Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/9.3.8
9.3.8 Vergelijking met het Romeinse recht van pandgebruik
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264479:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
§2.5.1; §2.5.3; §3.4.1; §3.4.5; §4.4.1; §4.4.5.
De beheersbevoegdheid van de hypotheekhouder en het recht van pandgebruik uit het gerecipieerde Romeinse recht vertonen – zoals hiervoor uiteengezet – bovendien enkele inhoudelijke verschillen.
Dit had gekund, gelet op de rechtshistorische achtergrond van Meijers.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 820-821.
Zie bijvoorbeeld enkele vermeldingen van het beheersbeding in de literatuur in de periode rondom de behandeling en invoering van het BW: Roes 1972, p. 229; Roes 1984, p. 550, onder B, nr. 6 en p. 554, noot 37; Asser/Mijnssen & Van Velten 3-III 1994, nr. 278.
De beheersbevoegdheid van de hypotheekhouder vertoont gelijkenissen met het recht van pandgebruik uit het gerecipieerde Romeinse recht. Op grond van het beheersbeding kan de hypotheekhouder het hypotheekobject gebruiken en de vruchten ervan trekken. Het beheersbeding kent dus de bevoegdheden toe die kenmerkend zijn voor het recht van pandgebruik. De hypotheekhouder kan het beheersbeding pas inroepen als de hypotheekgever een ernstige tekortkoming heeft begaan. Hiervan is onder andere sprake als de hypotheekgever in verzuim is met de terugbetaling van de gesecureerde vordering. Op dit punt verschilt het beheersbeding van het recht van pandgebruik: de uitoefening van het recht van pandgebruik was niet beperkt tot het verzuim van de schuldenaar. Het was echter wel mogelijk om de bevoegdheid tot pandgebruik te laten intreden bij verzuim van de schuldenaar: deze constructie staat bekend als verzuim-pandgebruik.
Hypothecair beheer heeft twee doelen. Het eerste doel is het verhogen (of op peil houden) van de waarde van het hypotheekobject. Waardebehoud en waardeverhoging behoorden niet tot de functies van het recht van pandgebruik. De regeling van vergoeding van de door de hypotheekhouder gemaakte kosten is echter wel vergelijkbaar met die uit het Romeinse recht. Het tweede doel van hypothecair beheer is het verlagen van de door het hypotheekrecht gesecureerde vordering. Op dit punt is het beheersbeding verwant aan de aflossingsfunctie van het recht van pandgebruik. Het beheersbeding en het aflossingspandgebruik verschillen echter in de manier waarop de zekerheidsgerechtigde de gesecureerde vordering verlaagt. De beherend hypotheekhouder verwezenlijkt dit doel door de geldelijke waarde van de vruchtopbrengst te verrekenen met de gesecureerde vordering. Deze verrekening was in het gerecipieerde Romeinse recht niet nodig. De waarde van de vruchten kwam van rechtswege in mindering op de gesecureerde vordering.1
De beheersbevoegdheid van de hypotheekhouder vertoont dus een sterke gelijkenis met het aflossingspandgebruik dat in werking trad bij verzuim. Deze bevoegdheid van de hypotheekhouder lijkt evenwel niet aan het recht van pandgebruik te zijn ontleend.2 Het recht van pandgebruik was bij de invoering van het OBW immers afgeschaft. De parlementaire geschiedenis bevat geen verwijzingen naar het recht van pandgebruik onder het Rooms-Hollandse recht, het WNH of de Code civil.3 De parlementaire geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek geeft geen antwoord op de vraag welke motieven ten grondslag lagen aan de invoering van de beheersbevoegdheid van de hypotheekhouder.4 De literatuur geeft hierover evenmin uitsluitsel.5