Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/3.5.3
3.5.3 De verzoekschriftprocedure; art. 3 Rv
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS434197:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken // 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 29 (MvT).
De aanhef van art. 3 Rv is in deze zin gewijzigd bij Wet van 16 februari 2006, Stb. 2006, 123, in werking getreden op 1 mei 2006 krachtens KB van 7 april 2006, Stb. 2006, 193 (Uitvoeringswet internationale kinderbescherming). Zie nader P. Vlas & F. Ibili, WPNR (2003) 6527, p. 316-317; conclusie A-G Strikwerda, onder nr. 22, voor I-IR 19 maart 2004, NJ 2004, 295 (PV).
Kamerstukken // 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 18 (MvT).
Kamerstukken // 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 30 (MvT). Verder zou kunnen worden gedacht aan het verzoek van een erfgenaam tot het verkrijgen van een verlof tot verzegeling van de in Nederland gelegen bestanddelen van een in het buitenland opengevallen nalatenschap (art. 658 e.v. Rv). Art. 3 sub b Rv verklaart de Nederlandse rechter bevoegd indien de verzoeker met woonplaats in het buitenland een vordering tot verdeling van de nalatenschap heeft ingesteld of zal instellen tegen de in Nederland woonachtige erfgenamen.
Zie par. 4.2.2.
Zie hoofdstuk 4.
Kamerstukken II 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 30 (MvT).
Kamerstukken // 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 30 (MvT). Enigszins afgezwakt in Kamerstukken 12001/ 02, 26 855, nr. 16, p. 14 (MvA): 'Hoewel de kans dat een rechtsmachtbepaling voor verzoekschriften, gebaseerd op de woonplaats of gewone verblijfplaats van de verzoeker in andere landen als exorbitant zal worden beschouwd, gering is, is zij niet uit te sluiten.'
M.E. Koppenol-Laforce & X. Kramer, 'Kroniek van het internationaal privaatrecht. Deel I: Internationaal procesrecht 1998-2002', NTBR 2003, p. 211; M. Freudenthal, 'Internationale bevoegdheid in erfrechtelijke zaken', Nieuw Erfrecht 2003, p. 59, noot 20.
De hoofdregel voor de commune rechtsmacht van de Nederlandse rechter in zaken die met een verzoekschrift moeten worden ingeleid, is te vinden in art. 3 Rv. Deze hoofdregel ziet alleen op zaken waarop Titel 3Boek 1 Rv van toepassing is.1 Blijkens de aanhef van deze bepaling geldt de hoofdregel niet voor de in art. 4 en 5 Rv genoemde verzoekschriftprocedures. In art. 4 en art. 5 Rv is een lex specialis te vinden voor echtscheidingsprocedures resp. zelfstandige procedures inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid. Art. 4 en 5 Rv hebben dus een exclusieve werking ten opzichte van de hoofdregel in art. 3 Rv.2 Net als art. 2 Rv is ook art. 3 Rv beperkt tot gevallen die buiten het toepassingsgebied van internationale regelingen vallen, zodat de Rb. Amsterdam, Sec. Kanton 10 oktober 2002, NIPR 2003, 28, zich in een door de EEX-Verordening bestreken arbeidszaak niet bevoegd had mogen verklaren op grond van 'art. 2 lid 1 van de EEX-Verordening (...) jo. art. 3 sub a Rv' en 'art. 6 lid 1 van dezelfde verordening jo. art. 3 sub a Rv'.
Art. 3 sub a Rv verklaart de Nederlandse rechter bevoegd indien de verzoeker of, in het geval van meerdere verzoekers, één van hen, dan wel een van de in het verzoekschrift genoemde belanghebbenden in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft.3 Tussen de woonplaats en gewone verblijfplaats van de verzoeker en de belanghebbenden bestaat geen hiërarchie, zodat zij van gelijke rang zijn. Volgens de Memorie van Toelichting dient onder de in Rv gehanteerde begrippen verzoeker en belanghebbende in beginsel tevens te worden verstaan diens gemachtigde of procureur.4 Dit geldt echter niet voor art. 3 Rv. Zou dat wel het geval zijn, dan zou op betrekkelijk eenvoudige wijze de rechtsmacht van de Nederlandse rechter kunnen worden gecreëerd, namelijk door het stellen van een procureur of gemachtigde hier te lande. Art. 3 sub b Rv is een praktische bepaling die van belang is als het in te stellen verzoek nauw samenhangt met een bij dagvaarding ingeleid of in te leiden geding. Indien de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft in de bij dagvaarding ingeleide of in te leiden procedure, komt hem eveneens rechtsmacht toe in het daarmee verband-houdende verzoekschrift. Rechtsmacht bestaat dus bijvoorbeeld in het verzoek tot het leggen van conservatoir beslag in een procedure betreffende een in Nederland gelegen onroerende zaak (art. 6 sub f Rv), terwijl partijen geen woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland hebben.5 Indien in een verzoekschriftprocedure voor de Nederlandse rechter geen rechtsmacht volgt uit art. 3 sub a, sub b of art. 6 Rv kan de rechter deze eventueel nog baseren op het forum conveniens van art. 3 sub c Rv.6 Hiervoor is vereist dat de zaak anderszins voldoende verbonden is met de rechtssfeer van Nederland.7
In personen- en familierechtelijke zaken is de woonplaats of gewone verblijfplaats van de verzoeker geen ongebruikelijke aanknopingsfactor. Het is de verzoeker om wiens belangen het in verzoekschriftprocedures primair gaat en binnen wiens woonplaats of gewone verblijfplaats de verzochte maatregel veelal effect sorteert, aldus de redenering van de wetgever. Bovendien kan het in verzoekschriftprocedures voorkomen dat er naast de verzoeker geen andere belanghebbenden zijn.8 Is er wel een belanghebbende, dan kan ook worden aangeknoopt bij diens woonplaats of gewone verblijfplaats. De kans dat de woonplaats of gewone verblijfplaats van de verzoeker in verzoekschriftprocedures — vooral in personen- en familierechtelijke zaken — in het buitenland als exorbitante basis voor rechtsmacht wordt beschouwd, is volgens de Memorie van Toelichting om deze redenen te verwaarlozen.9 De aanknopingsfactoren uit art. 3 sub a Rv komen grotendeels overeen met die in art. 429c (lid 1) Rv oud. Beide bepalingen hanteren de woonplaats van de verzoeker als aanknopingsfactor. De artikelen lopen echter op het volgende punt uiteen. Bij gebreke van een woonplaats in Nederland kon onder art. 429c (lid 1) Rv oud het werkelijk verblijf van de verzoeker in Nederland als basis voor rechtsmacht fungeren. Art. 3 sub a Rv hanteert echter de gewone en niet de werkelijke verblijfplaats in Nederland, zodat het niet geheel juist is om te stellen dat beide bepalingen wat betreft de daarin gebezigde aanknopingspunten identiek zijn.10 Geheel verdwenen is de werkelijke verblijfplaats niet. Het blijft namelijk als onderdeel van het in art. 1:10 lid 1 BW gebezigde woonplaatsbegrip competentiescheppend, indien de betrokkene in Nederland noch in het buitenland woonstede heeft. Verder komt het terug in art. 99 lid 2 en art. 262 sub a Rv voor de interne relatieve competentie.