doet niet af aan het feit dat zij onderdeel zijn van de eenheidszaak. Integendeel, juist uit het feit dat steeds meer zaken eenvoudig demonteerbaar zijn, leidde de Hoge Raad in het Sleepboot Egbertha-arrest af dat de aan de eenvoudige demonteerbaarheid geen beslissende betekenis kon worden toegekend.
Het Duitse en Oostenrijks recht hebben zich juist in tegengestelde richting ontwikkeld. Naar Oostenrijks recht is bestanddeelvorming slechts aan de orde, indien sprake is van een zodanig hechte verbinding, dat afscheiding slechts kan plaatsvinden met substantiële beschadiging van een van beide zaken of afscheiding economisch niet zinvol is, omdat zij met substantiële kosten of een substantiële vermindering van de waarde gepaard gaat. Daarbij gaat het niet om de waarde van de zaak inclusief het bestanddeel, maar om de overblijvende waarde van de afzonderlijke onderdelen.4 Naar Duits recht is beslissend of bij afscheiding het voormalige bestanddeel of de overblijvende zaak wordt vernietigd of in zijn wezen wordt veranderd (§ 93 BGB). Van een wezensverandering van het voormalige bestanddeel is slechts sprake indien de zaak niet meer op een economisch zinvolle wijze kan worden benut, al dan niet door hernieuwde bevestiging aan een andere zaak.5 Van een wezensverandering van het overblijvende deel is slechts dan sprake, indien het afgescheiden deel niet op een economisch zinvolle wijze kan worden vervangen door een ander onderdeel.6 Daarbij staat veel meer centraal in hoeverre de onderdelen nog in een andere samenstelling opnieuw doelmatig kunnen worden gebruikt.
Deze uitwerking van het bestanddeelbegrip heeft tot gevolg dat in Oostenrijk en Duitsland juist vanwege het voortschrijden der techniek steeds minder zaken als bestanddeel worden aangemerkt, omdat steeds meer onderdelen eenvoudig demonteerbaar zijn en door andere onderdelen kunnen worden vervangen.7 Kenmerkend hiervoor is de rechtspraak ten aanzien van in serie gefabriceerde zaken. Zij zijn geen (wezenlijk) bestanddeel van de zaak waaraan zij worden bevestigd, indien zij eenvoudig kunnen worden afgescheiden en vervangen door een vergelijkbaar product, hetgeen doorgaans mogelijk is, omdat de desbetreffende zaken in serie worden vervaardigd. Zo zijn motoren, stoelen en banden naar Duits recht geen bestanddeel van de auto. Aan deze rechtspraak van het BGH ligt de bescherming van de belangen van de eigenaar van het toegevoegde onderdeel, in het bijzonder de verkoper onder eigendomsvoorbehoud, ten grondslag:
‘Das volkswirtschaftliche Interesse an der Erhaltung einer Einheit ist nicht sehr erheblich, wenn die Trennung und Wiederzusammensetzung der Bestandteile ohne jede Beschädigung und ohne erheblichen Arbeitsaufwand durchgeführt werden kann. Es tritt zurück, wenn vom volkswirtschaftlichen Standpunkt aus berechtigte privatwirtschaftliche Interessen die Trennung fordern. Das ist aber der Fall, wenn die Lieferanten einzelner Bestandteile ihr Eigentum vom Herstellungsbetrieb zurückfordern, weil sie wegen ihrer Kaufpreisforderungen für diese Gegenstände nicht befriedigt werden. Es darf nicht auûer acht gelassen werden, daû unter den gegenwärtigen wirtschaftlichen Verhältnissen die Zulieferung an Herstellungsbetriebe sehr häufig unter Eigentumsvorbehalt auf Kredit erfolgt. Es wäre volkswirtschaftlich ungerechtfertigt, wenn die Zulieferfirmen ihre Rechte schon dadurch verlieren sollten, daû der Empfänger die gelieferte Ware mit anderen Gegenständen zu einer einheitlichen Sache verbindet, obwohl die Trennung jederzeit ohne Schwierigkeiten und ohne Beschädigung der einzelnen Teile vorgenommen werden kann. Auch die Sicherheit des Rechtsverkehrs fordert nicht, daû an zusammengesetzten einheitlichen Sachen nur ein einheitliches Rechtsverhältnis besteht. Gerade wenn im Wirtschaftsverkehr der Gedanke, daû die einheitliche Sache aus verschiedenen unwesentlichen Bestandteilen besteht, praktisch nicht aufkommt, findet der Rechtsverkehr den erforderlichen Schutz. Derjenige, der unter diesen Voraussetzungen eine solche Sache erwirbt, wird nach §§ 932 ff. BGB, § 366 HGB Eigentümer der ganzen Sache mit allen ihren Bestandteilen. Denn es kann in aller Regel von dem Erwerber nicht verlangt werden, daû er sich erkundigt, ob die Veräuûerer auch Eigentümer aller einzelnen Bestandteile der Sache sind. Sofern er ausnahmsweise die Nichtberechtigung des Veräuûerers kennt, bedarf er keines besonderen Schutzes.’ 8
Ook het Oostenrijkse recht tendeert naar een restrictieve benadering van het bestanddeelbegrip, juist om het voorbehouden eigendomsrecht van de verkoper niet verloren te laten gaan.9
Een dergelijke invulling van het bestanddeelbegrip heeft ontegenzeggelijk aantrekkelijke kanten voor de positie van de verkoper onder eigendomsvoorbehoud. Ook Meijers lijkt moeite te hebben gehad met het feit dat iemands eigendom verloren gaat door het enkele feit dat de zaak volgens de verkeersopvatting onderdeel van een andere zaak is geworden, ook wanneer afscheiding eenvoudig en tegen geringe kosten kan plaatsvinden. Om die reden had hij onder meer een bepaling voorzien die het mogelijk maakte een eigendomsvoorbehoud in te schrijven in de openbare registers, teneinde te voorkomen dat de desbetreffende zaak bestanddeel zou worden van een onroerende zaak.10 Ook lijkt hij er in oudere concepten van artikel 5:14 BW op te zinspelen het eigendomsverlies pas te laten intreden in het geval dat zaken op zodanige wijze met elkaar waren verbonden dat zij zonder ernstige beschadiging of onevenredig grote kosten en arbeid niet konden worden gescheiden, waarbij hij wilde afwijken van het Sleepboot Egbertha-arrest.11
Zou het aanbeveling verdienen de verkeersopvatting in Nederland op vergelijkbare wijze als in Duitsland en Oostenrijk stringenter uit te leggen? Ik meen van niet. De nadelen die daaraan zijn verbonden zijn uiteindelijk van groter gewicht dan het hiervoor genoemde voordeel dat de positie van de verkoper sterker wordt. Anders dan het BGH in de hierboven uitspraak lijkt aan te nemen,speelt zowel voor het Nederlandse en Duitse recht niet alleen het ‘volkswirtschaftliche Interesse an der Erhaltung einer Einheit’ een rol,12 maar ook het voorkomen van complexiteit van rechtsmacht over een zaak.13 Het erkennen van eigendomsrechten op zaaksdelen maakt het beschikken over het geheel tot een ingewikkelde aangelegenheid, omdat daarvoor toestemming zal moeten worden bereikt tussen alle betrokkenen.14 Het goederenrecht verlangt uit een oogpunt van verhandelbaarheid van zaken dat op eenvoudige wijze de rechtsmacht over een zaak kan worden vastgesteld en op eenvoudige wijze over die zaak kan worden beschikt.15
Aan de rechtspraak van het BGH ligt ten grondslag dat voorkomen moet worden dat de eigenaar van diens hoofdzaak of diens schuldeisers zouden profiteren van de omstandigheid dat een onder eigendomsvoorbehoud overgedragen zaak onderdeel wordt van de eenheidszaak. Het komt mij voor dat het probleem hier dan ook niet zozeer het eigendomsverlies van de verkoper is, maar vooral de daarmee gepaard gaande waardeverschuiving. Of anders gezegd: voor het eigendomsverlies van de verkoper bestaan rechtvaardigende omstandigheden (zie hiervoor), maar niet voor de daaruit volgende verarming van de verkoper en de verrijking van de koper en diens overige schuldeisers. Dat kan echter geen reden zijn om dan alsnog maar eigendomsrechten aan zaaksdelen te accepteren, omdat daarmee de rechtvaardiging voor het eigendomsverlies zou worden ondergraven.
Als men deze herverdeling van de waarde die besloten ligt in het bestanddeel wenst te voorkomen, zou men dan ook tot een oplossing moeten komen, waarbij enerzijds de eenheid van de samengestelde zaak wordt gehandhaafd, maar anderzijds niet de daarmee dreigende waardeverschuiving wordt gerealiseerd. Een dergelijke doelstelling ligt ten grondslag aan de regeling van de DCFR.16 Daarin wordt aan degene die zijn eigendomsrecht door bestanddeelvorming verliest, een aanspraak toegekend op de eigenaar van de eenheidszaak, welke aanspraak op goederenrechtelijke wijze is gewaarborgd door middel van een pandrecht op de eenheidszaak (art. VIII.-5:203(2) DCFR). Dat pandrecht strekt tot zekerheid van de vordering ter zake van de vergoeding van de waarde van het bestanddeel. Dit pandrecht heeft een supervoorrang, omdat het voorgaat boven alle eerdere pandrechten die zijn gevestigd op de eenheidszaak (art. VIII.5:204(3) DCFR). Aangezien dit pandrecht slechts strekt tot zekerheid van de daadwerkelijk aan de eenheidszaak toegevoegde waarde van het bestanddeel, worden de overige schuldeisers daardoor niet benadeeld, omdat zij zich bij gebreke van de bestanddeelvorming ook niet op de waarde van het bestanddeel zouden kunnen verhalen.17 Een dergelijke oplossing zou ook voor het Nederlandse recht het overwegen waard zijn.18
Het verdient opmerking dat de hier bestreden terughoudendere invulling van de verkeersopvatting vanzelfsprekend niet aan een ontwikkeling van de verkeersopvatting in de weg staat, in die zin dat men datgene wat momenteel als bestanddeel wordt beschouwd in de toekomst niet meer als bestanddeel gaat beschouwen.19 Het komt mij echter voor dat een dergelijke ontwikkeling vanwege de hiervoor genoemde argumenten niet – zoals in Duitsland – door de rechtspraak zou moeten worden gestuwd. Aldus zouden deelnemers aan het rechtsverkeer namelijk geconfronteerd kunnen worden met een verkeersopvatting die (nog) niet algemeen gebruikelijk is, zodat zij niet op de hoogte zijn van alle implicaties. Als de wijziging daarentegen vanuit het maatschappelijk verkeer geschiedt, voltrekt deze ontwikkeling zich geleidelijk en zijn de deelnemers daarvan op de hoogte, zodat men zich op die ontwikkeling kan instellen.