Einde inhoudsopgave
Rechten van polishouders bij portefeuilleoverdracht, juridische fusie en juridische splitsing door verzekeraars (O&R nr. 148) 2024/8.4.2
8.4.2 De samenwerkingsovereenkomst tussen de verzekeraar en de assurantietussenpersoon
mr. A.M.M. Menken, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
mr. A.M.M. Menken
- JCDI
JCDI:ADS949814:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dit is dus een ander onderwerp dan de overdracht van een assurantieportefeuille door een assurantietussenpersoon aan een andere assurantietussenpersoon. Aan een dergelijke overdracht besteed ik aandacht in hoofdstuk 8.9.
Zie hierover hoofdstuk 3.4.5 van dit proefschrift.
Van Wijk en De Haan 2016, p. 196-197.
Zie ook De Jong, Nederlands Tijdschrift voor Handelsrecht 2020-1, p. 13-14: “Het recht op provisie is weliswaar overgenomen in de Wabb, maar de betreffende bepaling is op 1 april 2002 komen te vervallen. Sindsdien bestaat er geen in de Wabb respectievelijk Wfd en Wft vastgelegd recht op door de verzekeraar te betalen provisie meer. Voor het adviseren of bemiddelen in betalingsbeschermers, als complex product kwalificerende verzekeringen, individuele arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, overlijdensrisicoverzekeringen en uitvaartverzekeringen geldt ingevolge artikel 81c lid 1 Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (BGfo) zelfs een provisieverbod. Dit houdt in dat verzekeraars adviseurs en bemiddelaars niet mogen belonen voor het adviseren van of bemiddelen in het tot stand komen van deze verzekeringen. Deze financiëledienstverleners zijn voor hun beloning aangewezen op hun klanten: ingevolge artikel 7:405 lid 1 BW, dat van aanvullend recht is, zijn hun opdrachtgevers hen loon verschuldigd.” Met de Wabb wordt de toenmalige Wet assurantiebemiddelingsbedrijf bedoeld en met de Wfd de in het verleden toepasselijke Wet financiële dienstverlening. Zie uitgebreider over deze publiekrechtelijke regelgeving De Jong 2011, p. 110-114.
Van Wijk en De Haan 2016, p. 196-197.
De overdragende verzekeraar zal in dat geval bijvoorbeeld in het concept van de koopovereenkomst opnemen dat ook contractsoverneming in de zin van art. 6:159 BW plaatsvindt van de samenwerkingsovereenkomsten met tussenpersonen. De verkrijgende verzekeraar zal tijdens het due diligence onderzoek eerst de model-samenwerkingsovereenkomst die door de overdragende verzekeraar wordt gehanteerd grondig willen bestuderen voordat hij de intentie uitspreekt daartoe bereid te zijn. De overdragende verzekeraar zal waarschijnlijk zo lang mogelijk willen wachten met het overleggen van de lijst met assurantietussenpersonen met wie hij een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten. Deze lijst wordt vaak beschouwd als commercieel gevoelige informatie.
Van Wijk en De Haan 2016, p. 196-197.
Kantongerecht Tilburg 15 september 1994, ECLI:NL:KTGTIL:1994:AI9069, Praktijkgids 1994/4203 (Assurantiekantoor M. Wouters/Interpolis Zorgverzekeringen). De kantonrechter overwoog dat in art. 51 Wet toezicht verzekeringsbedrijf is bepaald dat het overnemen van een portefeuille onder voorwaarden mogelijk is zonder toestemming van degenen die aan die overeenkomsten rechten kunnen ontlenen. Hij betoogt dat aan deze zinsnede tot 1990 de woorden “als verzekeringnemers of verzekerden” waren toegevoegd. Hij vervolgt dan “Deze toevoeging is volgens de Memorie van Toelichting vervallen om buiten twijfel te stellen dat ook derden-benadeelden, aan wie bij wet een eigen recht tegen de verzekeraar is toegekend, onder dit artikel vallen. Wie er behalve derden-benadeelden nog meer onder zouden moeten vallen vermeldt de wetsgeschiedenis niet, maar zoveel is duidelijk dat de wetgever heeft beoogd de kring van degenen die zich op art. 51 kunnen beroepen uit te breiden zonder deze kring op voorhand uitdrukkelijk te beperken. De vraag is nu of de assurantietussenpersoon kan worden geacht te behoren tot de hier bedoelde gerechtigden. De kantonrechter beantwoordt deze vraag bevestigend. Immers, ook de tussenpersoon ontleent rechten aan de overeenkomsten van schadeverzekering, zij het langs indirecte weg.”
Op grond van art. 86d Bgfo mag een aanbieder geen andere provisie verschaffen voor het bemiddelen of adviseren inzake een schadeverzekering dan afsluitprovisies of doorlopende provisies, mits de bemiddelaar of adviseur kosteloos op verzoek van de cliënt op begrijpelijke wijze mededeling doet van het bestaan, de aard en het bedrag of, indien het bedrag niet kan worden achterhaald, de wijze van berekening van de provisie of in geval van provisie in natura de waarde in het economisch verkeer voordat de desbetreffende financiële dienst wordt verleend. Dit laatste vereiste wordt ook wel passieve provisietransparantie genoemd. Het Ministerie van Financiën wil voor schadeverzekeringen ook actieve provisietransparantie invoeren.
Met betrekking tot levensverzekeringen met uitzondering van natura-uitvaartverzekeringen is het betalen van afsluitprovisie of doorlopende provisie in Nederland verboden. Op grond van art. 86c Bgfo mag een financiëledienstverlener geen provisie voor het bemiddelen of adviseren van een complex product, een overlijdensrisicoverzekering of een uitvaartverzekering ontvangen. Onder een complex product wordt op grond van art. 1 Bgfo onder meer verstaan “levensverzekering, niet zijnde een natura-uitvaartverzekering die uitsluitend strekt tot het doen van geldelijke uitkeringen in verband met de verzorging van de uitvaart van een natuurlijke persoon of een verzekering waarbij de verplichting van de verzekeraar tot het doen van een uitkering of een reeks van uitkeringen alleen dan ontstaat, indien het overlijden van degene op wiens leven de verzekering betrekking heeft plaatsvindt voor de in de polis genoemde datum.” Dit verbod geldt overigens ook voor betalingsbeschermers en individuele arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. Zie over de provisieregels bijvoorbeeld Silverentand en Van der Eerden 2018, p. 341-343.
Hieronder bezie ik eerst wat de gevolgen zijn voor een assurantietussenpersoon indien een verzekeraar waarmee hij een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten de rechten en verplichtingen uit verzekeringsovereenkomsten overdraagt aan een andere verzekeraar. Ik ga dus in op de gevolgen voor een assurantietussenpersoon van de overdracht van een verzekeringsportefeuille van de ene verzekeraar aan een andere verzekeraar.1
De samenwerkingsovereenkomst tussen een assurantietussenpersoon en een verzekeraar die rechten en verplichtingen uit verzekeringsovereenkomsten overdraagt aan een andere verzekeraar blijft in beginsel gewoon van kracht. Zonder nadere maatregelen van de overdragende verzekeraar blijft dit een juridische relatie tussen de overdragende verzekeraar en de assurantietussenpersoon. De portefeuilleoverdracht zoals geregeld in de Wft heeft immers uitsluitend betrekking op de verzekeringsovereenkomsten. Andere rechtsverhoudingen, zoals herverzekeringsovereenkomsten gesloten door de overdragende verzekeraar maar dus ook samenwerkingsovereenkomsten met assurantietussenpersonen, gaan niet van rechtswege mee in geval van een portefeuilleoverdracht.2
Bij het beredeneren wat de gevolgen zijn voor een assurantietussenpersoon van portefeuilleoverdracht door de verzekeraar aan een andere verzekeraar, speelt echter niet alleen de samenwerkingsovereenkomst tussen de overdragende verzekeraar en de assurantietussenpersoon een rol, maar ook de regeling van het portefeuillerecht van de assurantietussenpersoon in art. 4:101 e.v. Wft. Van Wijk en De Haan vestigen daar terecht de aandacht op:
“Indien een verzekeraar een verzekeringsportefeuille, dus de overeenkomsten tussen de verzekeraar en de verzekeringnemers, overdraagt aan een andere verzekeraar, rijst de vraag hoe dit zich verhoudt tot enerzijds het portefeuillerecht van de betrokken bemiddelaars ten aanzien van die verzekeringen op grond van artikel 4:101 e.v. Wft en anderzijds de overigens tussen de verzekeraar en betrokken bemiddelaars bestaande relatie.
Ten aanzien van het portefeuillerecht op grond van art. 4:101 e.v. Wft geldt dat dit inroepbaar is tegen de verzekeraar waar de verzekeringen lopen. De nieuwe verzekeraar zal dit portefeuillerecht dan ook evenals de oude verzekeraar dienen te respecteren. Een en ander betekent echter niet zonder meer dat de gehele relatie met de oude verzekeraar op de nieuwe verzekeraar is overgegaan. Zeker nu eventuele provisierechten niet meer uit het portefeuillerecht voortvloeien, hebben zowel de overdragende verzekeraar als de betrokken bemiddelaars er groot belang bij dat goed naar deze relatie wordt gekeken en wordt besloten hoe daarmee moet worden omgegaan.”3
We zullen dus eerst moeten bekijken welke rechten art. 4:101 e.v. Wft eigenlijk toekennen aan de assurantietussenpersoon. Het betreft het recht op premie-incasso (art. 4:104 lid 1 Wft), het recht op bescherming tegen willekeurige overboeking (art. 4:103 lid 1 Wft) en het recht op “overdracht” van de portefeuille aan een andere bemiddelaar (art. 4:104 lid 4 Wft). Dit zijn dus de rechten die de assurantietussenpersoon voorafgaand aan de overdracht van de verzekeringsportefeuille door de ene verzekeraar aan een andere verzekeraar jegens de “oude” verzekeraar kan uitoefenen en ná deze portefeuilleoverdracht jegens de nieuwe verzekeraar. Het recht op provisie wordt hier niet genoemd.4 Voor zover de assurantietussenpersoon rechten heeft op provisie zijn dit daarom rechten die onderdeel zijn van de privaatrechtelijke rechtsverhouding tussen de “oude” verzekeraar en de assurantietussenpersoon. Zonder nadere maatregelen van de overdragende verzekeraar blijft die privaatrechtelijke rechtsverhouding tussen de overdragende verzekeraar en de assurantietussenpersoon gehandhaafd. De assurantietussenpersoon kan aan hem door de overdragende verzekeraar toegekende provisierechten na de portefeuilleoverdracht daarom nog steeds uitoefenen tegen de overdragende verzekeraar. De assurantietussenpersoon mag dus in beginsel nog steeds nieuwe verzekeringen sluiten waarvoor hij dan jegens de overdragende verzekeraar aanspraak kan maken op de eventueel overeengekomen afsluitprovisie. Hij kan jegens de overdragende verzekeraar ook aanspraak blijven maken op de eventueel overeengekomen doorlopende provisie voor de tijdens de looptijd van de samenwerkingsovereenkomst tot stand gekomen verzekeringen.
Vanuit het perspectief van de overdragende verzekeraar is dat in beginsel onwenselijk. De overdragende verzekeraar zal er daarom op aansturen dat er ook een contractsoverneming in de zin van art. 6:159 BW plaatsvindt van deze samenwerkingsovereenkomsten.5 De overdragende verzekeraar zal dus ook de samenwerkingsovereenkomsten met assurantietussenpersonen willen overdragen aan de verzekeraar die partij wordt bij de verzekeringsovereenkomsten.6 Het is een voorwaarde voor contractsoverneming dat de wederpartij (hier dus: de assurantietussenpersoon) daaraan medewerking verleent. De polishouder die een opdrachtovereenkomst met de assurantietussenpersoon heeft gesloten, heeft geen zeggenschap over het wel of niet medewerking verlenen door de assurantietussenpersoon.
Indien de verkrijgende verzekeraar al met assurantietussenpersonen werkt, hanteert hij waarschijnlijk een bepaalde model samenwerkingsovereenkomst. Het na contractsoverneming samenwerken met de assurantietussenpersonen van de overdragende verzekeraar op basis van de samenwerkingsovereenkomsten die door de overdragende verzekeraar zijn gesloten, zal dan waarschijnlijk niet zijn voorkeur hebben. De verkrijgende verzekeraar zal de assurantietussenpersonen dan waarschijnlijk nieuwe samenwerkingsovereenkomsten aanbieden, met dien verstande dat hij waarschijnlijk door de overdragende verzekeraar wel gedwongen zal worden bepaalde verplichtingen (zoals bijvoorbeeld ten aanzien van het betalen van doorlopende provisie bij schadeverzekeringen) over te nemen. De overdragende verzekeraar zegt dan de samenwerkingsovereenkomsten met de assurantietussenpersonen op. Er vindt dan schuldoverneming plaats in de zin van art. 6:155 BW.7
Overigens kan ik mij goed voorstellen dat de gedachte dat de “oude” verzekeraar provisie moet blijven betalen aan een assurantietussenpersoon voor een inmiddels aan een nieuwe verzekeraar overgedragen verzekeringsportefeuille vreemd overkomt. Dit is echter wel degelijk de logische consequentie van de gedachte dat de provisieaanspraken tussen verzekeraar en assurantietussenpersoon onderdeel zijn van hun privaatrechtelijke rechtsverhouding. Voor de verzekeraar die zijn verzekeringsportefeuille overdraagt, houden deze verplichtingen pas op per het moment dat hij deze verplichtingen op civielrechtelijk rechtsgeldige wijze overdraagt aan de verkrijgende verzekeraar.
In dit kader is ook van belang dat het recht op doorlopende provisie een beloning of vergoeding is (in welke vorm dan ook) voor de bemiddeling of advisering door de assurantietussenpersoon voor de tot stand gekomen verzekeringen.8 Dit recht is zeker niet uitsluitend een vergoeding voor de premie-incasso waartoe de assurantietussenpersoon op grond van art. 4:104 lid 1 Wft jegens de nieuwe verzekeraar gerechtigd is. Indien de doorlopende provisie alleen een vergoeding zou zijn voor de premie-incasso dan zou men eventueel kunnen betogen, dat het recht op premie-incasso en het recht op doorlopende provisie met elkaar samenhangende rechten zijn jegens de nieuwe verzekeraar. De doorlopende provisie is echter meeromvattend. Dat de doorlopende provisie vaak wordt berekend over de premie die vanaf de ingangsdatum van de verzekering periodiek wordt geïncasseerd, doet daaraan niet af.
Zoals ik hiervoor al opmerkte, is het evenmin zo dat de verplichting van een verzekeraar tot betaling van doorlopende provisie met de instemming van DNB voor de portefeuilleoverdracht overgaat naar de nieuwe verzekeraar. De instemming van DNB betreft alleen de rechten en verplichtingen krachtens de verzekeringen. In een uitspraak uit 1994 heeft de Kantonrechter Tilburg9 destijds wel aangenomen dat het met toestemming van de Verzekeringskamer overnemen door een verzekeraar van schadeverzekeringsovereenkomsten door een andere verzekeraar ook meebracht dat de verplichtingen van die verzekeraar tot betaling van prolongatieprovisie overgingen op de overnemende verzekeraar. Het betrof een situatie waarin de assurantietussenpersoon na een portefeuilleoverdracht door N.V. Brand- en Varia Verzekeringsmaatschappij De Twaalf Gewesten aan N.V. Interpolis Zorgverzekeringen een brief ontving waarin hem werd medegedeeld dat zijn agentschap voortaan een agentschap van de verkrijgende verzekeraar zou zijn en dat de provisie lager zou zijn dan hij gewend was. De rechter was van mening dat de rechten en verplichtingen van de assurantietussenpersoon een “sequeel” vormden van de verzekeringsportefeuille van de verzekeraar. Ik deel deze opvatting niet. Voor wat betreft zijn provisieaanspraken wordt de rechtspositie van de assurantietussenpersoon er mijns inziens door bepaald of al dan niet aan de wettelijke vereisten van art. 6:159 (inzake contractsoverneming) of 6:155 BW (inzake schuldoverneming) is voldaan.
Kort samengevat is de situatie naar mijn mening dus als volgt. In samenwerkingsovereenkomsten tussen bemiddelaars en schadeverzekeraars zijn meestal afspraken over afsluitprovisie en doorlopende provisie opgenomen.1011 De schadeverzekeraar die zijn verzekeringsportefeuille overdraagt aan een andere schadeverzekeraar zal bijvoorbeeld niet belast willen blijven met de verplichting om aan tussenpersonen doorlopende provisie voor al tot stand gekomen verzekeringsovereenkomsten te betalen. Dat is waarom hij zal aansturen op contractsoverneming van de samenwerkingsovereenkomst of anders schuldoverneming van de verplichting om doorlopende provisie te betalen. In geval van schuldoverneming zal de overdragende schadeverzekeraar de samenwerkingsovereenkomsten met de bemiddelaars opzeggen.