De grondwetsherzieningsprocedure
Einde inhoudsopgave
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/II.4.5:II.4.5 De Grondwet van 1887
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/II.4.5
II.4.5 De Grondwet van 1887
Documentgegevens:
T. van Gennip, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
T. van Gennip
- JCDI
JCDI:ADS285077:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De grondwetsherziening van 1887 was in democratisch opzicht een belangrijke. Vanaf 1887 bepaalde het nieuwe artikel 80 het volgende:
‘De leden der Tweede Kamer worden regtstreeks gekozen door de mannelijke ingezetenen, tevens Nederlanders, die de door de kieswet te bepalen kenteekenen van geschiktheid en maatschappelijken welstand bezitten en den door die wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en twintig jaren mag zijn, hebben bereikt.’
De grondwetgever deconstitutionaliseerde met deze wijziging het kiesrecht en schafte zodoende de grondwettelijke basis voor het censuskiesrecht af. Dat is een belangrijke stap geweest in het kader van de democratisering van de Tweede Kamer. De strijd om het kiesrecht verplaatste vervolgens naar het terrein van de wetgever. Verder werden de mogelijkheden om in de Eerste Kamer te komen verruimd en vond een uitbreiding plaats van het aantal leden van de Tweede en Eerste Kamer.
In reactie op het Meerenberg-arrest bepaalde artikel 56 Gw (1887) dat de Koning algemene maatregelen van bestuur kon vaststellen. Wel bracht de grondwetgever op dit punt een belangrijke begrenzing aan: bepalingen door straffen te handhaven worden in die maatregelen niet gemaakt, dan krachtens de wet. Dat aspect sluit aan bij de rechtsstatelijke functie van de Grondwet.
Een invloedrijk hoofdwerk aan het einde van de negentiende eeuw op constitutioneel terrein is het grondwetscommentaar van de hoogleraar staatsrecht Buijs, De Grondwet geheten. Buijs was betrokken bij de grondwetsherziening van 1887 als lid van de staatscommissie-Heemskerk. Hoe dacht Buijs over de Grondwet? Ik breng de passage in herinnering waarmee ik mijn inleiding begon: ‘Men pleegt in eene Grondwet vast te stellen niet wat de gewone wetgever breken maar wat hij niet breken mag.’ Buijs zag de Grondwet als een bindende regeling voor alle overheidsambten die de fundamentele beginselen vervat van het staatsrecht.1
Volgens Buijs ging de Grondwet van 1848 wel te detaillistisch in op allerlei bijzondere aangelegenheden.2 Deconstitutionalisering was op een aantal punten zijn devies en dat is op een aantal punten ook gebeurd, zoals bij het actief kiesrecht.