Vgl. HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1864, NJ 2023/101, m.nt. W.H. Vellinga, rov. 3.2.4.
HR, 13-01-2026, nr. 24/01112
ECLI:NL:HR:2026:33
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
13-01-2026
- Zaaknummer
24/01112
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:33, Uitspraak, Hoge Raad, 13‑01‑2026; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1249
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2024:736
ECLI:NL:PHR:2025:1249, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 18‑11‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:33
Beroepschrift, Hoge Raad, 29‑12‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2026-0016
PS-Updates.nl 2026-0053
JA 2026/40
PS-Updates.nl 2025-0605
Uitspraak 13‑01‑2026
Inhoudsindicatie
Doodslag door slachtoffer met vuurwapen door zijn hoofd te schieten (art. 287 Sr) en medeplegen van wegvoeren en verbergen van lijk (art. 151 Sr). Vordering benadeelde partij t.a.v. vergoeding van affectieschade. Kan b.p. (zus van slachtoffer) worden aangemerkt als ‘naaste’ a.b.i. art. 6:108.4.g BW? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2025:1619 m.b.t. kring van personen die recht hebben op vergoeding van affectieschade, waaronder ‘andere persoon’ die in zodanig nauwe persoonlijke relatie tot slachtoffer staat, dat uit eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat ook hij wordt aangemerkt als naaste die recht heeft op vergoeding van affectieschade. Hof heeft vastgesteld dat b.p. en haar broer nog geen jaar in leeftijd verschilden. Zij hebben geen gemakkelijke jeugd gehad en kwamen bij hun oma te wonen toen hun ouders in 2017 naar Suriname verhuisden. Vanaf die periode heeft b.p. een deel van taken overgenomen die bij hun ouders hoorden. Haar broer, die ADHD had, vond bij haar steun die hij van zijn ouders miste. Zij woonden tot aan zijn overlijden onafscheidelijk in gezinsverband samen en waren van plan om na het verhuizen van hun oma samen te blijven. Na overlijden van haar broer heeft b.p. (i.v.m. zijn overlijden en ook rondom strafzaak) rol vervuld die past bij bijzondere en hechte affectieve relatie die zij hadden. O.g.v. deze vaststellingen heeft hof geoordeeld dat specifieke omstandigheden van b.p. zo uitzonderlijk zijn dat deze beroep op ‘hardheidsclausule’ a.b.i. art. 6:108.4.g BW rechtvaardigen. In het licht van wetsgeschiedenis van art. 6:107 en 6:108 BW en tegen achtergrond van wat hiervoor is vooropgesteld, getuigt dat oordeel niet van onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/01112
Datum 13 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 21 maart 2024, nummer 23-003018-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Kuijper bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt over de toewijzing door het hof van de vordering tot vergoeding van affectieschade van de [benadeelde] en de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Het klaagt in het bijzonder over het oordeel van het hof dat de benadeelde partij kan worden aangemerkt als ‘naaste’ in de zin van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder g, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
3.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1. primair
hij op 12 maart 2021 te [plaats] opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door die [slachtoffer] met een vuurwapen door het hoofd te schieten;
2.
hij op 12 maart 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, het lijk van [slachtoffer] heeft weggevoerd en verborgen, met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen.”
3.2.2
Bij de stukken bevindt zich een ‘Verzoek tot Schadevergoeding’ van de benadeelde partij. De bijlage bij dat verzoek houdt onder meer in:
“Op grond van het ‘Besluit vergoeding affectieschade’ (productie 1) kan voor het nadeel van naasten dat niet in vermogensschade bestaat affectieschade worden gevorderd.
Het uitgangspunt in de wet is dat broers en zussen geen aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade. Alleen in heel bijzondere gevallen, waarin sprake is van een hechte affectieve relatie, die (zeer) uitgaat boven de ‘gewone’ hechte relatie die broers en zussen kunnen hebben, indien zij in het verleden zeer nauw in het leven van het slachtoffer betrokken zijn geweest, is ruimte voor vergoeding van affectieschade aan een broer of zus op grond van artikel 6:108 lid 4 onder g BW. Dit volgt onder andere uit een uitspraak van Rechtbank Rotterdam op 12 december 2019 en een uitspraak van rechtbank Den Haag op 27 januari 2020.
(...)
Als broer en zus hadden [slachtoffer] en cliënte een hechte affectieve relatie, zij waren tot zijn overlijden zeer nauw betrokken in het leven van elkaar. Vijf jaar voordat [slachtoffer] om het leven is gekomen, zijn de ouders van cliënte en [slachtoffer] naar Suriname verhuisd. Cliënte en [slachtoffer] woonden sindsdien samen bij hun oma in huis.
Er kan worden gesteld dat cliënte en [slachtoffer] een bijzondere broer en zus relatie hadden, zij scheelden qua leeftijd nog geen jaar, woonden samen, waren elkaars beste vrienden en spraken elkaar de hele dag door. Zij deden alle dagelijkse dingen samen, gingen samen op stap en [slachtoffer] kwam cliënte altijd van haar werk ophalen. Ook verdachte [medeverdachte] bevestigt dit in een van zijn verklaringen op pagina 2040 van het procesdossier, deze verklaring zal worden overgelegd als productie 2. [medeverdachte] zegt in deze verklaring dat [slachtoffer] en zijn zusje vier handen op een buik waren en dat zij altijd met elkaar waren.
Cliënte heeft met behulp van haar tante de begrafenis van [slachtoffer] geregeld. Ze heeft zijn kist en steen uitgekozen en ook heeft zij uitgekozen wat hij droeg in de kist.
Cliënte was tot de dood van [slachtoffer] assistent-manager bij de [A] . Sinds de dood van [slachtoffer] zit zij thuis in de ziektewet, omdat zij niet meer kan werken door het verdriet dat zij heeft. Cliënte is angstig op straat en heeft last van paniekaanvallen, zij staat momenteel op de wachtlijst bij een psycholoog.
Bovenstaande wijst op een zodanige nauwe relatie dat uit de eisen van redelijkheid voortvloeit dat cliënte, de zus van het slachtoffer, voor toekenning van een schadevergoeding als naaste in de zin van artikel 6:108 lid 3 BW moet worden aangemerkt (artikel 6:108 lid 4 onder g BW). Derhalve vordert cliënte een bedrag van € 17.500,00 aan affectieschade.
Cliënt vordert vergoeding van dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 12 maart 2021 tot de dag der algehele betaling en verzoekt uw rechtbank om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.”
3.2.3
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4, 5 en 7 maart 2024 heeft de advocaat van de benadeelde partij daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“In eerste aanleg is door ons reeds uitgebreid uiteengezet om welke reden er sprake is van een band tussen broer en zus die rechtvaardigt dat er op grond van de hardheidsclausule affectieschade zou moeten worden toegekend.
Ter nadere onderbouwing verklaart de oma van [slachtoffer] en [benadeelde] als volgt. (Bijgevoegd als bijlage, maar ook voorgedragen op zitting).
Ook uit het spreekrecht van cliënte wordt duidelijk hoe hecht hun band is geweest. Zij moet op zeer jonge leeftijd al haar allerbeste vriend missen.
In de rechtspraak zijn diverse gelijksoortige situaties terug te vinden waarin affectieschade werd toegekend aan broers en zussen die op de manier met elkaar omgingen als [slachtoffer] en [benadeelde] :
ECLI:NL:RBDHA:2020:450 (27 januari 2020)
Deze zaak werd ook in eerste aanleg benoemd en is ten onrechte ter zijde geschoven, omdat deze opvallend veel gelijkenissen met deze situatie vertoont.
ECLI:NL:RBROT:2022:4222 (31 mei 2022)
De rechtbank overweegt onder 8.4:
“De benadeelde partij is zijn oudere broer verloren, met wie hij weinig in leeftijd verschilde en tot zijn dood onafscheidelijk in gezinsverband heeft samengewoond. Naar het oordeel van de rechtbank komt daarmee vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriele schade heeft geleden in de vorm van affectieschade. De gevorderde schadevergoeding is conform het Besluit. De vordering zal worden toegewezen.”
ECLI:RBAMS:2024:511
Ook de rechtbank Amsterdam wees op 2 februari 2024 een vordering tot affectieschade toe aan de zus van het slachtoffer.
Slachtofferhulp Nederland spreekt zich onder meer in een brief aan de Tweede Kamer openlijk en herhaaldelijk kritisch uit over de wisselende uitspraken over deze affectieschade voor broers en zussen. Zij noemen het psychisch enorm belastend dat broers en zussen hun affectieve band met het slachtoffer moeten aantonen. Dit leidt tot ernstige revictimisatie. Bovendien is er evident sprake van rechtsongelijkheid.
De revictimisatie zien wij bij cliënte ook. Extra schrijnend is dat zij, zoals haar oma schrijft, feitelijk de woning van hun oma zouden overnemen. Alleen was dat voor haar niet mogelijk, waardoor zij momenteel al enige dakloos is. Urgentie wordt ook niet verleend door de gemeente. Een gebrek aan erkenning van leed van een zeer jonge vrouw die mede slachtoffer is van bijzonder ernstige strafbare feiten. Inmiddels heeft dat er ook toe geleid dat zij niet meer in staat was om te werken.
Het WODC is in opdracht van de demissionair minister voor Rechtsbescherming versneld gestart met de evaluatie van de kring van gerechtigden in de wet affectieschade. De reden daarvan is dat er veel kritiek is op de huidige situatie. Gezien de mogelijkheden binnen de hardheidsclausule en de ontwikkeling in voornoemde rechtspraak hoeft uw Hof daar niet op te wachten.
Wij verzoeken uw Hof dan ook om de verzochte affectieschade alsnog ook aan [benadeelde] toe te kennen.”
3.2.4
De bij de pleitnota gevoegde brief van [betrokkene 1] houdt in:
“Ik ben de oma van [slachtoffer] , [benadeelde] en [betrokkene 2] .
Ik heb de kinderen van dichtbij zien opgroeien. Ze scheelden ook maar 11 maanden en 4 dagen. Hierdoor werden hun verjaardagen altijd samen gevierd en deden dat later ook nog toen zij ouder waren en het zelf gingen vieren.
De kinderen hadden het niet makkelijk in hun jeugd bij hun ouders in huis.
Hun moeder heeft MS en is daardoor beperkt. Er speelden ook andere ingewikkelde dingen, nog voordat hun ouders in 2017 naar Suriname vertrokken.
[slachtoffer] had ADHD en de steun die hij miste bij zijn ouders vond hij bij [benadeelde] . Zij nam eigenlijk een deel van de taken op zich die bij hun ouders hoorden, maar zij waren er niet. Dit bleek ook na het overlijden van [slachtoffer] , toen [benadeelde] vrijwel alles heeft geregeld maar ook tijdens deze strafzaak. De familie probeert haar te steunen, maar bij alle zittingen en gesprekken is zij aanwezig en actief. Voor haar broer.
Andersom liet [slachtoffer] aan [benadeelde] de mooie dingen van het leven zien wanneer zij verdrietig was. Hij beschermde haar. Samen gingen zij sporten, hardlopen en hij sleepte haar mee naar elk feestje.
Sinds 2017 woonden ze samen bij mij in huis. Ik was aan het plannen om naar een seniorenwoning te gaan en [slachtoffer] en [benadeelde] zouden samen in mijn huurhuis blijven. Zo konden ze voor elkaar blijven zorgen zoals zij gewend waren.”
3.2.5
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4, 5 en 7 maart 2024 heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“Vordering zus:
Op deze vordering ga ik wel verweer voeren. Ik wend mij niet alleen tot de Rb, maar ook tot [benadeelde] , want ik wil graag aan u uitleggen waarom ik wel verweer voer op uw vordering.
Ik begrijp uw leed en daar wil ik niets aan af doen, maar de wetgever heeft een keuze gemaakt: partner, ouders en kinderen kunnen aanspraak maken op vergoeding van affectieschade. Zoals uw raadsvrouw zelf terecht heeft opgemerkt broers en zussen niet.
Alleen in hele bijzondere situaties kan op die hoofdregel een uitzondering worden gemaakt, maar die lat ligt hoog. Voor de goede orde merk ik op dat een partner of ouder niets hoeft aan te tonen, broers en zussen wel. Dit is nou eenmaal de keuze van de wetgever.
De aangehaalde zaak is niet vergelijkbaar (zaak Rb Den Haag). Twee broers waren jaren lang huisgenoten (niet in gezinsverband bij ouders, maar met zijn tweeën) en deden alles samen. Deze broer heeft ook vanaf een korte afstand gezien hoe zijn broer is neergestoken, heeft geprobeerd om het bloeden te stoppen en kort daarna is zijn broer overleden (shockschade toegekend). De broer was in behandeling voor psychische klachten en die diagnose is met stukken onderbouwd.
[benadeelde] en [slachtoffer] woonden niet met zijn tweeën maar in gezinsverband met oma (de normale broer en zus situatie). De oma heeft ook een vordering ingediend. Verder is de bijzondere situatie onvoldoende onderbouwd en zijn de psychische klachten niet met stukken onderbouwd.
In de aangehaalde Amsterdamse zaak (2024:511) overweegt de rechtbank dat er sprake is van een bijzonder geval wegens de overgelegde stukken. Bovendien is de vordering door de verdediging niet betwist en daardoor is de civiele vordering voor toewijzing vatbaar. Deze zaak is zodoende niet 1 op 1 toepasbaar op die van cl. Voor de Rotterdamse zaak (2022:4222) geldt hetzelfde.
Gezien het voorgaande verzoek ik u om de vordering af te wijzen.
De rb heeft dit ook gedaan omdat het uitgangspunt is dat zoveel mogelijk moet worden aangesloten bij de bedoeling van de wetgever. Broers en zussen kunnen slechts in uitzonderlijke gevallen aanspraak maken op affectieschade. Van een nauwe en persoonlijke betrekking kan sprake zijn als zij langdurig samenwonen en voor elkaar zorgden (dus anders dan in een normaal gezinsverband). Bij elkaar wonen en een hechte band hebben is daarvoor onvoldoende. Volgende de rb is onvoldoende gebleken dat de situatie sterk afweek van wat in het algemeen gebruikelijk is. Daarom is deze vordering niet-ontvankelijk verklaard.
De aanvullende stukken (verklaringen van familieleden) maken dit niet anders. Hierin komen geen wezenlijk nieuwe of andere standpunten naar voren.
Bovendien maken het standpunt van Slachtofferhulp Nederland en een evaluatie van het WODC niet dat de huidige wetgeving niet meer geldig is.”
3.2.6
Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van affectieschade toegewezen en daartoe overwogen:
“Vordering van de [benadeelde]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 17.500,00 aan immateriële schade (affectieschade). De benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Zij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft het standpunt ingenomen dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden toegewezen, nu haar – gelet op de onderbouwing van de vordering – een beroep op de zogenaamde hardheidsclausule als bedoeld in artikel 6:108 lid 4 sub g BW toekomt.
De raadsman heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, zoals hiervoor vermeld. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen op vergelijkbare gronden als gehanteerd door de rechtbank. De in hoger beroep ingebrachte stukken werpen hierop geen ander licht, aldus de raadsman.
Het hof overweegt als volgt.
In lid 4 van artikel 6:108 BW wordt een beperkte (limitatief opgesomde) kring van personen genoemd die voor vergoeding van affectieschade in aanmerking kunnen komen. Broers en zussen maken geen deel uit van deze limitatieve opsomming en komen dus volgens de wet niet voor affectieschade in aanmerking, tenzij zij ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staan, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij voor de toepassing van artikel 6:108 lid 3 BW als naasten worden aangemerkt (artikel 6:108 lid 4 onder g BW, de zogeheten hardheidsclausule). De benadeelde partij beroept zich op deze uitzonderingsbepaling. Voor het bewijs van het bestaan van zo’n nauwe persoonlijke betrekking moet een hechte affectieve relatie worden aangetoond, waarbij niet de formele, maar de feitelijke relatie beslissend is. Alle omstandigheden van het geval zijn van belang, waaronder de intensiteit, de aard en de duur van de relatie.
De advocaat van de benadeelde partij heeft gesteld en onderbouwd dat sprake was van een bijzondere en hechte affectieve relatie, die uitgaat boven de ‘gewone’ hechte relatie die broers en zussen kunnen hebben. De benadeelde partij en haar broer, die nog geen jaar in leeftijd verschilden, hebben geen makkelijke jeugd gehad. In 2017 zijn hun ouders naar Suriname verhuisd. Samen kwamen zij hierdoor bij hun oma te wonen. Vanaf die periode heeft de benadeelde partij een deel van de taken die bij hun ouders hoorden overgenomen. Zo vond haar broer, die ADHD had, de steun die hij van zijn ouders miste bij de benadeelde partij. Zij woonden tot aan het overlijden van het slachtoffer onafscheidelijk in gezinsverband samen. Zij waren van plan om na het verhuizen van oma samen te blijven, maar zover is het niet gekomen. Ook na het overlijden van haar broer heeft de benadeelde partij een rol vervuld die past bij de bijzondere en hechte affectieve relatie die zij hadden. Zij is degene van de naasten die vrijwel alles heeft geregeld, rondom het overlijden en rondom de strafzaak.
Het hof is, gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat de raadsman het door de advocaat van de benadeelde partij getypeerde karakter van deze relatie slechts in zeer beperkte mate heeft betwist, van oordeel dat de specifieke omstandigheden van de benadeelde partij dusdanig uitzonderlijk zijn dat deze een beroep op de hardheidsclausule in de zin van artikel 6:108 lid 4 onder g BW, zoals de wetgever deze heeft bedoeld, rechtvaardigen.
Het hof zal de vordering dan ook toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 maart 2021 tot aan de dag van de algehele vergoeding. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.”
3.3.1
Sinds de inwerkingtreding op 1 januari 2019 van de Wet van 11 april 2018 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht teneinde de vergoeding van affectieschade mogelijk te maken en het verhaal daarvan alsmede het verhaal van verplaatste schade door derden in het strafproces te bevorderen (Stb. 2018, 132) luiden artikel 6:107 en 6:108 BW:
- artikel 6:107 BW:
“1. Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, lichamelijk of geestelijk letsel oploopt, is die ander behalve tot vergoeding van de schade van de gekwetste zelf, ook verplicht tot vergoeding van:
a. (...)
b. een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag of bedragen voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat geleden door de in lid 2 genoemde naasten van de gekwetste met ernstig en blijvend letsel.
2. De naasten, bedoeld in lid 1 onder b, zijn:
a. de ten tijde van de gebeurtenis niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot of geregistreerde partner van de gekwetste;
b. de levensgezel van de gekwetste, die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam met deze een gemeenschappelijke huishouding voert;
c. degene die ten tijde van de gebeurtenis de ouder van de gekwetste is;
d. degene die ten tijde van de gebeurtenis het kind van de gekwetste is;
e. degene die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg voor de gekwetste heeft;
f. degene voor wie de gekwetste ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg heeft;
g. een andere persoon die in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de gekwetste staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van lid 1 onder b als naaste wordt aangemerkt.”
- artikel 6:108 BW:
“1. Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is overlijdt, is die ander verplicht tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud:
(...)
3. Voorts is de aansprakelijke verplicht tot vergoeding van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag of bedragen voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, geleden door de in lid 4 genoemde naasten als gevolg van het overlijden.
4. De naasten, bedoeld in lid 3, zijn:
a. de ten tijde van de gebeurtenis niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot of geregistreerde partner van de overledene;
b. de levensgezel van de overledene, die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam met deze een gemeenschappelijke huishouding voert;
c. degene die ten tijde van de gebeurtenis ouder van de overledene is;
d. degene die ten tijde van de gebeurtenis het kind van de overledene is;
e. degene die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg voor de overledene heeft;
f. degene voor wie de overledene ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg heeft;
g. een andere persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van lid 3 als naaste wordt aangemerkt.”
3.3.2
De geschiedenis van de hiervoor genoemde wet van 11 april 2018 houdt onder meer in:
- de memorie van toelichting:
“Het tweede lid [van artikel 6:107 BW] bepaalt de kring van personen die recht op vergoeding van affectieschade hebben. Het uitgangspunt daarbij is dat die kring wordt beperkt tot personen die geacht mogen worden een zeer nauwe band met het slachtoffer te hebben. Alleen in die gevallen is het gerechtvaardigd ervan uit te gaan dat het letsel van het slachtoffer voor deze personen een zo ernstig verlies betekent dat vergoeding op zijn plaats is. Zou de kring van gerechtigden te ruim worden getrokken, dan zou de beheersbaarheid van de regeling sterk afnemen en zou voorts onvoldoende zekerheid bestaan dat een vergoeding alleen wordt betaald in gevallen waarin daadwerkelijk van een ernstig verlies sprake is. In dat geval zou, gelet op de primaire functie van het recht op vergoeding van affectieschade, de waarde van de daarin gelegen erkenning van het geleden verlies door het recht in de praktijk sterk kunnen devalueren.
(...)
In onderdeel g is een hardheidsclausule opgenomen die onder uitzonderlijke omstandigheden een recht op vergoeding van affectieschade toekent aan een persoon die niet tot de «vaste kring» van gerechtigden behoort. Voor affectieschade komt ingevolge dit onderdeel in aanmerking een persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke betrekking tot de overledene staat, dat hij als naaste in de zin van derde lid wordt aangemerkt. In de consultatie is door DLR en het Verbond gevraagd om verduidelijking van het begrip «nauwe persoonlijke betrekking». Voor het aannemen van een nauwe persoonlijke betrekking dient een hechte affectieve relatie te worden aangetoond. Niet de formele maar de feitelijke verhouding is beslissend. De omstandigheden van het geval zijn bepalend. Factoren van belang zijn onder meer de intensiteit, de aard en de duur van de relatie. (...) Een voorbeeld van een nauwe persoonlijke betrekking kan zijn een relatie van broers of zussen die langdurig samenwonen en voor elkaar zorgen, of een langdurige, hechte LAT-relatie. Ook elders in de wet wordt het begrip nauwe, persoonlijke betrekking gehanteerd (vgl. artt. 1:204, derde lid, en artikel 1:377a BW). Voor de rechtspraktijk is dit een werkbaar begrip gebleken. Indien een beroep wordt gedaan op onderdeel g zijn anders dan bij de meeste andere onderdelen discussies over de invulling daarvan niet uit te sluiten. Onderdeel g dient echter te worden bezien in het kader van het spanningsveld tussen de wenselijkheid van een eenvoudig uitvoerbare regeling en een regeling die toch ook ruimte biedt om in sprekende gevallen naasten, die zich lastig laten vatten in specifiek te benoemen categorieën, voor vergoeding van affectieschade in aanmerking te laten komen.”
(Kamerstukken II 2014/15, 34257, nr. 3, p. 13-15.)
- de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer:
“De leden van de VVD-fractie vragen wat wordt verstaan onder een «nauwe persoonlijke relatie» (artikel 6:107 lid 2, onder g en artikel 6:108 lid 4, onder g, van het wetsvoorstel). Zij vragen of halfbroers en -zussen hiertoe bijvoorbeeld ook behoren.
In voornoemde voorgestelde artikelonderdelen is kort gezegd opgenomen dat de persoon die in een nauwe persoonlijke relatie staat tot de gekwetste of de overleden persoon, gerechtigd is tot de vergoeding van affectieschade. Dit betreft een hardheidsclausule, waarop in uitzonderlijke gevallen een beroep kan worden gedaan. Voor het aannemen van een nauwe persoonlijke betrekking dient een hechte affectieve relatie te worden aangetoond. Niet de formele maar de feitelijke verhouding is beslissend. De omstandigheden van het geval zijn bepalend. Factoren van belang zijn onder meer de intensiteit, de aard en de duur van de relatie. Aan (half)broers of -zussen komt als zodanig geen beroep op de hardheidsclausule toe. In een bijzonder geval kan worden bezien of hun feitelijke relatie een beroep op de hardheidsclausule rechtvaardigt. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn, indien twee (half)broers langdurig met elkaar samenleven en voor elkaar zorgen.
(...)
Het wetsvoorstel bevat een «gesloten regeling». Het gaat uit van een vaste groep van gerechtigden en van vaste bedragen. Dat voorkomt dat eenvoudig tot een oprekking van de regeling kan worden overgegaan. In een bijzonder geval kan evenwel beroep worden gedaan op een hardheidsclausule: een persoon die in een nauwe persoonlijke relatie staat tot de gekwetste of de overledene kan op grond van de redelijkheid en billijkheid als naaste in de zin van het wetsvoorstel worden aangemerkt, en daarmee als gerechtigde tot de vergoeding van affectieschade (zie artikel 6:107 lid 2, onder g, en artikel 6:108 lid 3, onder g van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), zoals deze komen te luiden ingevolge het wetsvoorstel). Hierdoor kan in een uitzonderlijk geval een andere naaste voor de vergoeding van affectieschade in aanmerking komen. De desbetreffende nauwe persoonlijke relatie moet worden aangetoond door de naaste. In voorkomende gevallen oordeelt de rechter uiteindelijk of aan die voorwaarde wordt voldaan. Ik verwacht daarom in dit geval geen eenvoudige oprekking van de regeling.”
(Kamerstukken I 2016/17, 34257, C, p. 6-7.)
- de nadere memorie van antwoord aan de Eerste Kamer:
“In uitzonderlijke gevallen kan een nauwe persoonlijke relatie met de gekwetste ook rechtvaardigen dat een naaste recht heeft op de vergoeding van affectieschade op grond van de hardheidsclausule (zie artikel 6:107 lid 2, onder g, en artikel 6:108 lid 3, onder g BW zoals voorgesteld). Het is aan de naaste om deze nauwe persoonlijke betrekking aannemelijk te maken. Voor het aannemen van een nauwe persoonlijke betrekking is biologische verwantschap niet vereist. Biologische verwantschap kan bij de vraag of hiervan sprake is wel van belang zijn. Het is uiteindelijk aan de rechter om de bijzondere omstandigheden te wegen en te beslissen op de aanspraak op vergoeding van affectieschade. Een voorbeeld van een beroep op de hardheidsclausule van voornoemde artikelonderdelen is de situatie van twee broers die hun leven lang samenwonen en voor elkaar zorgen. Wordt één van hen het slachtoffer van een ongeval, dan kan de ander aanspraak maken op de vergoeding van affectieschade, omdat hun nauwe persoonlijke relatie dat rechtvaardigt.”
(Kamerstukken I 2017/18, 34257, E, p. 5.)
3.4.1
Uit de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever tot uitgangspunt heeft genomen dat de kring van personen die recht hebben op vergoeding van affectieschade, beperkt is tot personen die geacht mogen worden een zeer nauwe band met het slachtoffer te hebben. Een ruimere kring van gerechtigden zou volgens de wetgever de beheersbaarheid van de regeling sterk doen afnemen en onvoldoende zekerheid bieden dat een vergoeding alleen wordt betaald in gevallen waarin daadwerkelijk sprake is van een ernstig verlies.
3.4.2
Tot de kring van personen die recht hebben op vergoeding van affectieschade behoort volgens artikel 6:107 lid 2, aanhef en onder g, en 6:108 lid 4, aanhef en onder g, BW ook de ‘andere persoon’ die in een zodanig nauwe persoonlijke relatie tot het slachtoffer staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat ook hij wordt aangemerkt als naaste die recht heeft op vergoeding van affectieschade. Bij die ‘andere persoon’ gaat het om een naaste, die niet al in die bepalingen onder a tot en met f is genoemd. Om op grond van deze – in de wetsgeschiedenis als ‘hardheidsclausule’ aangeduide – bepaling als rechthebbende te worden aangemerkt, moet door die naaste een hechte affectieve relatie worden aangetoond, waarbij als relevante factoren zijn genoemd de intensiteit, de aard en de duur van de relatie. In dat verband is als voorbeeld onder meer naar voren gebracht dat in het geval dat twee broers of zussen langdurig met elkaar samenleven en voor elkaar zorgen, zo’n nauwe persoonlijke betrekking kan bestaan.
(Vgl. HR 11 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1619.)
3.5.1
Het hof heeft de volgende vaststellingen gedaan. De benadeelde partij en haar broer ( [slachtoffer] ) verschilden nog geen jaar in leeftijd. Zij hebben geen gemakkelijke jeugd gehad en kwamen bij hun oma te wonen toen hun ouders in 2017 naar Suriname verhuisden. Vanaf die periode heeft de benadeelde partij een deel van de taken overgenomen die bij hun ouders hoorden. Haar broer, die ADHD had, vond bij haar de steun die hij van zijn ouders miste. Zij woonden tot aan zijn overlijden onafscheidelijk in gezinsverband samen en waren van plan om na het verhuizen van hun oma samen te blijven. Na het overlijden van haar broer heeft de benadeelde partij – in verband met zijn overlijden en ook rondom de strafzaak –een rol vervuld die past bij de bijzondere en hechte affectieve relatie die zij hadden.
3.5.2
Op grond van deze vaststellingen heeft het hof geoordeeld dat de specifieke omstandigheden van de benadeelde partij zo uitzonderlijk zijn dat deze een beroep op de ‘hardheidsclausule’ in de zin van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder g, BW rechtvaardigen. In het licht van de onder 3.3 weergegeven wetsgeschiedenis en tegen de achtergrond van wat onder 3.4 is vooropgesteld, getuigt dat oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd.
3.6
Het cassatiemiddel faalt.
4. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van dertien jaren.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze twaalf jaren en zeven maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 januari 2026.
Conclusie 18‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Doodslag (art. 287 Sr) en medeplegen wegvoeren en verbergen van een lijk (art. 151 Sr). 1. Falende bewijsklacht opzet op de dood. 2. Vordering benadeelde partij (zus van het slachtoffer) t.a.v. vergoeding van affectieschade. Heeft benadeelde partij o.g.v. hardheidsclausule van art. 6:108.4.g BW recht op vergoeding affectieschade, nu broers en zussen niet onder vaste kring van gerechtigden op affectieschade vallen? Oordeel hof dat specifieke omstandigheden van benadeelde partij dusdanig uitzonderlijk zijn dat deze een beroep op hardheidsclausule van art. 6:108.4.g BW rechtvaardigen, getuigt volgens AG niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Conclusie strekt tot strafvermindering wegens overschrijding redelijke termijn en verwerping voor het overige.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01112
Zitting 18 november 2025
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.
1. Het cassatieberoep
1.1
De verdachte is bij arrest van 21 maart 2024 door het gerechtshof Amsterdam (parketnr. 23-003018-22) wegens onder 1 primair “doodslag” en onder 2 “medeplegen van een lijk wegvoeren en verbergen met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertien jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking als bedoeld in art. 38z Sr opgelegd en beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader in het arrest omschreven.
1.2
Op grond van de vaststellingen van het hof liggen aan onderhavige zaak de volgende feiten ten grondslag. In de ochtend van 12 maart 2021 is in een sloot in [plaats] het stoffelijk overschot van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) aangetroffen. Uit onderzoek naar de oorzaak van de dood is gebleken dat [slachtoffer] is overleden aan de gevolgen van een inschotverwonding aan het hoofd. De bevindingen van de forensisch patholoog wijzen uit dat sprake is geweest van een mondschot. Op basis van de verklaringen van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep staat vast dat de kogel waardoor [slachtoffer] is overleden afkomstig was uit een vuurwapen dat de verdachte in zijn hand had. De verdachte heeft dit vuurwapen doorgeladen, zijn vinger op de trekker gelegd en van dichtbij gericht op het hoofd van [slachtoffer] . Toen de loop van het vuurwapen zich in de mond van [slachtoffer] bevond, werd een kogel afgevuurd.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De advocaat J. Kuijper heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel betreft een bewijsklacht over het opzet op de dood en het tweede middel gaat over de vordering van een benadeelde partij.
2. Het eerste middel
2.1
Het middel klaagt over het bewezen verklaarde opzet op de dood van het slachtoffer.
2.2
Ten laste van de verdachte is onder 1 primair bewezen verklaard dat:
“hij op 12 maart 2021 te [plaats] opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door die [slachtoffer] met een vuurwapen door het hoofd te schieten.”
2.3
Deze bewezenverklaring is gebaseerd op tien bewijsmiddelen die zijn opgenomen in een bijlage bij het arrest, waaronder drie verklaringen van de verdachte zelf:
“1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 8 september 2022.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik was (het hof begrijpt: op 11 maart 2021) omstreeks 23:30 uur bij de woning van (het hof begrijpt: [betrokkene 1] ) [betrokkene 1] . Ik zag [betrokkene 1] en [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) staan. Een maand daarvoor had ik een conflict met [slachtoffer] . Ik was met [medeverdachte 1] op pad in zijn busje. Ik droeg een vuurwapen in mijn jaszak. Ik stapte uit want ik wilde verhaal halen bij [slachtoffer] . Ik zag [slachtoffer] en roep hem een paar keer en hij rende naar binnen toen hij mij zag. [slachtoffer] rende weg omdat hij bang was. Vervolgens liep ik terug en zette het pistool op het hoofd van [betrokkene 1] . Dat deed ik om [slachtoffer] te bedreigen. Ik wilde aan [slachtoffer] een signaal afgeven door het vuurwapen tegen het hoofd van [betrokkene 1] te zetten. Ik weet alles nog. Ik had mijn statement gemaakt en mijn doel bereikt.
Later die nacht, op 12 maart 2021, waren we met het busje bij het busstation in [plaats] . Toen wij buiten het busje waren zag ik [slachtoffer] en [medeverdachte 2] aan komen lopen. Ik vroeg [slachtoffer] om in te stappen. Ik wilde dat hij de auto in ging, want je gaat iemand niet open en bloot bedreigen met een pistool. Hij zat in het midden en ik zat helemaal rechts op de passagiersstoel. Ik haalde het vuurwapen uit mijn jaszak en hield het vast met mijn vinger op de trekker. Ik heb het vuurwapen toen doorgeladen. Ik en [slachtoffer] zaten beiden met onze rug tegen de rugleuning. Ik hield het wapen gericht op het hoofd van [slachtoffer] . Hij ging met zijn mond over het wapen.
2. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 4 maart 2024.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik heb het wapen op het hoofd van [betrokkene 1] gezet met als doel via hem [slachtoffer] te bedreigen. Het was de bedoeling dat [betrokkene 1] dat aan [slachtoffer] zou doorgeven. De bedreiging was om te laten zien dat ik een wapen had, dat [betrokkene 1] dat tegen [slachtoffer] zou zeggen en dat het menens was. Ik wilde verhaal halen bij [slachtoffer] .
U vraagt mij naar het moment dat ik samen met [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) voorin de cabine van de bus van [medeverdachte 1] (het hof begrijpt: [medeverdachte 1] ) zat op die 12e maart 2021 in [plaats] . Mijn herinneringen aan het moment dat ik samen met [slachtoffer] naast elkaar voorin de bus van [medeverdachte 1] zit zijn nog scherp. Ik haalde het vuurwapen te voorschijn, laadde het door, ik richt het op het hoofd van [slachtoffer] , toen is hij met zijn mond op wapen gegaan en het wapen ging af. Ik had op dat moment mijn vinger op de trekker. Er kan alleen een kogel zijn afgevuurd 1 doordat de trekker is overgehaald. [slachtoffer] was meteen dood. Hij lag voorover gebogen en er kwam bloed uit zijn mond.
Wij, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] (het hof begrijpt: [medeverdachte 2] ) en ik, zijn vervolgens met het stoffelijk overschot van [slachtoffer] weggereden. We zijn eerst naar de woning van [medeverdachte 1] gereden. Hij is naar binnen gegaan en heeft vuilniszakken en twee paar handschoenen gepakt. Vervolgens zijn we naar een parkeerplaats in [plaats] gereden en daarna naar [plaats] . Het doel was dat [slachtoffer] zou gedumpt.
Eerst is er nog een andere plek bekeken, maar die was niet geschikt. Ik heb die plek gezien. [medeverdachte 1] vond die plek niet geschikt. Ik heb gezien dat [slachtoffer] over het gras werd gesleept, dat hij de grond raakte. Ik ben meegelopen naar de plek waar [slachtoffer] uiteindelijk is neergelegd en later is gevonden.
Na het schietincident zijn onze telefoons uitgezet.
Nadat het lichaam van [slachtoffer] bij de sloot was achtergelaten zijn we naar België gereden. Daar hebben we ons gewassen en nieuwe kleding gekocht.
[…]
8. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer 2021052259 van 14 januari 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (ongenummerd).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [verdachte] op 6 januari 2022, zakelijk weergegeven:
Op 12 maart 2021 reden we terug naar [plaats] . Op een gegeven moment zag ik [medeverdachte 2] en [slachtoffer] komen aanlopen. Ik zei tegen [slachtoffer] stap even in. Ik stapte ook in en ik heb mijn wapen getrokken en voor het gezicht van [slachtoffer] gezet. Op een gegeven moment deed [slachtoffer] zijn mond over het wapen heen en toen ging het wapen af. Opeens kwamen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aanrennen en die zagen dat [slachtoffer] voorover was gebogen en er bloed uit zijn mond kwam. [medeverdachte 2] stapte via de zijkant achterin. Ik deed de deur dicht. [medeverdachte 1] stapte ook in en we reden naar [medeverdachte 1] zijn deur (het hof begrijpt: het huis van [medeverdachte 1] ). We zijn nog langs [slachtoffer] zijn huis gereden. Met zijn telefoon. Voor zijn deur heeft [medeverdachte 1] zijn telefoon uitgezet zodat het leek alsof hij naar huis ging. Hij heeft daar vuilniszakken en twee paar handschoenen gepakt. We reden naar [A] . Daar stapte ik uit. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] stapten ook uit. [medeverdachte 1] gaf handschoenen aan [medeverdachte 2] en zij hebben toen [slachtoffer] achterin gezet. Daarna zijn we alle drie weer ingestapt. We reden richting [plaats] . We kwamen aan bij een doodlopende straat langs [natuurgebied] . [medeverdachte 1] vond het geen geschikte plek omdat daar veel mensen langs liepen met een hond en het was meer overzichtelijk. We reden richting de plek waar hij is gevonden en parkeerden onze auto. [medeverdachte 1] stapte uit en zocht een geschikte plek om [slachtoffer] te dumpen. Dus hij liep een padje op en daar ging hij tot het einde rennen om een geschikte plek te zoeken. Hij kwam terug en zei dat hij een geschikte plek had gevonden. Daar is het lichaam achtergelaten in de sloot op de plek waar hij later is gevonden. We reden toen naar België. Onderweg hebben we een afslag genomen en is de telefoon van [slachtoffer] in het water gegooid. Toen we in het hotel waren hebben [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] met natte doekjes de auto schoon zitten maken. We kochten nieuwe kleding en we hebben de kleding die we aan hadden gewassen bij een wasserette.”
2.4
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat er – kort gezegd – sprake was van een ongeluk en dus niet van opzet op de dood van het slachtoffer.
2.5
De bewijsoverweging van het hof houdt – voor zover van belang – het volgende in:
“Het hof gaat op grond van de bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.
In de ochtend van 12 maart 2021 is in een sloot in [plaats] het stoffelijk overschot van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) aangetroffen. Uit onderzoek naar de oorzaak van de dood is gebleken dat [slachtoffer] is overleden aan de gevolgen van een inschotverwonding aan het hoofd. De bevindingen van de forensisch patholoog wijzen uit dat sprake is geweest van een mondschot.
Op basis van de verklaringen van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep staat vast dat de kogel waardoor [slachtoffer] is overleden afkomstig is geweest uit een vuurwapen dat de verdachte in zijn hand had. De verdachte heeft dit vuurwapen doorgeladen, zijn vinger op de trekker gelegd en van dichtbij gericht op het hoofd van [slachtoffer] . Toen de loop van het vuurwapen zich in de mond van [slachtoffer] bevond, werd een kogel afgevuurd.
Feit 1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft betoogd dat de verdachte op onderdelen een ongeloofwaardige verklaring heeft afgelegd en dat hij vol opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van doodslag, omdat geen sprake was van opzet – ook niet in voorwaardelijke vorm – op de dood van [slachtoffer] . De verdachte en zijn raadsman hebben aangevoerd dat sprake was van een ongeluk. Zij hebben gesteld dat [slachtoffer] zelf zijn mond om de loop van het vuurwapen heeft gedaan, wat een beweging heeft veroorzaakt die erin heeft geresulteerd dat het schot is gelost.
Het oordeel van het hof
Het hof overweegt als volgt. In de periode voorafgaand aan de dood van [slachtoffer] was sprake van een conflict tussen [verdachte] en [slachtoffer] . In de avond van 11 maart 2021 wilde [verdachte] , die op dat moment een vuurwapen bij zich droeg, verhaal halen bij [slachtoffer] . Toen [slachtoffer] [verdachte] zag, rende hij weg omdat hij bang was. [verdachte] heeft toen het vuurwapen op het hoofd van een vriend van [slachtoffer] gezet. Hij wilde hierdoor [slachtoffer] bedreigen en laten weten dat het - naar zijn zeggen - menens was. Enkele uren later zaten [slachtoffer] en [verdachte] samen in de cabine van een busje en is het dodelijke schot gelost. Nu [slachtoffer] daarbij het leven heeft gelaten en overig bewijs over de gang van zaken ontbreekt, dienen de verklaringen van [verdachte] zelf te worden beoordeeld op een mogelijke bijdrage aan een reconstructie van wat zich daar exact heeft afgespeeld. [verdachte] heeft zich maandenlang op zijn zwijgrecht beroepen en uiteindelijk, na bijna tien maanden, verklaard dat sprake was van een ongeluk. Hij heeft verklaard dat het doorgeladen vuurwapen dat hij, met zijn vinger op de trekker, vast had en van dichtbij richtte op het hoofd van [slachtoffer] is afgegaan doordat [slachtoffer] zijn mond om de loop van het wapen heeft gedaan. Hij heeft voorts verklaard dat het wapen is afgegaan doordat zijn vinger de trekker naar achteren heeft bewogen. Hoewel [verdachte] naar eigen zeggen zich de gebeurtenissen nog goed kan herinneren, heeft hij na herhaalde vragen van het hof niet kunnen of willen uitleggen op welke wijze de gestelde gedraging van [slachtoffer] de vinger van [verdachte] op de trekker zodanig heeft doen bewegen dat het schot is gelost. De enkele verklaring dat [slachtoffer] zijn mond om de loop heeft gedaan is daartoe volstrekt onvoldoende. Mede in het licht van de ook eerder op die avond gebleken en met behulp van het vuurwapen geuite agressieve intenties van [verdachte] in de richting van [slachtoffer] , waardeert het hof deze verklaring van [verdachte] , die zoals gezegd pas in een laat stadium is afgelegd, als ongeloofwaardig. Dat betekent dat [verdachte] geen aannemelijke verklaring heeft gegeven over voor hem zeer belastende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen laten tegen deze achtergrond bezien geen andere conclusie toe dan dat [verdachte] opzettelijk de trekker heeft overgehaald en aldus [slachtoffer] van het leven heeft beroofd.
Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat [verdachte] daarbij met voorbedachte raad heeft gehandeld, zodat hij in zoverre zal worden vrijgesproken.”
2.6
In de toelichting op het middel wordt in de eerste plaats geklaagd over het oordeel van het hof dat de verklaring van de verdachte als ongeloofwaardig moet worden aangemerkt. Die verklaring van de verdachte houdt – kort gezegd – in dat sprake was van een ongeluk en dat het wapen is afgegaan omdat het slachtoffer zijn mond om de loop van het vuurwapen heeft geplaatst.
2.7
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte een doorgeladen vuurwapen, met zijn vinger op de trekker, van dichtbij heeft gericht op het hoofd van het slachtoffer en dat het wapen is afgegaan doordat de verdachte zijn vinger de trekker naar achteren heeft bewogen. In aansluiting daarop heeft het hof overwogen dat de uitleg van de verdachte voor het afgaan van het wapen, namelijk dat dit veroorzaakt is doordat het slachtoffer zijn mond om de loop heeft gedaan “daartoe volstrekt onvoldoende” is. In de visie van het hof moet er dus nog iets anders gebeurd zijn waarom uiteindelijk de trekker is overgegaan, maar de verdachte heeft – aldus het hof – “niet kunnen of willen uitleggen” op welke wijze het plaatsen van de mond om de loop door het slachtoffer de vinger van de verdachte zodanig heeft doen bewegen dat het schot is gelost. Waar het oordeel van het hof op neer komt, is dat de verdachte niets heeft aangevoerd dat kan verklaren waarom zijn vinger per ongeluk de trekker zou hebben overgehaald.
2.8
Dat het hof die omstandigheid heeft betrokken bij het oordeel dat de verklaring van de verdachte als ongeloofwaardig moet worden aangemerkt, acht ik niet onbegrijpelijk.
2.9
Daarbij moet bovendien worden aangetekend dat dit niet de enige omstandigheid is op basis waarvan het hof heeft geoordeeld dat de verklaring van de verdachte ongeloofwaardig is. Het hof heeft ook in aanmerking genomen dat de verdachte eerder op de avond en met behulp van een vuurwapen agressieve intenties had geuit in de richting van het slachtoffer en dat de verdachte zijn verklaring pas in een laat stadium heeft afgelegd.
2.10
Anders dan de steller van het middel betoogt, kon het hof bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaring van de verdachte betrekken dat hij zich eerst maandenlang op zijn zwijgrecht heeft beroepen en pas na bijna tien maanden heeft verklaard dat sprake was van een ongeluk. Dat zich hier niet het specifieke geval voordoet waarin de verdachte zijn verklaring op het dossier kon afstemmen, maakt dat niet anders. Ook dan blijft immers staan dat de omstandigheid dat de verdachte niet direct maar pas na bijna tien maanden heeft verklaard dat sprake was van een ongeluk, kan afdoen aan de geloofwaardigheid van die verklaring. Datzelfde geldt wat mij betreft ook voor de omstandigheid dat de verdachte eerder op de avond agressieve intenties had geuit tegen het slachtoffer door hem te bedreigen. Ook die omstandigheid draagt – bezien tegen achtergrond en in samenhang met de overige omstandigheden – bij aan de ongeloofwaardigheid van de verklaring van de verdachte dat sprake was van een ongeluk.
2.11
Al met al is het niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat de verklaring van de verdachte – inhoudende dat sprake was van een ongeluk en dat het wapen is afgegaan omdat het slachtoffer zijn mond om de loop van het vuurwapen heeft gedaan – als ongeloofwaardig heeft aangemerkt. Voor zover het middel daarover klaagt, faalt het.
2.12
In de tweede plaats wordt in de toelichting op het middel geklaagd over het oordeel van het hof dat de bewijsmiddelen geen andere conclusie toelaten dan dat de verdachte opzettelijk de trekker heeft overgehaald.
2.13
De steller van het middel verwijst naar het toetsingskader voor voorwaardelijk opzet en betoogt ook dat er geen sprake is geweest van gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg heeft aanvaard. Het is mij niet helemaal duidelijk of de steller van het middel ervan uitgaat dat het hof heeft geoordeeld dat sprake is van voorwaardelijk opzet, of dat zij slechts heeft willen betogen dat er – naast de afwezigheid van vol opzet – óók geen sprake was van voorwaardelijk opzet. Maar in ieder geval interpreteer ik het oordeel van het hof zo dat de verdachte opzettelijk – en dus met vol opzet – de trekker heeft overgehaald. Voor zover het middel uitgaat van een andere lezing, faalt het.
2.14
Ook voor het overige is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte een doorgeladen vuurwapen van dichtbij heeft gericht op het hoofd van het slachtoffer en dat het wapen is afgegaan doordat de verdachte met zijn vinger de trekker naar achteren heeft bewogen. Het hof heeft daarbij vervolgens in aanmerking genomen dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor deze zeer belastende feiten en omstandigheden.1.Het op deze redenering gebaseerde oordeel van het hof dat de bewijsmiddelen tegen deze achtergrond geen andere conclusie toelaten dan dat de verdacht opzettelijk de trekker heeft overgehaald, acht ik niet onbegrijpelijk. De bewezenverklaring is in zoverre dus toereikend gemotiveerd.
2.15
Het middel faalt.
3. Het tweede middel
3.1
Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat de [benadeelde] kan worden aangemerkt als ‘naaste’ in de zin van art. 6:108 lid 3 jo. lid 4 BW.
Procesverloop
3.2
[benadeelde] – de zus van het slachtoffer – heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en heeft een bedrag van € 17.500,- aan affectieschade gevorderd. Namens haar is deze vordering als volgt onderbouwd (met weglating van voetnoten):
“Op grond van het ‘Besluit vergoeding affectieschade’ (productie 1) kan voor het nadeel van naasten dat niet in vermogensschade bestaat affectieschade worden gevorderd.
Het uitgangspunt in de wet is dat broers en zussen geen aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade. Alleen in heel bijzondere gevallen, waarin sprake is van een hechte affectieve relatie, die (zeer) uitgaat boven de ‘gewone’ hechte relatie die broers en zussen kunnen hebben, indien zij in het verleden zeer nauw in het leven van het slachtoffer betrokken zijn geweest, is ruimte voor vergoeding van affectieschade aan een broer of zus op grond van artikel 6:108 lid 4 onder g BW. Dit volgt onder andere uit een uitspraak van Rechtbank Rotterdam op 12 december 2019 en een uitspraak van rechtbank Den Haag op 27 januari 2020.
Zo heeft de rechtbank Den Haag in haar uitspraak op 27 januari 2020 affectieschade toegekend aan de broer van het slachtoffer. De broer van het slachtoffer stelde in deze zaak dat zij naast broers ook beste vrienden en sinds een aantal jaar ook huisgenoten waren. Zij gingen samen naar de sportschool en op stap. De rechtbank was van oordeel dat dit wees op een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene dat uit de eisen van redelijkheid voortvloeit dat de broer van het slachtoffer voor de toekenning van een schadevergoeding als naaste in de zin van artikel 6:108 lid 3 BW moet worden aangemerkt (artikel 108 lid 4 onder g BW). De broer van het slachtoffer had om die reden recht op de door hem gevorderde schadevergoeding van € 17.500,00.
Als broer en zus hadden [slachtoffer] en cliënte een hechte affectieve relatie, zij waren tot zijn overlijden zeer nauw betrokken in het leven van elkaar. Vijf jaar voordat [slachtoffer] om het leven is gekomen, zijn de ouders van cliënte en [slachtoffer] naar Suriname verhuisd. Cliënte en [slachtoffer] woonden sindsdien samen bij hun oma in huis.
Er kan worden gesteld dat cliënte en [slachtoffer] een bijzondere broer en zus relatie hadden, zij scheelden qua leeftijd nog geen jaar, woonden samen, waren elkaars beste vrienden en spraken elkaar de hele dag door. Zij deden alle dagelijkse dingen samen, gingen samen op stap en [slachtoffer] kwam cliënte altijd van haar werk op halen. Ook verdachte [medeverdachte 1] bevestigt dit in een van zijn verklaringen op pagina 2040 van het procesdossier, deze verklaring zal worden overgelegd als productie 2. [medeverdachte 1] zegt in deze verklaring dat [slachtoffer] en zijn zusje vier handen op een buik waren en dat zij altijd met elkaar waren.
Cliënte heeft met behulp van haar tante de begrafenis van [slachtoffer] geregeld. Ze heeft zijn kist en steen uitgekozen en ook heeft zij uitgekozen wat hij droeg in de kist.
Cliënte was tot de dood van [slachtoffer] assistent-manager bij [B] . Sinds de dood van [slachtoffer] zit zij thuis in de ziektewet, omdat zij niet meer kan werken door het verdriet dat zij heeft. Cliënte is angstig op straat en heeft last van paniekaanvallen, zij staat momenteel op de wachtlijst bij een psycholoog.
Bovenstaande wijst op een zodanige nauwe relatie dat uit de eisen van redelijkheid voortvloeit dat cliënte, de zus van het slachtoffer, voor toekenning van een schadevergoeding als naaste in de zin van artikel 6:108 lid 3 BW moet worden aangemerkt (artikel 6:108 lid 4 onder g BW). Derhalve vordert cliënte een bedrag van € 17.500,00 aan affectieschade.
Cliënt vordert vergoeding van dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 12 maart 2021 tot de dag der algehele betaling en verzoekt uw rechtbank om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.”
3.3
In eerste aanleg heeft de verdediging ten aanzien van de vordering tot affectieschade – kort samengevat – betoogd dat broers en zussen alleen aanspraak kunnen maken op affectieschade in bijzondere situaties en dat van zo’n situatie geen sprake is. De rechtbank heeft de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. In hoger beroep heeft zij zich opnieuw gevoegd als benadeelde partij.
3.4
Volgens de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota heeft de verdediging het volgende aangevoerd over de vordering tot vergoeding van affectieschade van de zus van het slachtoffer:
“Op deze vordering ga ik wel verweer voeren. Ik wend mij niet alleen tot de Rb, maar ook tot [benadeelde] , want ik wil graag aan u uitleggen waarom ik wel verweer voer op uw vordering.
Ik begrijp uw leed en daar wil ik niets aan af doen, maar de wetgever heeft een keuze gemaakt: partner, ouders en kinderen kunnen aanspraak maken op vergoeding van affectieschade. Zoals uw raadsvrouw zelf terecht heeft opgemerkt broers en zussen niet.
Alleen in hele bijzondere situaties kan op die hoofdregel een uitzondering worden gemaakt, maar die lat ligt hoog. Voor de goede orde merk ik op dat een partner of ouder niets hoeft aan te tonen, broers en zussen wel. Dit is nou eenmaal de keuze van de wetgever.
De aangehaalde zaak is niet vergelijkbaar (zaak Rb Den Haag). Twee broers waren jaren lang huisgenoten (niet in gezinsverband bij ouders, maar met zijn tweeën) en deden alles samen. Deze broer heeft ook vanaf een korte afstand gezien hoe zijn broer is neergestoken, heeft geprobeerd om het bloeden te stoppen en kort daarna is zijn broer overleden (shockschade toegekend). De broer was in behandeling voor psychische klachten en die diagnose is met stukken onderbouwd.
[benadeelde] en [slachtoffer] woonden niet met zijn tweeën maar in gezinsverband met oma (de normale broer en zus situatie). De oma heeft ook een vordering ingediend. Verder is de bijzondere situatie onvoldoende onderbouwd en zijn de psychische klachten niet met stukken onderbouwd.
In de aangehaalde Amsterdamse zaak (2024:511) overweegt de rechtbank dat er sprake is van een bijzonder geval wegens de overgelegde stukken. Bovendien is de vordering door de verdediging niet betwist en daardoor is de civiele vordering voor toewijzing vastbaar. Deze zaak is zodoende niet 1 op 1 toepasbaar op die van cl. Voor de Rotterdamse zaak (2022:4222) geldt hetzelfde.
Gezien het voorgaande verzoek ik u om de vordering af te wijzen.
De rb heeft dit ook gedaan omdat het uitgangspunt is dat zoveel mogelijk moet worden aangesloten bij de bedoeling van de wetgever. Broers en zussen kunnen slechts in uitzonderlijke gevallen aanspraak maken op affectieschade. Van een nauwe en persoonlijke betrekking kan sprake zijn als zij langdurig samenwonen en voor elkaar zorgden (dus anders dan in een normaal gezinsverband). Bij elkaar wonen en een hechte band hebben is daarvoor onvoldoende. Volgende de rb is onvoldoende gebleken dat de situatie sterk afweek van wat in het algemeen gebruikelijk is. Daarom is deze vordering niet-ontvankelijk verklaard.
De aanvullende stukken (verklaringen van familieleden) maken dit niet anders. Hierin komen geen wezenlijk nieuwe of andere standpunten naar voren.
Bovendien maken het standpunt van Slachtofferhulp Nederland en een evaluatie van het WODC niet dat de huidige wetgeving niet meer geldig is.”
3.5
Het hof heeft de vordering tot affectieschade van de zus van het slachtoffer toegewezen en daartoe het volgende overwogen:
“Vordering van de [benadeelde]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 17.500,00 aan immateriële schade (affectieschade). De benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Zij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft het standpunt ingenomen dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden toegewezen, nu haar - gelet op de onderbouwing van de vordering - een beroep op de zogenaamde hardheidsclausule als bedoeld in artikel 6:108 lid 4 sub g BW toekomt.
De raadsman heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, zoals hiervoor vermeld. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de vordering van de benadeelde partij afte wijzen op vergelijkbare gronden als gehanteerd door de rechtbank. De in hoger beroep ingebrachte stukken werpen hierop geen ander licht, aldus de raadsman.
Het hof overweegt als volgt.
In lid 4 van artikel 6:108 BW wordt een beperkte (limitatief opgesomde) kring van personen genoemd die voor vergoeding van affectieschade in aanmerking kunnen komen. Broers en zussen maken geen deel uit van deze limitatieve opsomming en komen dus volgens de wet niet voor affectieschade in aanmerking, tenzij zij ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staan, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij voor de toepassing van artikel 6:108 lid 3 BW als naasten worden aangemerkt (artikel 6:108 lid 4 onder g BW, de zogeheten hardheidsclausule). De benadeelde partij beroept zich op deze uitzonderingsbepaling. Voor het bewijs van het bestaan van zo’n nauwe persoonlijke betrekking moet een hechte affectieve relatie worden aangetoond, waarbij niet de formele, maar de feitelijke relatie beslissend is. Alle omstandigheden van het geval zijn van belang, waaronder de intensiteit, de aard en de duur van de relatie. De advocaat van de benadeelde partij heeft gesteld en onderbouwd dat sprake was van een bijzondere en hechte affectieve relatie, die uitgaat boven de ‘gewone’ hechte relatie die broers en zussen kunnen hebben. De benadeelde partij en haar broer, die nog geen jaar in leeftijd verschilden, hebben geen makkelijke jeugd gehad. In 2017 zijn hun ouders naar Suriname verhuisd. Samen kwamen zij hierdoor bij hun oma te wonen. Vanaf die periode heeft de benadeelde partij een deel van de taken die bij hun ouders hoorden overgenomen. Zo vond haar broer, die ADHD had, de steun die hij van zijn ouders miste bij de benadeelde partij. Zij woonden tot aan het overlijden van het slachtoffer onafscheidelijk in gezinsverband samen. Zij waren van plan om na het verhuizen van oma samen te blijven, maar zover is het niet gekomen. Ook na het overlijden van haar broer heeft de benadeelde partij een rol vervuld die past bij de bijzondere en hechte affectieve relatie die zij hadden. Zij is degene van de naasten die vrijwel alles heeft geregeld, rondom het overlijden en rondom de strafzaak.
Het hof is, gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat de raadsman het door de advocaat van de benadeelde partij getypeerde karakter van deze relatie slechts in zeer beperkte mate heeft betwist, van oordeel dat de specifieke omstandigheden van de benadeelde partij dusdanig uitzonderlijk zijn dat deze een beroep op de hardheidsclausule in de zin van artikel 6:108 lid 4 onder g BW, zoals de wetgever deze heeft bedoeld, rechtvaardigen.
Het hof zal de vordering dan ook toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 maart 2021 tot aan de dag van de algehele vergoeding. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.”
Juridisch kader
3.6
Voor de bespreking van het middel zijn de bepalingen in art. 6:108 lid 3 en 4 BW van belang. Die luiden als volgt:
“3. Voorts is de aansprakelijke verplicht tot vergoeding van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag of bedragen voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, geleden door de in lid 4 genoemde naasten als gevolg van het overlijden.
4. De naasten, bedoeld in lid 3, zijn:
a. de ten tijde van de gebeurtenis niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot of geregistreerde partner van de overledene;
b. de levensgezel van de overledene, die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam met deze een gemeenschappelijke huishouding voert;
c. degene die ten tijde van de gebeurtenis ouder van de overledene is;
d. degene die ten tijde van de gebeurtenis het kind van de overledene is;
e. degene die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg voor de overledene heeft;
f. degene voor wie de overledene ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg heeft;
g. een andere persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van lid 3 als naaste wordt aangemerkt.”
3.7
Deze bepalingen zijn op 1 januari 2019 in werking getreden en regelen het recht op vergoeding van affectieschade voor nabestaanden.2.In lid 3 wordt het recht op de schadevergoeding voor affectieschade zelf geregeld en in lid 4 wordt bepaald welke kring van personen aanspraak kan maken op een vergoeding. De gedachte van de wetgever was daarbij dat de kring van gerechtigden wordt beperkt tot personen “die geacht mogen worden een zeer nauwe band met het slachtoffer te hebben”.3.De wetgever heeft er daarom voor gekozen om een ‘vaste kring’ van gerechtigden in de wet aan te wijzen. De reikwijdte van het recht op vergoeding van affectieschade wordt zo beperkt tot gevallen waarvan zonder meer wordt geacht dat het overlijden een zodanig groot verlies is dat vergoeding op zijn plaats is.4.De memorie van toelichting houdt hierover in:
“Zou de kring van gerechtigden te ruim worden getrokken, dan zou de beheersbaarheid van de regeling sterk afnemen en zou voorts onvoldoende zekerheid bestaan dat een vergoeding alleen wordt betaald in gevallen waarin daadwerkelijk van een ernstig verlies sprake is. In dat geval zou, gelet op de primaire functie van het recht op vergoeding van affectieschade, de waarde van de daarin gelegen erkenning van het geleden verlies door het recht in de praktijk sterk kunnen devalueren.”5.
3.8
Toch heeft de wetgever ook onderkend dat zich in de praktijk bijzondere situaties kunnen voordoen. Daarom is in sub g van art. 6:108 lid 4 BW een zogenaamde ‘hardheidsclausule’ opgenomen. Op grond van deze bepaling kan op basis van uitzonderlijke omstandigheden een recht op vergoeding van affectieschade worden toegekend aan personen die niet tot de in de wet vastgelegde vaste kring van gerechtigden behoren.6.Volgens de memorie van toelichting moet daarvoor “een hechte affectieve relatie” worden aangetoond.7.Niet de formele maar de feitelijke verhouding is in dat verband beslissend. Factoren van belang zijn onder meer de intensiteit, de aard, de duur en de (te verwachten) bestendigheid van de relatie in de toekomst en de invloed die de gebeurtenis daarop heeft. De memorie van toelichting noemt als voorbeelden “een relatie van broers of zussen die langdurig samenwonen en voor elkaar zorgen” of “een langdurige, hechte LAT-relatie”.8.
3.9
In een zeer recent arrest van 11 november 2025 heeft de Hoge Raad zich voor het eerst uitgelaten over de vraag of een persoon een geslaagd beroep toekomt op de hardheidsclausule van art. 6:108 lid 4 sub g BW.9.In die zaak had de benadeelde partij gesteld dat sprake was van een “hechte en duurzame LAT-relatie” tussen haar en het overleden slachtoffer en had het hof overwogen dat de benadeelde partij “daarmee” in voldoende mate had aangetoond dat haar een beroep toekwam op de hardheidsclausule. Na een uitgebreide vooropstelling met citaten uit de wetsgeschiedenis en een nadere duiding daarvan die overeenkomt met hetgeen ik hiervoor al heb opgemerkt, oordeelde de Hoge Raad dat het hof zijn oordeel nader had moeten motiveren omdat de verdediging de stellingen van de benadeelde partij had betwist onder verwijzing naar het ontbreken van stukken waaruit deze blijken.10.
3.10
Ook de positie van broers en zussen in het kader van het recht op vergoeding van affectieschade is tamelijk beperkt. Zij hebben van de wetgever geen plaats gekregen in de vaste kring van gerechtigden, maar kunnen onder omstandigheden slechts een beroep doen op de hardheidsclausule van art. 6:108 lid 4 sub g BW. Waarom broers en zussen in de wettelijke opsomming ontbreken wordt in de memorie toelichting niet expliciet uitgelegd, maar het lijkt erop dat er volgens de wetgever tussen broers en zussen niet zonder meer een zodanig nauwe band bestaat dat die een vergoeding van affectieschade op zichzelf rechtvaardigt.11.Mede tegen de achtergrond van de hiervoor geciteerde opmerking uit de memorie van toelichting waaruit blijkt dat de wetgever de kring van gerechtigden niet te ruim heeft willen trekken, moet het ervoor worden gehouden dat de wetgever hier simpelweg de grens heeft willen leggen.
3.11
De vraag is vervolgens onder welke omstandigheden broers en zussen op grond van de hardheidsclausule toch in aanmerking kunnen komen voor vergoeding van affectieschade. Nu de relatie tussen broers en zussen op zichzelf kennelijk niet voldoende is om tot de vaste kring van gerechtigden te behoren, moet er iets extra’s aan de hand zijn waardoor de relatie als het ware uitstijgt boven de gebruikelijke relatie die broers en zussen met elkaar hebben.12.Dat blijkt ook uit het antwoord van de toenmalige Minister van Veiligheid en Justitie op een vraag vanuit de VVD-fractie:
“Aan (half)broers of -zussen komt als zodanig geen beroep op de hardheidsclausule toe. In een bijzonder geval kan worden bezien of hun feitelijke relatie een beroep op de hardheidsclausule rechtvaardigt. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn, indien twee (half)broers langdurig met elkaar samenleven en voor elkaar zorgen.”13.
3.12
Inmiddels lijkt de minister van dat standpunt terug te komen. In november 2024 is de evaluatie van de Wet vergoeding affectieschade verschenen.14.Daaruit kwam als belangrijkste knelpunt naar voren dat broers en zussen niet zijn opgenomen in de kring van gerechtigden. Uit het onderzoek bleek dat zowel nabestaanden zelf, als professionals menen dat broers en zussen aanspraak zouden moeten hebben op vergoeding van affectieschade.15.In de beleidsreactie op deze evaluatie heeft de minister het volgende gezegd:
“Uitbreiding kring der gerechtigden met broers en zussen
Ik heb met uw Kamer meermalen gesproken over de positie van broers en zussen. Zoals in het Regeerprogramma is opgenomen, wordt er gewerkt aan een wetsvoorstel om broers en zussen ook de mogelijkheid te bieden om aanspraak te maken op de vergoeding van affectieschade. Het onderzoek bevestigt de behoefte die hieraan bestaat bij naasten en professionals en geeft duidelijke handvatten voor de invulling daarvan. Ik zal broers en zussen onder het bereik van de wet brengen via de vaste kring der gerechtigden. Uitgangspunt in de afbakening is voor mij de gezinseenheid: ouders, kinderen, broers en zussen. Dit betreft zowel juridische broers en zussen als moderne gezinsvormen en zowel thuis- als uitwonende broers en zussen. Ook voor uitwonende broers en zussen kan het overlijden of ernstig en blijvend letsel van een naaste een ommezwaai in het leven betekenen, bijvoorbeeld doordat levensgebeurtenissen zoals geboorte en overlijden niet samen gedeeld kunnen worden. Daarnaast wil ik voorkomen dat broers en zussen in pijnlijke discussies terechtkomen. Ik denk hierbij aan de situatie dat iemand op kamers woont en in de weekenden thuiskomt. Ik zal hierbij in de toe te kennen bedragen wel onderscheid maken tussen thuis- en uitwonende broers en zussen. Belangrijk hierbij is voor mij het bieden van duidelijkheid en het voorkomen van een gevoel van onrechtvaardigheid binnen één gezin. Het wetsvoorstel hierover zal naar verwachting eind 2025 in consultatie gaan.”16.
3.13
Aan deze mogelijk op handen zijnde verandering van wetgeving heeft de benadeelde partij in de onderhavige zaak echter niets. Voor haar geldt nog dat zij – als zus van het slachtoffer – alleen aanspraak kan maken op vergoeding van affectieschade als haar een beroep toekomt op de hardheidsclausule. Het hof heeft geoordeeld dat dat het geval is en in cassatie is de vraag aan de orde of dat oordeel in stand kan blijven.
De bespreking van het middel
3.14
Het hof heeft vooropgesteld dat broers en zussen geen onderdeel uitmaken van de limitatieve opsomming in art. 6:108 lid 4 BW en dat zij volgens de wet dus niet voor affectieschade in aanmerking komen, tenzij ze op basis van de hardheidsclausule toch als ‘naaste’ in de zin van art. 6:108 lid 3 BW kunnen worden aangemerkt. Het hof heeft verder overwogen dat in dat verband niet de formele, maar feitelijke relatie beslissend is en dat alle omstandigheden van het geval van belang zijn, waaronder de intensiteit, de aard en de duur van de relatie. Het hof heeft uiteindelijk geoordeeld dat “de specifieke omstandigheden van de benadeelde partij dusdanig uitzonderlijk zijn dat deze een beroep op de hardheidsclausule” rechtvaardigen.
3.15
Uit deze overwegingen blijkt dat het hof het hiervoor uiteengezette juridisch kader niet heeft miskend. Het oordeel van het hof getuigt dus niet van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het middel daarover klaagt, faalt het. De vraag is vervolgens of de door het hof in aanmerking genomen feiten en omstandigheden toereikend zijn voor het oordeel dat de zus van het slachtoffer in dit concrete geval een zodanig nauwe persoonlijke betrekking had met het slachtoffer dat zij als ‘naaste’ in de zin van art. 6:108 lid 3 BW kan worden aangemerkt.
3.16
Anders dan in het hiervoor aangehaalde arrest van 11 november 2025, heeft het hof in de onderhavige zaak aan de hand van concrete stellingen van de benadeelde partij gemotiveerd waarom de benadeelde partij een beroep toekomt op de hardheidsclausule. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat namens de benadeelde partij is gesteld en onderbouwd dat sprake was van een bijzondere en hechte affectieve relatie, die uitging boven de ‘gewone’ relatie tussen broers en zussen. In dat verband is aangevoerd dat de benadeelde partij en haar broer geen makkelijke jeugd hebben gehad, dat hun ouders in 2017 naar Suriname zijn verhuisd en dat zij vanaf dat moment bij hun oma hebben gewoond en dat zij daar ook tot aan het overlijden van het slachtoffer in gezinsverband samen zijn geweest. Zij waren van plan om – na het verhuizen van hun oma – samen te blijven. Verder is aangevoerd dat de benadeelde partij een deel van de taken van de ouders heeft overgenomen en dat het slachtoffer zo de steun vond bij de benadeelde partij die hij van zijn ouders miste. Tot slot is erop gewezen dat de benadeelde partij ook na het overlijden van haar broer een rol heeft vervuld die past bij de bijzondere en hechte affectieve relatie die zij hadden.
3.17
Hetgeen namens de benadeelde partij is aangevoerd, heeft betrekking op de intensiteit, de aard en de duur van de relatie tussen de benadeelde partij en haar broer. Met de stelling dat zij – nadat hun oma zou verhuizen – van plan waren om samen te blijven, is tevens iets gezegd over de (te verwachten) bestendigheid van de relatie. Het op deze omstandigheden gebaseerde oordeel van het hof dat “de specifieke omstandigheden van de benadeelde partij dusdanig uitzonderlijk zijn dat deze een beroep op de hardheidsclausule” rechtvaardigen, acht ik niet onbegrijpelijk.
3.18
Dat het hof daarbij eveneens in aanmerking heeft genomen dat de raadsman van de verdachte “het door de advocaat van de benadeelde partij getypeerde karakter van deze relatie slechts in zeer beperkte mate heeft betwist”, is evenmin onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat de raadsman van de verdachte er vooral op heeft gewezen dat broers en zussen slechts in uitzonderingsgevallen voor affectieschade in aanmerking komen en dat vervolgens – zonder veel toelichting – is aangevoerd dat de “bijzondere situatie onvoldoende [is] onderbouwd”.
3.19
Het middel faalt.
4. Slotsom
4.1
Beide middelen falen en het eerste middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
4.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen meer dan 16 maanden nadat cassatie is ingesteld. Dat betekent dat inbreuk is gemaakt op het in art. 6 lid 1 EVRM neergelegde recht van de verdachte om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Dat dient te leiden tot strafvermindering.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijk maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 18‑11‑2025
Wet van 11 april 2018 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht teneinde de vergoeding van affectieschade mogelijk te maken en het verhaal daarvan alsmede het verhaal van verplaatste schade door derden in het strafproces te bevorderen, Stb. 2018, 132.
Kamerstukken II 2014/15, 34 257, nr. 3, p. 13. Zie daarover ook A.T. Bolt, in: Groene Serie Schadevergoeding, art. 6:108 BW, aant. 4.6.1 (online, bijgewerkt tot 15 augustus 2020) en S.D. Lindenbergh, in: T&C BW, art. 6:108 BW, aant. 4b (online, bijgewerkt 1 september 2025).
Helemaal in beton gegoten is dit uitgangspunt overigens ook niet. Zo wordt in de memorie van toelichting het voorbeeld gegeven van een echtgenoot die aanspraak maakt op vergoeding van affectieschade wegens ernstig en blijvend letsel van zijn echtgenote, terwijl deze echtgenoot voor het ongeval al met de spreekwoordelijke Noorderzon was vertrokken, of reeds samenwoonde met iemand anders. “In gevallen waarin vergoeding in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, kan deze met een beroep op artikel 6:2, tweede lid, BW worden afgewezen”, aldus de wetgever. Zie Kamerstukken II 2014/15, 34 257, nr. 3, p. 15.
Kamerstukken II 2014/15, 34 257, nr. 3, p. 13-14..
Kamerstukken II 2014/15, 34 257, nr. 3, p. 14. Zie voorts A.T. Bolt, in: Groene Serie Schadevergoeding, art. 6:108 BW, aant. 4.6.9.1 (online, bijgewerkt tot 15 augustus 2020). Dat het bij de hardheidsclausule echt gaat om uitzonderlijke gevallen, blijkt ook uit de volgende passage: “De Rvdr geeft in zijn advies in overweging om te voorzien in een ruimere hardheidsclausule. Daarvan zie ik af. Het criterium van artikel 6:2, tweede lid, BW leent zich slechts voor toepassing in zeer uitzonderlijke gevallen. Discussies over de feitelijke invulling van op zichzelf zeer nauwe persoonlijke betrekkingen zijn voor de gekwetste en zijn naasten belastend en precair. De feitelijke invulling van deze persoonlijke relaties dient om die reden slechts in zeer uitzonderlijke – sprekende – gevallen aan de orde te kunnen worden gesteld.” Zie Kamerstukken II 2014/15, 34 257, nr. 3, p. 15.
Kamerstukken II 2014/15, 34 257, nr. 3, p. 15. Zo ook S.D. Lindenbergh, in: T&C BW, art. 6:108 BW, aant. 4b (online, bijgewerkt 1 september 2025).
Zie HR 11 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1619. In een eerdere zaak van 13 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:721 werd door de benadeelde partij in cassatie wel geklaagd over het oordeel van het hof dat haar geen beroep op de hardheidsclausule toekwam, maar vanwege een slagend middel van de verdachte kwam de Hoge Raad niet toe aan de bespreking van dat middel.
HR 11 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1619, rov. 3.4 en 3.5.
Zie S.D. Lindenbergh, Smartengeld, Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 143. Lindenbergh wijst als mogelijke verklaring voor het ontbreken van broers en zussen in de wettelijke opsomming op een passage uit de memorie van toelichting uit een eerder wetsvoorstel dat uiteindelijk werd verworpen: “[…] dat het overlijden van bijvoorbeeld een echtgenoot of een kind als een aanmerkelijk ernstiger verlies wordt ervaren dan het overlijden van een broer of zuster”. Zie Kamerstukken I 2005/06, 28 781, nr. E, p. 7.
Zie daarover ook A.T. Bolt, in: Groene Serie Schadevergoeding, art. 6:108 BW, aant. 4.6.9.2 (online, bijgewerkt tot 15 augustus 2020).
K. van Wees e.a., Evaluatie Wet vergoeding affectieschade, Den Haag: WODC 2024.
K. van Wees e.a., Evaluatie Wet vergoeding affectieschade, Den Haag: WODC 2024, p. 195-196.
Kamerstukken II 2024/25, 34 257, nr. 13, p. 5. Voor zover ik heb kunnen nagaan, is het door de minister aangekondigde wetsvoorstel nog niet in consultatie gegaan.
Beroepschrift 29‑12‑2024
De Hoge Raad der Nederlanden
Griffienummer: S 24/01112
SCHRIFTUUR VAN CASSATIE
in de zaak van [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1993, verzoeker van cassatie van een hem betreffende uitspraak van het onder parketnummer 23-003018-22 gewezen arrest van het gerechtshof Amsterdam van 21 maart 2024, alsmede van alle al dan niet ter terechtzitting onder dat parketnummer genomen (tussen)beslissingen.
Verzoeker van cassatie dient hierbij de navolgende middelen in:
Middel I:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet-naleving met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen. In het bijzonder betreft dit de artikelen 287 Sr, 350, 358, 359 en 415 Sv doordat het oordeel van het gerechtshof met betrekking tot feit 1, te weten dat verzoeker opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, onbegrijpelijk is en/of onvoldoende met redenen is omkleed, en/of het gerechtshof het verweer van verzoeker dat bij hem de opzet op de dood van het slachtoffer heeft ontbroken ten onrechte heeft verworpen, althans heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen en/of onbegrijpelijk zijn.
Het arrest lijdt als gevolg daarvan aan nietigheid.
Toelichting:
1.
Ten laste van verzoeker heeft het gerechtshof bewezenverklaard dat:
‘1. primair
hij op 12 maart 2021 te [a-plaats] opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door die [slachtoffer] met een vuurwapen door het hoofd te schieten;’
2.
Verzoeker heeft ontkend dat hij het slachtoffer opzettelijk van het leven heeft beroofd en aangevoerd dat het een ongeluk was. Hij heeft in dat verband ter zitting in hoger beroep van 7 maart 2024 verklaard, p. 7:
‘U vraagt mij naar het moment dat ik samen met [slachtoffer] voorin de cabine van de bus van [medeverdachte 1] zat op die 12e maart 2021 in [a-plaats]. Mijn herinneringen aan het moment dat ik samen met [slachtoffer] naas̀t elkaar voorin de bus van [medeverdachte 1] zit zijn nog scherp. Ik haalde het vuurwapen te voorschijn, laadde het door, ik richt het op het hoofd van [slachtoffer], toen is hij met zijn mond op wapen gegaan en het wapen ging af. Ik had op dat moment mijn vinger op de trekker. Er kan alleen een kogel zijn afgevuurd doordat de trekker is overgehaald. [slachtoffer] was meteen dood. Hij lag voorover gebogen en er kwam bloed uit zijn mond.
(…)
Ik was de avond van het incident dronken, maar ik kan mij alles nog goed herinneren. Ik had een halve fles wodka op. In het verleden was ik een alcoholist dus ik kan wel wat hebben.’
en op p. 8:
‘Ik zat met [slachtoffer] voorin de bus van [medeverdachte 1]. Ik zat op de rechter bijrijder stoel en [slachtoffer] in het midden. Ik haalde het wapen tevoorschijn. Ik had het wapen in mijn rechterhand en hield het wapen voor mijn borst. Ik zat met mijn rug tegen de rugleuning aan. Ik richtte het wapen zijdelings op [slachtoffer]. [slachtoffer] riep: ‘schiet dan, schiet dan’. Hij was niet onder de indruk. Hij bracht zijn hoofd naar mij toe. Hij ging met zijn mond over het wapen en toen ging het wapen af. Het is niet makkelijk om hierover te praten. Ik praat er niet vaak over. Ik heb het wapen eerst doorgeladen. U vraagt wat ik daaronder versta. De hendel naar achter trekken. Ik wist niet dat er daardoor een patroon in de kamer komt. Ik had niet gedacht dat ik een geladen wapen zou krijgen. Ik heb het niet gecontroleerd. Het is niet dat ik [medeverdachte 1] zo erg vertrouwde, maar ik heb er door de drank niet aan gedacht. Ik had mijn vinger op de trekker toen ik het wapen op zijn hoofd richtte. Ik voelde geen weerstand van de trekker. Ik weet niet precies hoever het wapen in zijn mond zat. Het was een snelle beweging en zodra [slachtoffer] zijn mond op het wapen had, ging het wapen af. Ik heb de trekker niet overgehaald. Het kan zijn dat het wapen een beweging maakte doordat [slachtoffer] zijn mond over het wapen deed en dat daardoor de trekker is afgegaan. Het ging heel snel. Ik weet het niet precies. Ik stapte toen uit en zei dat het per ongeluk ging. Ik heb toen niet gezegd hoe het was gegaan. Ik heb het later in het hotel pas verteld.’
3.
De raadsman heeft blijkens zijn op de zitting van 5 maart 2024 overgelegde pleitnota in dat verband onder meer aangevoerd:
op p. 2-3:
‘1.1 : Lezing cl en bevestiging daarvan
Cl heeft een uitgebreide en gedetailleerde verklaring afgelegd van maar liefst 28 pagina's, cl heeft deze tijdens verschillende zittingen (politie/rb/gh) herhaald en op alle vragen van uw gerechtshof en advocaat generaal antwoord gegeven. Cl heeft steeds consistent verklaard (cl is beneden gemiddeld tot laag begaafd).
Dit betreft een betrouwbare verklaring omdat cliënt zich zelf belast, hij als enige over nieuwe onderwerpen heeft verklaard die nog niet uit het dossier bleken en omdat zijn verklaring wordt bevestigd door meerdere bewijsmiddelen, waaronder objectief bewijs.
Cl heeft verklaard dat het zijn bedoeling was om het SO te bedreigen en niet om hem van het leven te beroven. Kort en goed heeft hij aangegeven dat zowel hij als het SO onder invloed waren, dat hij zijn vinger op de trekker had, hij het wapen heeft doorgeladen en op het SO heeft gericht, dat het SO zei schiet dan schiet dan, dat het SO vervolgens zijn mond over het wapen heeft gedaan en dat het wapen toen is afgegaan. Het wapen ging af omdat het SO in aanraking kwam met het wapen, omdat het SO het op die manier aanraakte. Door de beweging van het so is het wapen afgegaan. Cl heeft de trekker niet overgehaald en niet geknepen of gedrukt. Het ging allemaal erg snel. Cl wist niet dat er kogels in het wapen zaten. Het is nooit de bedoeling van cl geweest om het SO van het leven te beroven, dit is per ongeluk gegaan.
De lezing van cl wordt bevestigd door de medeverdachten. Zij hebben verklaard dat cl direct na het incident als eerste reactie meerdere malen heeft aangegeven dat het per ongeluk is gebeurd. De eerste natuurlijke reactie van cliënt vlak na het incident is dus geweest dat hij aan heeft gegeven dat het om een ongeluk ging.
(…)’
en op pp. 5 en 6:
‘De lezing van cl wordt ook bevestigd door de omstandigheid dat de schouwarts geen zichtbaar letsel heeft geconstateerd bij [slachtoffer] aan het hoofd, gezicht, hals en tanden.1. Dit past bij de lezing dat hij zelf zijn mond om het wapen heeft gedaan.
Afsluitend merk ik op dat niet alleen cliënt heeft verklaard dat [slachtoffer] dronken was, maar [medeverdachte 2] heeft dit ook verklaard. Voorts is uit toxicologisch onderzoek gebleken dat [slachtoffer] dronken was. Hij verkeerde in een staat waarin significantie verslechtering van de lichaamsfuncties optreedt, misselijkheid en braken, niet zelfstandig kunnen staan en onsamenhangende spraak.2.
Dat cliënt dronken was blijkt niet alleen uit zijn verklaring, maar wordt bevestigd door [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [betrokkene 1].
Ik realiseer me dat het opvallend is dat [slachtoffer] zijn mond over het vuurwapen heeft gedaan. Maar niet onmogelijk of daardoor direct ongeloofwaardig. Zeker gezien de staat waarin [slachtoffer] verkeerde.
Daar komt bij dat een vuurwapen snel afgaat. Ik heb zelf op een schietbaan met vuurwapens geschoten. Omdat ik voor mijn werk wilde weten hoe dat is. Ik schrok ervan hoe snel een vuurwapen afgaat. Een trekker hoeft niet helemaal naar achteren te worden getrokken om een kogel af te vuren. Dat het vuurwapen is afgegaan, omdat het wapen is bewogen omdat [slachtoffer] het wapen in zijn mond heeft gedaan, is goed mogelijk. Zeker omdat beide personen onder invloed zijn geweest.
Gezien het voorgaande is de lezing van cl aannemelijk (heel gedetailleerd 28 p's & cl belast zichzelf als enige), wordt deze lezing bevestigd door het dossier en valt de lezing van cl niet uit te sluiten op basis van dit dossier. Er is immers geen enkel bewijsmiddel voorhanden waar het tegendeel uit blijkt.
Ik benadruk graag dat er geen enkele aanleiding is geweest om [slachtoffer] van het leven te beroven. Er wordt pas iemand bewust van het leven beroofd als daar een dringende reden voor is. Bijvoorbeeld een conflict in de onderwereld of in de relationele sfeer. Ja cliënt had een conflict met [slachtoffer] en ja cl wilde [slachtoffer] bedreigen, maar er is geen aanleiding of reden geweest om [slachtoffer] van het leven te beroven. Daar is helemaal geen motief voor. Dit sterkt mij in de overtuiging dat er sprake was van een ongeluk.
Gezien het voorgaande kan de verklaring van cl niet als ongeloofwaardig terzijde worden geschoven. Ik merk graag op dat de rechtbank dit ook niet heeft gedaan en de rechtbank van een ongeluk is uitgegaan. De rechtbank heeft in dat kader overwogen dat de enkele omstandigheid dat een verdachte in een later stadium heeft verklaard, niet maakt dat een verklaring op basis daarvan als ongeloofwaardig moet worden aangemerkt. Bovendien heeft de rb overwogen dat de verklaring van cl. dat het wapen per ongeluk is afgegaan, bevestiging vindt in de informatie in het dossier.
(…)’
en op pp. 7 t/m 13:
‘1.2 : Geen voorwaardelijk opzet op de dood
Gezien het feitelijk verloop van het incident is er geen sprake van doodslag dan wel moord en moet cliënt daarvoor worden vrijgesproken. Cliënt heeft geen opzet gehad op de dood van het SO, ook niet in voorwaardelijke zin. Cliënt is mogelijk onvoorzichtig geweest en dat kan ook strafbaar zijn, maar dat valt niet onder doodslag of moord (ik zal hier later op terugkomen).
Van voorwaardelijk opzet is sprake als door de handeling de kans op het gevolg naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is.
De handeling di cl heeft verricht is dat hij het wapen heeft doorgeladen en op het SO heeft gericht. Dit levert geen aanmerkelijke kans op de dood op. Hierdoor gaat het wapen immers niet af en wordt er geen kogel afgevuurd.
Dit is pas gebeurd nadat het SO het wapen in zijn mond heeft gedaan. Het is naar algemene ervaringsregels niet voorzienbaar dat iemand op wie een wapen wordt gericht, dat wapen in zijn mond doet en dat daardoor het wapen afgaat. Dus door de handeling van cl (het richten van het wapen) is er geen aanmerkelijke kans op de dood ontstaan.
Daarnaast is er pas sprake van voorwaardelijk opzet als het gevolg willens en wetens, dus bewust, is aanvaard en op de koop is toegenomen. Of er in een concreet geval sprake is van voorwaardelijk opzet is afhankelijk van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm wordt aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het -behoudens contra-indicaties — niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.3.
Van bewuste aanvaarding is i.c. geen sprake. In dit kader is relevant dat het wapen niet van cliënt was, dat cliënt niet wist of er kogels in het wapen zaten, dat zowel cliënt als het SO onder invloed waren, dat het wapen is afgegaan toen het SO zijn mond over het wapen deed, dat cliënt niet het wapen in de mond van het SO heeft gestopt, dat cliënt niet bewust de trekker over heeft gehaald, dat cliënt niet bewust heeft geschoten op het SO of daartoe een bewuste en actieve handeling heeft verricht. Zoals aangegeven, cliënt wilde het SO alleen bedreigen en bang maken.
Zodoende is het wapen niet afgegaan door een bewust en actieve handeling van cl en ontbreekt er een causaal verband tussen de handeling van cl (het richten van het wapen) en het gevolg (de dood van het SO). Zodat cl niet bewust het risico op de dood op de koop heeft toegenomen. Waardoor er geen sprake is van voorwaardelijk opzet en dus ook geen sprake van doodslag of moord.
Er is met andere woorden geen sprake van een gedraging waarvan de aard dusdanig is, dat deze naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht is op het intreden van de dood, dat het niet anders kan zijn dan dat cl de aanmerkelijke kans op de dood bewust heeft aanvaard.
Daar komt bij dat er meerdere contra-indicaties aanwezig zijn in dit kader, zoals dat cl direct heeft aangegeven dat het een ongeluk was, in een bus van een vriend, bij het station midden in een woonwijk en met zijn telefoon bij zich.
Afsluitend wijs ik u graag op de volgende relevante uitspraken.
In de eerste zaak is Russisch roulette; het om de beurt een wapen op elkaars hoofd zetten, de trekker overhalen waardoor het SO is komen te verlijden, zonder zich ervan te vergewissen of het wapen geladen was, gekwalificeerd als dood door schuld. De verdachte wordt door het GH vrijgesproken van doodslag. De HR casseert nog omdat de motivering voor de roekeloosheid in de zin van art. 307 lid 2 Sr. onbegrijpelijk is.4.
In de volgende zaak waarin 2 verdachten een rip deal willen uitvoeren, waarbij 1 van de verdachten een wapen heeft en er een worsteling ontstaat met de persoon die men wil overvallen, gaat het pistool af tijdens de worsteling en wordt de medeverdachte dodelijk getroffen. De verdacht wordt niet veroordeeld voor doodslag, maar voor dood door schuld. De HR casseert omdat er geen sprake is van roekeloosheid. Het plegen van een overval met een doorgeladen wapen, in een kleine woning, waarbij te verwachten viel dat het beoogde SO zich zou verzetten, is daartoe onvoldoende.5.
Ik merk op dat de A-G in deze zaak, mr. P.C. Vegter, opmerkt dat het enkel richten van een doorgeladen vuurwapen nog geen roekeloosheid oplevert.6. Dan levert dit in ieder geval geen doodslag op.
Tevens merk ik op dat er in de jurisprudentie genoeg zaken te vinden zijn waarin, al dan niet onder invloed van verdovende middelen, per ongeluk een wapen is afgegaan of mensen per ongeluk door een kogel worden geraakt, dit handelen niet als doodslag wordt gekwalificeerd.7.
Aanvulling jurisprudentie in hoger beroep, dus na vonnis rb:
In een recente zaak van uw hof Amsterdam werd de verdachte voor het afvoeren van 3 kogels van een korte afstand op een auto veroordeeld voor poging doodslag. Voor de vierde kogel werd hij echter vrijgesproken, dit met de volgende overweging:
‘Ten aanzien van de vierde kogel merkt het hof op dat deze klaarblijkelijk is afgevuurd ten tijde van de worsteling om de telefoon, maar dat niet met de voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte degene is geweest die de kogel (actief) heeft afgevuurd Wegens de gerede twijfel daarover moet de verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.’8.
De verdachte is met een doorgeladen vuurwapen naar de auto gelopen, waarvan het raam openstond en het so in de auto zat. Daar is een worsteling ontstaat en tijdens die worsteling is het wapen afgegaan. Dit zijn gedragingen die verder gaan dan die cl heeft verricht. Cl heeft enkel een wapen gericht. Deze verdachte heeft nog deelgenomen aan de worsteling met een geladen vuurwapen in zijn hand.
De overweging dat niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte degene is geweest die de kogel actief heeft afgevuurd, is 1 op 1 toepasbaar op de zaak van cl. Zodat ook cl moet worden vrijgesproken van doodslag.
In een uitspraak van 2 weken geleden is een verdachte vrijgesproken van poging doodslag, omdat er twijfel bestond of de verdachte met de hamer op het hoofd van het slachtoffer had geslagen of dat de hamer het slachtoffer op het hoofd had geraakt tijdens de val van de verdachte naar de grond, nadat hij was getackeld.9. Dus of het slachtoffer tegen de hamer aan was gelopen. Omdat de rechtbank te veel twijfelde of de verdachte daadwerkelijk met de hamer tegen het hoofd van het slachtoffer had geslagen, wordt de verdachte vrij gesproken.
De verdachte heeft de hamer uit zijn scooter gehaald, is naar het so toegelopen, heeft de hamer in de lucht omhoog gehouden en het so is vervolgens door de hamer geraakt. Dit zijn vergaande gedragingen. Toch komt het tot een vrijspraak.
Hier gaat het dus weer om dezelfde vraag: is het so geraakt door een bewuste en actieve handeling van de verdachte of niet. Als daar te veel twijfel over bestaat dan moet de verdachte worden vrijgesproken. Dit geldt hetzelfde voor cl en daarom moet hij worden vrijgesproken.
In een laatste zaak was er een ruzie en gevecht in een kroeg, de verdachte pakt een glas, slaat deze kapot en loopt met het kapot te glas en met gestrekte arm naar de vechtpartij toe.10. Ook is vastgesteld dat het so is geraakt in zijn hals door het kapot geslagen glas die de verdachte in zijn hand had.
Toch wordt hij vrijgesproken van poging doodslag. Dit omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte met het glas heeft gestoken. De rb kan niet vaststellen of de verdachte actief met het glas een stekende beweging heeft gemaakt of dat het lestel wellicht is ontstaan doordat het so tegen het door verdachte naar voren gehouden glas aan is gekomen door het geduw vanuit de menigte.
Dit zijn handelingen die erg lijken op wat cl heeft gedaan, het richten van het wapen op het so. Hier komt weer dezelfde vraag aan bod; is het letsel ontstaan door een actieve handeling van de verdachte. Als dat niet buiten gerede twijfel kan worden vastgesteld, dan dient vrijspraak te volgen.
Ik wijs u graag op de tenlastelegging in de zaak van cl: opzettelijk van het leven beroven door het so met een vuurwapen door het hoofd te schieten.
Dit schieten vereist een actieve handeling. Immers, schieten is het afvuren van een kogel met een (vuur)wapen. Afvuren is het wegschieten van kogels. Daar is een actieve handeling voor vereist. Deze actieve handeling heeft cl niet verricht. Er kan niet buiten gerede twijfel worden vastgesteld dat hij dat wèl heeft gedaan en daarom moet cl voor doodslag worden vrijgesproken.
Wanneer is er dan wel voldoende voor doodslag? Bijvoorbeeld in de zaak waarin de verdachte met een vuurwapen in zijn hand, met de loop gericht op het gezicht van het SO, met het vuurwapen op het hoofd van het SO heeft geslagen, waardoor het wapen is afgegaan en het SO is komen te overlijden.11.
Deze zaak onderscheidt zich van de zaak van cliënt, omdat in deze zaak de verdachte met het slaan een bewuste en actieve handeling heeft verricht waardoor het wapen is afgegaan en waardoor de kans op de dood aanmerkelijk te noemen is. Cl heeft een dergelijke handeling niet verricht. Het enkel richten van een wapen is daartoe onvoldoende.
Gezien het voorgaande kunnen wij ons dan ook niet vinden in het oordeel van de rechtbank. De rechtbank is namelijk in het geheel niet ingegaan op de vraag door welke gedraging het wapen is afgegaan. De rechtbank heeft volstaan met de overwegingen dat cl een gevaarlijke situatie in het leven heeft geroepen en het wapen bewust heeft doorgeladen en gericht. Dit is echter gezien de eerder aangehaalde jurisprudentie niet steekhoudend en onvoldoende om een veroordeling voor doodslag op te baseren.
Gezien het voorgaande verzoek ik u om cliënt vrij te spreken van doodslag en moord.’
(onderstrepingen JK).
4.
Voor zover voor de bewezenverklaring van het opzet van belang, houden de bewijsmiddelen het volgende in:12.
- —
als verklaring van verdachte, afgelegd in eerste aanleg (bewijsmiddel 1):
‘Ik was (het hof begrijpt: op 11 maart 2021) omstreeks 23:30 uur bij de woning van (het hof begrijpt: [betrokkene 1]) [betrokkene 1]. Ik zag [betrokkene 1] en [slachtoffer] (het hof begrijpt:.[slachtoffer]) staan. Een maand daarvoor had ik een conflict met [slachtoffer]. Ik was met [medeverdachte 1] op pad in zijn busje. Ik droeg een vuurwapen in mijn jaszak. Ik stapte uit want ik wilde verhaal halen bij [slachtoffer]. Ik zag [slachtoffer] en roep hem een paar keer en hij rende naar binnen toen hij mij zag. [slachtoffer] rende weg omdat hij bang was. Vervolgens liep ik terug en zette het pistool op het hoofd van [betrokkene 1]. Dat deed ik om [slachtoffer] te bedreigen. Ik wilde aan [slachtoffer] een signaal afgeven door het vuurwapen tegen het hoofd van [betrokkene 1] te zetten. Ik weet alles nog. Ik had mijn statement gemaakt en mijn doel bereikt.
Later die nacht, op 12 maart 2021, waren we met het busje bij het busstation in [a-plaats]. Toen wij buiten het busje waren zag ik [slachtoffer] en [medeverdachte 2] aan komen lopen. Ik vroeg [slachtoffer] om in te stappen. Ik wilde dat hij de auto in ging, want je gaat iemand niet open en bloot bedreigen met een pistool. Hij zat in het midden en ik zat helemaal rechts op de passagiersstoel. Ik haalde het vuurwapen uit mijn jaszak en hield het vast met mijn vinger op de trekker. Ik heb het vuurwapen toen doorgeladen. Ik en [slachtoffer] zaten beiden met onze rug tegen de rugleuning. Ik hield het wapen gericht op het hoofd van [slachtoffer]. Hij ging met zijn mond over het wapen.’
- —
als verklaring van verdachte in hoger beroep (bewijsmiddel 2):
‘Ik heb het wapen op het hoofd van [betrokkene 1] gezet met als doel via hem [slachtoffer] te bedreigen. Het was de bedoeling dat [betrokkene 1] dat aan [slachtoffer] zou doorgeven. De bedreiging was om te laten zien dat ik een wapen had, dat [betrokkene 1] dat tegen [slachtoffer] zou zeggen en dat het menens was. Ik wilde verhaal halen bij [slachtoffer].
U vraagt mij naar het moment dat ik samen met [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer]) voorin de cabine van de bus van [medeverdachte 1] (het hof begrijpt: [medeverdachte 1]) zat op die 12e maart 2021 in [a-plaats]. Mijn herinneringen aan het moment dat ik samen met [slachtoffer] naast elkaar voorin de bus van [medeverdachte 1] zit zijn nog scherp. Ik haalde het vuurwapen te voorschijn, laadde het door, ik richt het op het hoofd van [slachtoffer], toen is hij met zijn mond op wapen gegaan en het wapen ging af. Ik had op dat moment mijn vinger op de trekker. Er kan alleen een kogel zijn afgevuurd doordat de trekker is overgehaald. [slachtoffer] was meteen dood. Hij lag voorover gebogen en er kwam bloed uit zijn mond. (…)’
- —
als verklaring van [medeverdachte 1] bij de politie (bewijsmiddel 7):
‘[medeverdachte 2] liep naar de zijkant van het busje. Ik ben uitgestapt en ook naar de zijkant gelopen. Ik hoorde opeens een knal. Ik was gelijk bij het raam van de bestuurderskant. Ik kijk en zie [slachtoffer] gelijk zo achterover met zijn hoofd hangen en ik wist gelijk dat het foute boel was. Ik vroeg wat er was gebeurd. [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte]) zei, ik denk dat hij dood is. [verdachte] zei, we moeten weg van hier, stap in. Ik ben gelijk ingestapt en ik zeg we moeten politie bellen, de ambulance. [verdachte] zei volgens mij is hij dood. [verdachte] wilde geen politie bellen. Hij wilde geen ambulance bellen. Ondertussen was ik weggereden. Ik ben naar [b-plaats] gereden, een grote parkeerplaats bij ons in de buurt. Ik heb de bus daar stilgezet. Ik heb de deur open gemaakt voor [medeverdachte 2]. Ik heb wel een paar keer naar [slachtoffer] gekeken maar je zag wel gelijk…hij bewoog niet meer niks. Hij was gewoon futloos. Er lekte bloed vanuit zijn mond.
[medeverdachte 2] zei nog we moeten het samen oplossen met elkaar. We zijn allemaal vrienden van elkaar, we waren allemaal samen.(…).’
- —
als verklaring van verdachte bij de politie (bewijsmiddel 8):
‘Op 12 maart 2021 reden we terug naar [a-plaats]. Op een gegeven moment zag ik [medeverdachte 2] en [slachtoffer] komen aanlopen. Ik zei tegen [slachtoffer] stap even in. Ik stapte ook in en ik heb mijn wapen getrokken en voor het gezicht van [slachtoffer] gezet. Op een gegeven moment deed [slachtoffer] zijn mond over het wapen heen en toen ging het wapen af.(….)
- —
als verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] ter zitting in hoger beroep (bewijsmiddel 9):
‘Ik hoorde het schot en vroeg wat het was. Ik hoorde [medeverdachte 1] een paar keer roepen: ‘Wat heb je gedaan’. Hamid (het hof begrijpt: [verdachte]) zei dat we stil moesten zijn.(…)’
5.
Het gerechtshof heeft op grond van die bewijsmiddelen bewezen verklaard dat verzoeker opzet had op de dood van het slachtoffer [slachtoffer]. Het overweegt in dat verband het volgende (p. 3 van het arrest):
‘Het hof overweegt als volgt. In de periode voorafgaand aan de dood van [slachtoffer] was sprake van een conflict tussen [verdachte] en [slachtoffer]. In de avond van 11 maart 2021 wilde [verdachte] ‘ die op dat moment een vuurwapen bij zich droeg, verhaal halen bij [slachtoffer]. Toen [slachtoffer] [verdachte] zag, rende hij weg omdat hij bang was. [verdachte] heeft toen het vuurwapen op het hoofd van een vriend van [slachtoffer] gezet. Hij wilde hierdoor [slachtoffer] bedreigen en laten weten dat het — naar zijn zeggen — menens was. Enkele uren later zaten [slachtoffer] en [verdachte] samen in de cabine van een busje en is het dodelijke schot gelost. Nu [slachtoffer] daarbij het leven heeft gelaten en overig bewijs over de gang van zaken ontbreekt, dienen de verklaringen van [verdachte] zelf te worden beoordeeld op een mogelijke bijdrage aan een reconstructie van wat zich daar exact heeft afgespeeld. [verdachte] heeft zich maandenlang op zijn zwijgrecht beroepen en uiteindelijk, na bijna tien maanden, verklaard dat sprake was van een ongeluk. Hij heeft verklaard dat het doorgeladen vuurwapen dat hij, met zijn vinger op de trekker, vast had en van dichtbij richtte op het hoofd van [slachtoffer] is afgegaan doordat [slachtoffer] zijn mond om de loop van het wapen heeft gedaan. Hij heeft voorts verklaard dat het wapen is afgegaan doordat zijn vinger de trekker naar achteren heeft bewogen. Hoewel [verdachte] naar eigen zeggen zich de gebeurtenissen nog goed kan herinneren, heeft hij na herhaalde vragen van het hof niet kunnen of willen uitleggen op welke wijze de gestelde gedraging van [slachtoffer] de vinger van [verdachte] op de trekker zodanig heeft doen bewegen dat het schot is gelost. De enkele verklaring dat [slachtoffer] zijn mond om de loop heeft gedaan is daartoe volstrekt onvoldoende. Mede in het licht van de ook eerder op die avond gebleken en met behulp van het vuurwapen geuite agressieve intenties van [verdachte] in de richting van [slachtoffer], waardeert het hof deze verklaring van [verdachte], die zoals gezegd pas in een laat stadium is afgelegd, als ongeloofwaardig. Dat betekent dat [verdachte] geen aannemelijke verklaring heeft gegeven over voor hem zeer belastende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen laten tegen deze achtergrond bezien geen andere conclusie toe dan dat [verdachte] opzettelijk de trekker heeft overgehaald en aldus [slachtoffer] van het leven heeft beroofd.’
6.
Het hof heeft aldus het bewijs dat verzoeker het slachtoffer opzettelijk van het leven heeft beroofd daarop gebaseerd dat het de verklaring die verzoeker voor het afgaan van het wapen heeft gegeven ongeloofwaardig oordeelt en voorts dat, nu volgens het hof de bewijsmiddelen voor het afgaan van het wapen geen andere conclusie toelaat dan dat verzoeker opzettelijk de trekker van het wapen heeft overgehaald, hij het slachtoffer aldus van het leven heeft beroofd.
Ongeloofwaardigheid verklaring verzoeker voor het afgaan van het wapen:
7.
Aan het oordeel dat de verklaring van verzoeker ongeloofwaardig is, heeft het hof ten grondslag heeft gelegd
- —
dat er aan de confrontatie tussen verzoeker en het slachtoffer een conflict ten grondslag lag waarvoor verzoeker verhaal wilde halen,
- —
dat hij pas na tien maanden heeft verklaard dat er van een ongeluk sprake was en
- —
dat hij op herhaalde vragen van het hof niet heeft kunnen of willen uitleggen op welke wijze de gestelde gedraging van [slachtoffer] de vinger van verzoeker zodanig heeft doen bewegen dat het wapen is afgegaan. Daarbij overweegt het hof dat de enkele verklaring dat [slachtoffer] zijn mond om de loop heeft gedaan daartoe ‘volstrekt onvoldoende’ is.
8.
Uit de door het hof tot bewijs gebezigde verklaringen van verzoeker volgt dat het conflict dat aan de confrontatie tussen verzoeker en het slachtoffer ten grondslag lag, voor verzoeker aanleiding vormde om [slachtoffer] te ‘bedreigen’. Kennelijk was dit ook de intentie van verzoeker toen hij aan het slachtoffer later die nacht vroeg om in de auto te stappen: ‘Ik wilde dat hij de auto in ging, want je gaat iemand niet open en bloot bedreigen met een pistool.’ (bewijsmiddel 1).
9.
Op grond daarvan kan bezwaarlijk iets anders worden vastgesteld dan dat toen verzoeker het slachtoffer vroeg de auto in te stappen, hij de intentie had hem in die auto met het pistool te bedreigen. Reeds uit het feit dat het hof de aldus luidende verklaring van verzoeker tot bewijs heeft gebezigd, volgt dat het die verklaring in zoverre geloofwaardig heeft geoordeeld.
10.
Uit de tot bewijs gebezigde verklaringen van verzoeker volgt voorts dat nadat verzoeker in de auto het wapen tevoorschijn had gehaald, het vasthield met zijn vinger op de trekker en toen heeft doorgeladen, het slachtoffer met zijn mond over het wapen ging. Zie bewijsmiddel 1, maar ook bewijsmiddel 2, waarin staat dat het wapen afging toen het slachtoffer zijn mond erover deed, en voorts bewijsmiddel 8. Ook in zoverre acht het hof de verklaring van verzoeker kennelijk geloofwaardig.
11.
Dat brengt mee dat het hof kennelijk van oordeel is dat reeds het enkele feit dat verzoeker ondanks dat hij zegt dat zich de gebeurtenissen nog goed kan herinneren, niet kan of wil uitleggen op welke wijze de gestelde gedraging van [slachtoffer] de vinger van [verdachte] op de trekker zodanig heeft doen bewegen dat het schot is gelost zijn verklaring ongeloofwaardig maakt.
12.
Dat oordeel is onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed.
13.
Ten eerste omdat reeds in de overwegingen van het hof besloten ligt de mogelijkheid dat verzoeker niet in staat was (niet heeft ‘kunnen’ uitleggen) te achterhalen hoe de handeling van het slachtoffer tot het bewegen van de trekker heeft geleid. Dat brengt mee dat het hof zelf ook erkent dat zich het geval kan hebben voorgedaan dat verzoeker eenvoudigweg niet weet — door gebrek aan kennis — hoe het één het ander kan hebben veroorzaakt. Een dergelijke verklaring kan niet, althans niet zonder meer als ‘ongeloofwaardig’ worden aangemerkt, meer in het bijzonder niet omdat het hof daarbij niet aangeeft waarom verzoeker zulks wél zou hebben moeten weten c.q. over die kennis moest beschikken.
14.
Dat oordeel is voorts onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed omdat uit de door verzoeker ter zitting in hoger beroep van 4 maart 2024 afgelegde verklaring volgt dat hij ook inderdaad niet precies weet hoe het is gebeurd, en schetst hoe hij denkt dat het gegaan kan zijn:
‘Het was een snelle beweging en zodra [slachtoffer] zijn mond op het wapen had, ging het wapen af. Ik heb de trekker niet overgehaald. Het kan zijn dat het wapen een beweging maakte doordat [slachtoffer] zijn mond over het wapen deed en dat daardoor de trekker is afgegaan. Het ging heel snel. Ik weet het niet precies. Ik stapte toen uit en zei dat het per ongeluk ging.’
(onderstrepingen JK)
15.
Kennelijk weet verzoeker niet hoe de handeling van het slachtoffer tot het bewegen van de trekker/het afgaan van het wapen kan hebben geleid, wel dat dit het gevolg daarvan moet zijn geweest. Wat hij in ieder geval zeker weet, is dat hij de trekker niet heeft overgehaald: ‘Ik heb de trekker niet overgehaald’ (cursivering JK).
16.
Uit de bewijsmiddelen kan in dat verband ook niet meer blijken dan dat de trekker is overgehaald: ‘Er kan alleen een kogel zijn afgevuurd doordat de trekker is overgehaald’ (verklaring verzoeker, bewijsmiddel 2). Er kan niet uit blijken waardoor dat is gebeurd, behalve dat het gebeurde nadat het slachtoffer zijn mond over het wapen deed: ‘Op een gegeven moment deed [slachtoffer] zijn mond over het wapen heen en toen ging het wapen af’ (cursivering JK) (verklaring verzoeker, bewijsmiddel 8).
17.
Verzoeker heeft bovendien verklaard dat toen hij uit de auto stapte nadat het wapen was afgegaan, hij tegen de anderen heeft gezegd dat het per ongeluk ging. Door de verdediging is in dat verband gewezen op het feit dat de verklaringen van de medeverdachten bevestigen dat verzoeker direct na het incident als eerste reactie meerdere malen heeft aangegeven dat het per ongeluk is gebeurd (p. 3 van de overgelegde pleitnota).
18.
Het voorgaande brengt mee dat het oordeel van het hof dat de verklaring van verzoeker dat de handeling van het slachtoffer tot het afgaan van het wapen moet hebben geleid (en het vuurwapen per ongeluk is afgegaan) ongeloofwaardig is vanwege het feit dat verzoeker niet kan vertellen hoe het doen van de mond over de loop van het vuurwapen tot het afgaan daarvan kan hebben geleid, mede gelet op hetgeen in dat verband door verzoeker en zijn raadsman naar voren is gebracht niet, althans niet zonder (nadere) motivering, die ontbreekt, begrijpelijk is.
19.
Volledigheidshalve wordt ten aanzien van dat laatste opgemerkt dat als redengevende (nadere) motivering in dat verband in ieder geval niet toereikend zijn de overweging van het hof dat verzoeker zich maandenlang op zijn zwijgrecht heeft beroepen en uiteindelijk, na bijna tien maanden, heeft verklaard dat sprake was van een ongeluk, resp. de overweging dat aan de confrontatie tussen verzoeker en het slachtoffer een conflict ten grondslag lag waarvoor verzoeker verhaal wilde halen.
19.1.
De wel vaker aan de conclusie dat een verklaring van een verdachte ongeloofwaardig is (onder meer) ten grondslag gelegde reden dat die verklaring pas heel laat is afgelegd, wordt meestal in verband gebracht met het daardoor kunnen ‘afstemmen’ van die verklaring op de inhoud van het in de tussentijd verkregen dossier. In de onderhavige zaak kan evenwel niet blijken dat van afstemming daarop sprake is geweest, integendeel zelfs. De verklaring van verzoeker bevat voor een belangrijk deel elementen die niet in het dossier staan, zoals wat er tussen verzoeker en het slachtoffer is voorgevallen toen zij samen in de auto zaten. Van die verklaring is het hof ook grotendeels uitgegaan, meer in het bijzonder heeft het gelet op de tot bewijs gebezigde verklaringen van verzoeker geloofwaardig geoordeeld dat verzoeker de door hem daarin genoemde handelingen heeft verricht, alsook zijn verklaring dat het slachtoffer op een gegeven moment zijn mond om de loop van het wapen heeft gedaan. Het hof heeft voorts niet nader gemotiveerd waarom het pas in een laat stadium afleggen van een verklaring door verzoeker de conclusie kan dragen dat die verklaring ongeloofwaardig is, terwijl zonder nadere motivering, die in casu ontbreekt, de conclusie dat het afleggen van een verklaring in een laat stadium die verklaring ongeloofwaardig doet zijn, niet begrijpelijk is.
19.2.
Met betrekking tot de overweging dat aan de confrontatie tussen verzoeker en het slachtoffer een conflict ten grondslag lag waarvoor verzoeker verhaal wilde halen, geldt dat reeds uit de bewijsvoering volgt dat verzoeker dit conflict wilde beslechten door het slachtoffer te bedreigen, niet door hem te doden (zie ook de citaten uit de bewijsmiddelen hiervoor). Dat uiteindelijk die bedreiging tot de dood van het slachtoffer heeft geleid, brengt niet zonder meer mee dat de verklaring van verzoeker dat tijdens de door hem uitgevoerde bedreiging door het handelen van het slachtoffer het wapen (in diens mond) afging als ongeloofwaardig kan worden bestempeld.
20.
Het feit dat het oordeel van het hof dat de verklaring van verzoeker ongeloofwaardig is niet begrijpelijk is en/of onvoldoende is gemotiveerd, betekent dat ook het daarop steunende oordeel van het hof dat bij gebreke van een dergelijke verklaring voor het overgaan van de trekker geen andere verklaring is te geven dan dat het verzoeker was die ‘opzettelijk de trekker van het wapen heeft overgehaald’, onbegrijpelijk is en/of onvoldoende is gemotiveerd.
Bewijsmiddelen laten geen andere conclusie toe dan dat verzoeker opzettelijk de trekker van het wapen heeft overgehaald:
21.
Maar ook als het oordeel van het hof dat de verklaring van verzoeker dat hij niet weet hoe precies het wapen is afgegaan nadat het slachtoffer zijn mond om de loop heeft gedaan ongeloofwaardig is in stand zou blijven, is het daarmee verband houdende oordeel van het hof dat verzoeker het slachtoffer opzettelijk heeft gedood nu verzoeker ‘geen aannemelijke verklaring heeft gegeven over voor hem zeer belastende feiten en omstandigheden’ en ‘(d)e bewijsmiddelen laten tegen deze achtergrond bezien geen andere conclusie toe(laten) dan dat [verdachte] opzettelijk de trekker heeft overgehaald en aldus [slachtoffer] van het leven heeft beroofd’, onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed.
22.
Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval, aldus uw Raad in HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2060. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het — behoudens contra-indicaties — niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. (Vgl. HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552).
23.
Uit de bewijsvoering in de onderhavige zaak kan niet meer volgen, zie ook hiervoor, dan dat verzoeker het slachtoffer vanwege een eerder conflict wilde bedreigen met een vuurwapen. Hij vroeg het slachtoffer daartoe in de auto te stappen en heeft hem in de auto ook daadwerkelijk met dat wapen heeft bedreigd door het tevoorschijn te halen, door te laden en het op het hoofd van het slachtoffer te richten met de vinger op de trekker. Vervolgens deed het slachtoffer zijn mond over het wapen heen en ging het wapen af. Uit die gang van zaken volgt weliswaar dat er alleen een kogel kan zijn afgevuurd doordat de trekker (met daarop de vinger van verzoeker) is overgehaald, maar kan niet volgen dat die trekker door verzoeker opzettelijk is overgehaald. Vgl. in dat verband ook de casus in het hiervoor genoemde arrest van uw Raad van 13 september 2016.
24.
Daaraan doet het feit dat het gerechtshof de verklaring van verzoeker dat het vuurwapen moet zijn afgegaan doordat het slachtoffer zijn mond om de loop van het wapen heeft gedaan ongeloofwaardig heeft geoordeeld niet af. Die verklaring kan immers niet worden aangemerkt, en heeft het hof ook niet aangemerkt, als kennelijk leugenachtig bedoeld om de waarheid te bemantelen, terwijl het enkele feit dat het gerechtshof dat onderdeel van zijn verklaring ongeloofwaardig oordeelt niet zonder meer bewijst dat verzoeker opzettelijk de trekker heeft overgehaald.
25.
En anders dan het gerechtshof in dit verband overweegt, laten de bewijsmiddelen juist wel de mogelijkheid open dat het wapen is afgegaan doordat het slachtoffer zijn mond daarover heen deed, nu daarin geen feiten of omstandigheden naar voren komen waaruit kan volgen dat het opzettelijk overhalen door verzoeker van de trekker daartoe heeft geleid.
26.
In het licht van het feit dat het gerechtshof de verklaring van verzoeker dat het slachtoffer zijn mond om de loop van het vuurwapen heeft gedaan en het wapen toen afging geloofwaardig heeft geoordeeld, alsook de omstandigheid dat de verdediging onweersproken heeft aangevoerd dat een vuurwapen snel afgaat13. en dat, zoals de medeverdachten hebben bevestigd, verzoeker (direct) na het incident meermalen heeft herhaald dat sprake was van een ongeluk,14. kan bovendien niet worden gezegd dat sprake is geweest van gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het — behoudens contra-indicaties — niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
27.
Dit brengt mee dat de bewijsvoering ontoereikend is voor de bewezenverklaring van het tenlastegelegde opzet om het slachtoffer van het leven te beroven door hem met een vuurwapen door het hoofd te schieten.
Middel II:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet-naleving met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen. In het bijzonder betreft dit de artikelen 6:108 BW, 36f Sr, 51f, 51g, 361, 415 en 421 Sv, doordat het oordeel van het gerechtshof dat [benadeelde] kan worden aangemerkt als ‘naaste’ in de zin van art. 6:108 lid 3 jo lid 4 BW onbegrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd, en/of blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.
Ten gevolge hiervan is de ontvankelijk verklaring van voornoemde [ benadeelde] in haar vordering en/of de toewijzing daarvan tot een bedrag van € 17.500,- ter zake van immateriële schade (affectieschade), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 maart 2021 tot aan de dag der voldoening, alsmede de voor het gelijke bedrag opgelegde schadevergoedingsmaatregel en de veroordeling van verzoeker in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd en/of getuigen deze beslissingen van een onjuiste rechtsopvatting.
Het arrest lijdt hierdoor aan nietigheid.
Toelichting:
1.
De verdediging heeft ter zitting in hoger beroep van 5 maart 2024 de afwijzing bepleit van de vordering van de in het middel genoemde benadeelde partij. Daartoe is blijkens de aldaar overgelegde pleitnota het volgende aangevoerd (p.31 e.v.):
‘Vorderingen benadeelde partijen:
(…)
Vordering zus:
Op deze vordering ga ik wel verweer voeren. Ik wend mij niet alleen tot de Rb, maar ook tot [ benadeelde], want ik wil graag aan u uitleggen waarom ik wel verweer voer op uw vordering.
Ik begrijp uw leed en daar wil ik niets aan af doen, maar de wetgever heeft een keuze gemaakt: partner, ouders en kinderen kunnen aanspraak maken op vergoeding van affectieschade. Zoals uw raadsvrouw zelf terecht heeft opgemerkt broers en zussen niet.
Alleen in hele bijzondere situaties kan op die hoofdregel een uitzondering worden gemaakt, maar die lat ligt hoog. Voor de goede orde merk ik op dat een partner of ouder niets hoeft aan te tonen, broers en zussen wel. Dit is nou eenmaal de keuze van de wetgever.
De aangehaalde zaak is niet vergelijkbaar (zaak Rb Den Haag). Twee broers waren jaren lang huisgenoten (niet in gezinsverband bij ouders, maar met zijn tweeën) en deden alles samen. Deze broer heeft ook vanaf een korte afstand gezien hoe zijn broer is neergestoken, heeft geprobeerd om het bloeden te stoppen en kort 1 daarna is zijn broer overleden (shockschade toegekend). De broer |was in behandeling voor psychische klachten en die diagnose is met stukken onderbouwd.
[benadeelde] en [slachtoffer] woonden niet met zijn tweeën maar in gezinsverband met oma (de normale broer en zus situatie). De oma heeft ook een vordering ingediend. Verder is de bijzondere situatie onvoldoende onderbouwd en zijn de psychische klachten niet met stukken onderbouwd.
In de aangehaalde Amsterdamse zaak (2024:511) overweegt de rechtbank dat er sprake is van een bijzonder geval wegens de overgelegde stukken. Bovendien is de vordering door de verdediging niet betwist en daardoor is de civiele vordering voor toewijzing vatbaar. Deze zaak is zodoende niet 1 op 1 toepasbaar op die van cl. Voor de Rotterdamse zaak (2022:4222) geldt hetzelfde.
Gezien het voorgaande verzoek ik u om de vordering af te wijzen.
De rb heeft dit ook gedaan omdat het uitgangspunt is dat zoveel mogelijk moet worden aangesloten bij de bedoeling van de wetgever. Broers en zussen kunnen slechts in uitzonderlijke gevallen aanspraak maken op affectieschade. Van een nauwe en persoonlijke betrekking kan sprake zijn als zij langdurig samenwonen en voor elkaar zorgden (dus anders dan in een normaal gezinsverband). Bij elkaar wonen en een hechte band hebben is daarvoor onvoldoende. Volgende de rb is onvoldoende gebleken dat de situatie sterk afweek van wat in het algemeen gebruikelijk is. Daarom is deze vordering niet-ontvankelijk verklaard.
De aanvullende stukken (verklaringen van familieleden) maken dit niet anders. Hierin komen geen wezenlijk nieuwe of andere standpunten naar voren.
Bovendien maken het standpunt van Slachtofferhulp Nederland en een evaluatie van het WODC niet dat de huidige wetgeving niet meer geldig is.’
2.
Het gerechtshof heeft in dat verband geoordeeld:
‘In lid 4 van artikel 6:108 BW wordt een beperkte (limitatief opgesomde) kring van personen genoemd die voor vergoeding van affectieschade in aanmerking kunnen komen. Broers en zussen maken geen deel uit van deze limitatieve opsomming en komen dus volgens de wet niet voor affectieschade in aanmerking, tenzij zij ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staan, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij voor de toepassing van artikel 6:108 lid 3 BW als naasten worden aangemerkt (artikel 6:108 lid 4 onder g BW, de zogeheten hardheidsclausule). De benadeelde partij beroept zich op deze uitzonderingsbepaling. Voor het bewijs van het bestaan van zo’n nauwe persoonlijke betrekking moet een hechte affectieve relatie worden aangetoond, waarbij niet de formele, maar de feitelijke relatie beslissend is. Alle omstandigheden van het geval zijn van belang, waaronder de intensiteit, de aard en de duur van de relatie.
De advocaat van de benadeelde partij heeft gesteld en onderbouwd dat sprake was van een bijzondere en hechte affectieve relatie, die uitgaat boven de ‘gewone’ hechte relatie die broers en zussen kunnen hebben. De benadeelde partij en haar broer, die nog geen jaar in leeftijd verschilden, hebben geen makkelijke jeugd gehad. In 2017 zijn hun ouders naar Suriname verhuisd. Samen kwamen zij hierdoor bij hun oma te wonen. Vanaf die periode heeft de benadeelde partij een deel van de taken die bij hun ouders hoorden overgenomen. Zo vond haar broer, die ADHD had, de steun die hij van zijn ouders miste bij de benadeelde partij. Zij woonden tot aan het overlijden van het slachtoffer onafscheidelijk in gezinsverband samen. Zij waren van plan om na het verhuizen van oma samen te blijven, maar zover is het niet gekomen. Ook na het overlijden van haar broer heeft de benadeelde party een rol vervuld die past bij de bijzondere en hechte affectieve relatie die zij hadden. Zij is degene van de naasten die vrijwel alles heeft geregeld, rondom het overlijden en rondom de strafzaak.
Het hof is, gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat de raadsman het door de advocaat van de benadeelde partij getypeerde karakter van deze relatie slechts in zeer beperkte mate heeft betwist, van oordeel dat de specifieke omstandigheden van de benadeelde partij dusdanig uitzonderlijk zijn dat deze een beroep op de hardheidsclausule in de zin van artikel 6:108 lid 4 onder g BW, zoals de wetgever deze heeft bedoeld, rechtvaardigen.
Het hof zal de vordering dan ook toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 maart 2021 tot aan de dag van de algehele vergoeding. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.’
3.
De Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht teneinde de vergoeding van affectieschade mogelijk te maken en het verhaal daarvan alsmede het verhaal van verplaatste schade door derden in het strafproces te bevorderen, houdt ten aanzien van de mogelijkheid voor broers en zussen om ingevolge art. 6:108 lid 4 onder g BW te kunnen worden aangemerkt als ‘naaste’ in de zin van art. 6:108 lid 3 BW het volgend in:15.
‘In onderdeel g is een hardheidsclausule opgenomen die onder uitzonderlijke omstandigheden een recht op vergoeding van affectieschade toekent aan een persoon die niet tot de «vaste kring» van gerechtigden behoort. Voor affectieschade komt ingevolge dit onderdeel in aanmerking een persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke betrekking tot de overledene staat, dat hij als naaste in de zin van derde lid wordt aangemerkt. In de consultatie is door DLR en het Verbond gevraagd om verduidelijking van het begrip «nauwe persoonlijke betrekking». Voor het aannemen van een nauwe persoonlijke betrekking dient een hechte affectieve relatie te worden aangetoond. Niet de formele maar de feitelijke verhouding is beslissend. De omstandigheden van het geval zijn bepalend. Factoren van belang zijn onder meer de intensiteit, de aard en de duur van de relatie. Hoewel het telkens gaat om aspecten van de relatie ten tijde van de gebeurtenis, kan, omdat hier niet de formele maar de feitelijke verhouding relevant is, bij ernstig en blijvend letsel ook betekenis worden toegekend aan de (te verwachten) bestendigheid van de relatie in de toekomst en de invloed die de gebeurtenis daarop heeft. Alleen bij een ook in de toekomst bestendige relatie leidt het letsel immers tot ook een ingrijpende ommezwaai in het leven van de naaste. Men denke aan relaties die spoedig na de schadeveroorzakende gebeurtenis beëindigd worden. Dit verklaart waarom anders dan in de andere onderdelen van dit lid, in onderdeel g de woorden »ten tijde van de gebeurtenis» ontbreken. Een voorbeeld van een nauwe persoonlijke betrekking kan zijn een relatie van broers of zussen die langdurig samenwonen en voor elkaar zorgen, of een langdurige, hechte LAT-relatie. Ook elders in de wet wordt het begrip nauwe, persoonlijke betrekking gehanteerd (vgl. artt. 1:204, derde lid, en artikel 1:377a BW). Voor de rechtspraktijk is dit een werkbaar begrip gebleken. Indien een beroep wordt gedaan op onderdeel g zijn anders dan bij de meeste andere onderdelen discussies over de invulling daarvan niet uit te sluiten. Onderdeel g dient echter te worden bezien in het kader van het spanningsveld tussen de wenselijkheid van een eenvoudig uitvoerbare regeling en een regeling die toch ook ruimte biedt om in sprekende gevallen naasten, die zich lastig laten vatten in specifiek te benoemen categorieën, voor vergoeding van affectieschade in aanmerking te laten komen.’
4.
Uit deze toelichting op het ingevoerde art. 6:108 lid 4 onder g BW volgt dat het enkele zijn van broer of zus van een slachtoffer van een misdrijf geen recht op vergoeding van affectieschade door de dader geeft, en dat dit slechts anders kan zijn als sprake is van een ‘nauwe persoonlijke betrekking’, bijvoorbeeld in de vorm van ‘een langdurig samenwonen en voor elkaar zorgen’.
5.
Het hof heeft in dat verband overwogen dat de advocaat van de benadeelde partij heeft aangevoerd dat tussen haar en haar broer, het slachtoffer, een bijzondere en hechte affectieve relatie bestond die uitgaat boven de ‘gewone’ hechte relatie die broers en zussen kunnen hebben, daaruit bestaande dat
- —
de benadeelde partij en haar broer nog geen jaar in leeftijd verschilden
- —
zij geen makkelijke jeugd hebben gehad;
- —
hun ouders in 2017 naar Suriname zijn verhuisd waardoor zij samen bij hun oma kwamen te wonen;
- —
vanaf die periode de benadeelde partij een deel van de taken die bij hun ouders hoorden heeft overgenomen, bestaande uit het verlenen van steun haar haar broer die ADHD had;
- —
zij tot aan het overlijden van het slachtoffer onafscheidelijk in gezinsverband samenwoonden;
- —
zij van plan waren om na het verhuizen van oma samen te blijven, maar dat het zover niet is gekomen;
- —
de benadeelde partij na het overlijden van haar broer een rol heeft vervuld die past bij de bijzondere en hechte affectieve relatie die zij hadden nu zij degene van de naasten is geweest die vrijwel alles heeft geregeld, rondom het overlijden en rondom de strafzaak.
6.
Deze feiten en omstandigheden zijn niet toereikend om te kunnen concluderen dat sprake is geweest van een zodanige nauwe persoonlijke betrekking dat de zus als ‘naaste’ in de zin van art. 6:108 lid 3 BW is aan te merken.
7.
De omstandigheid dat de ouders van de benadeelde partij en haar broer naar Suriname zijn verhuisd is daartoe niet voldoende, meer in het bijzonder niet nu kennelijk de oma van beide kinderen de ouderrol van die ouders heeft overgenomen door ze bij haar in huis te nemen. Hun ‘onafscheidenlijk samenwonen’ kan op grond van wat bekend is dan ook niet zozeer als een uiting van een ‘nauwe persoonlijke relatie’ tussen beiden worden beschouwd maar als een gebruikelijk samenleven in gezinsverband, zij het, als gezegd, met hun grootouder in plaats van hun ouders.
8.
Uit het enkele feit dat broer en zus ‘geen makkelijke jeugd’ hebben gehad is die nauwe persoonlijke relatie evenmin af te leiden, meer in het bijzonder niet nu uit het oordeel van het hof niet naar voren komt wat de oorzaak daarvan is geweest en in welke mate dit heeft c.q. kan hebben geleid tot de nauwe persoonlijke betrekking als bedoeld in art. 6:108 lid 3 BW.
9.
Het zijn van ‘steun’ is daartoe evenmin toereikend, ook niet in het licht van het feit dat de broer, het slachtoffer, ADHD had. Een nadere invulling van die steun is bovendien in het oordeel van het hof niet terug te vinden, meer in het bijzonder zijn daarin geen feiten en omstandigheden terug te vinden waaruit kan worden afgeleid in casu de gegeven steun de tussen broers en zussen min of meer gebruikelijke affectieve band hebben doen overstijgen.
10.
Tot slot zijn de inspanningen die de benadeelde partij na het overlijden van haar broer zich heeft getroost niet toereikend voor de conclusie dat voorheen sprake was van een bijzondere nauwe persoonlijke betrekking tussen hen beiden.
11.
Het hof heeft in zijn oordeel nog betrokken dat de raadsman ‘het door de advocaat van de benadeelde partij getypeerde karakter van deze relatie slechts in zeer beperkte mate heeft betwist.’ Zulks kan echter bezwaarlijk aan de advocaat worden tegengeworpen als reden om bij de beslissing tot toewijzing van de vordering te betrekken: de voor betwisting vatbare feiten en omstandigheden bevinden zich immers geheel in het domein van de benadeelde partij en lenen zich gelet op de beperkingen die de strafprocedure in dit verband kenmerkt niet voor een verdergaande inhoudelijke betwisting dan op de wijze waarop de verdediging dit in de onderhavige zaak heeft gedaan.16.
12.
Mitsdien getuigt het oordeel van het hof dat [benadeelde] als ‘naaste’ in de zin van art. 6:108 lid 3 jo lid 4 BW is aan te merken en ontvankelijk is in haar vordering als benadeelde partij en/of het door haar gevorderde bedrag aan immateriële (affectie)schade kan worden toegewezen tot een bedrag van € 17.500,-, met wettelijke rente vanaf 12 maart 2021 en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel van art. 36f Sr, van een onjuiste rechtsopvatting en/of is dit oordeel onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door Mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, aldaar kantoorhoudende aan de Amstel 326, 1017 AR Amsterdam die verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker van cassatie.
Amsterdam, 29 december 2024
J. Kuijper
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 29‑12‑2024
R 6014 en 3109 zaakdossier.
2 P. 4010 zaakdossier.
HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049.
[opm. JK: betreft hier noot 2, vermeld aan einde pleitnota] HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3057
[opm. JK: betreft hier noot 3, vermeld aan einde pleitnota] HR 8 sept 2015, ECLI:NL:HR:2015:2482, NJ 2015/404.
[opm. JK: betreft hier noot 4, vermeld aan einde pleitnota] Zie r.o. 18 van het arrest genoemd onder noot 3.
[opm. JK: betreft hier noot 5, vermeld aan einde pleitnota] Zie bv. ECLI:NL:RBZWB:2022:216 & ECL1:NL:RBGRO:2010:BM0845 & ECLI:NL:RBBRE:2009:BI2181.
[opm. JK: op pagina in document genummerd als noot 4] Gh Adam 25 oktober 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2525.
[opm. JK: op pagina in document genummerd als noot 5] Rb Zeeland West Brabant, ECLI:NL:RBZWB:2024:1024.
[opm. JK: op pagina in document genummerd als noot 6] Rb Zeeland West Brabant 2 maart 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:1254.
[opm. JK: betreft hier noot 6, vermeld aan einde pleitnota] HR 24 feb 2004, ECLI:NL:HR:2004:A01498, NJ 2004/375.
Zie de ‘bewijsmiddelenbijlage’ bij het arrest van het hof.
Pleitnota hoger beroep, p. 5.
Pleitnota hoger beroep, p. 3.
Kamerstukken II, 2014/15, 34 257, nr. 3, p. 15
Vgl. HR 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:646, r.o. 3.3.3 met betrekking tot ‘gederfd levensonderhoud’. Ten aanzien van de vraag of iemand tot een overledene in ‘zodanige nauwe persoonlijke relatie’ stond dat hij of zij als ‘naaste’ kan worden aangemerkt (art. 6:108 lid 4 onder g BW) geldt ook dat dit afhankelijk is van informatie ‘die zich doorgaans geheel in het domein van de benadeelde partij bevindt’, waardoor ‘het voor de verdediging moeilijk (kan) zijn haar betwisting van deze feiten en omstandigheden en de bij de selectie daarvan gemaakte keuzes te voorzien van een nadere inhoudelijke onderbouwing’.