De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer
Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/5.5.10.2:5.5.10.2 Dekkingsgeschillen tussen verzekeraar en waarborgfonds
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/5.5.10.2
5.5.10.2 Dekkingsgeschillen tussen verzekeraar en waarborgfonds
Documentgegevens:
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS394772:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Feyock, Jacobsen & Lemor, 2. Teil - Pflichtversicherung, Bemerkung 32 bij § 12PflVG.
Zie Lambert-Faivre & Leveneur, nr. 866.
Idem, nr. 867.
Zie Handboek Schaderegeling Motorrijtuigen (Zijlstra), nr. 710 - 27 en (Olthoff), nr. 930 - 1 e.v.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor wat betreft de regeling van de Richtlijn kan worden verwezen naar paragraaf 5.2.10. Daar is reeds opgemerkt dat de Nederlandse wetgever aansluiting heeft gezocht bij de zogenaamde schuldloze-derderegeling van het Verbond van Verzekeraars. Alvorens deze regeling en de oplossing van de Wam voor geschillen tussen het Waarborgfonds Motorverkeer en een verzekeraar nader te beschrijven, wordt eerst onderzocht hoe de Belgische, Duitse en Franse wetgever deze Richtlijnverplichting hebben uitgewerkt.
In België bepaalt art. 19bis - 18 Wam:
"Bij onenigheid tussen het Fonds en de toegelaten of van toelating vrijgestelde verzekeringsonderneming over de vraag wie van beide de benadeelde moet vergoeden, vergoedt het Fonds in eerste instantie de benadeelde. Indien uiteindelijk wordt besloten dat de verzekeringsonderneming de vergoeding of een gedeelte daarvan had moeten betalen, betaalt deze het bedrag van de schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke intresten, terug aan het Fonds. Die intresten lopen vanaf de betalingen van het Fonds aan de benadeelde."
Het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds vergoedt dus in eerste instantie de schade, met een door een rentevergoeding versterkt regresrecht op de verzekeraar.
In Duitsland is voor de oplossing gekozen, dat het waarborgfonds op grond van een Selbstverpflichtungserklärung de schade regelt "für Rechnung dessen, den es angeht".1
Het Franse waarborgfonds tot slot heeft een zeer achtergestelde rol. In het geval waarin de verzekeraar het bestaan van de verzekeringsovereenkomst betwist, dan wel de nietigheid van het contract of de schorsing van de dekking inroept, zal - als het Fonds de Garantie dit verweer niet accepteert - de verzekeraar de schade hebben te regelen voor rekening van wie het aangaat. Zie de art. R.421 - e.v. Code des Assurances - Partie réglementaire. De procedure ex art. R.421 - 5 e.v. verplicht de benadeelde in de praktijk te procederen tegen de verzekeraar en de (wellicht onverzekerde) aansprakelijke.2 Alle voertuigen die betrokken zijn bij een ongeval zijn immers hoofdelijk aan te spreken. Is één voertuig verzekerd, dan is er voor het waarborgfonds geen rol; hetzelfde geldt voor schade die uit anderen hoofde reeds is of wordt vergoed. Dit betekent dat het Fonds de Garantie slechts zeer zelden tot uitkering zal hebben over te gaan.
Lambert-Faivre & Leveneur oefenen kritiek op deze in hun ogen te ingewikkelde, weinig bevredigende procedure. Haar complexiteit is vooral als het ongeval tot een strafrechtelijke procedure heeft geleid voor de benadeelde bezwarend. "Le caractère de subsidiarité de son intervention (van het Fonds de Garantie, FJB) l'incite à rechercher coûte que coûte un `véhicule impliqué' et 'assuré' pour ne pas avoir à donner sa garantie lorsqu'il est mise en cause." Deze schrijvers vragen zich af of dit in overeenstemming is met de 'raison d'être' van een waarborgfonds en of deze bestaansgrond niet veeleer erin ligt slachtoffers op een snelle en efficiënte manier aan schadevergoeding te helpen.3
In Nederland heeft de wetgever aansluiting gezocht bij de Schuldloze-derderegeling die de in het Verbond van Verzekeraars verenigde motorrijtuigassuradeuren (en de algemene aansprakelijkheidsverzekeraars) reeds in de jaren '70 van de vorige eeuw - op aandrang van de tuchtrechter, de Raad van Toezicht op het Schadeverzekeringsbedrijf - tot stand hebben gebracht.
Deze regeling houdt - kort gezegd - het volgende in:
Om te voorkomen dat een partij die buiten zijn schuld bij een verkeersongeval schade lijdt de dupe wordt van een (wellicht langdurige) discussie tussen twee of meer verzekeraars over de vraag wie van hen de schade dient te vergoeden, zal de eerst aangesproken verzekeraar de schade met hem regelen, voor rekening van wie het aangaat. De benadeelde draagt zijn vorderingen op andere betrokken verzekeraars over aan de regelende verzekeraar.
Als Schuldloos' wordt beschouwd een slachtoffer waarvan in redelijkheid kan worden aangenomen dat deze part noch deel heeft gehad aan het ontstaan van het ongeval. De regelende verzekeraar kan - na met het regelen van de schade te zijn begonnen - aan elk van de overige betrokken verzekeraars een evenredige bijdrage in de tot dat moment betaalde schade en gemaakte kosten vragen. Evenredig betekent in dit verband in beginsel naar rato van het aantal betrokken verzekeraars, maar als duidelijk is dat de draagplicht van deze verdeling afwijkt kan deze participatie ook op basis van de schuldvraag geschieden. Uiteindelijk zal tussen de betrokken verzekeraars op basis van de draagplicht worden afgewikkeld.4
Het principe dat de schuldloze derde schadeloos wordt gesteld door de als eerste door hem aangesproken partij heeft gediend als uitgangspunt voor de regeling van art. 25 lid 4 Wam, waarmee uitvoering is gegeven aan de verplichting van art. 11 van de Richtlijn.
Er bestaat echter een aantal verschillen tussen de 'Schuldloze -derderegeling' tussen verzekeraars en art. 25 lid 4 Wam. In de eerste plaats zal het Waarborgfonds Motorverkeer de benadeelde, als het door deze als eerste werd aangesproken, in beginsel verwijzen naar een eventueel betrokken verzekeraar en pas de schaderegeling ter hand nemen als deze verzekeraar gehoudenheid tot het vergoeden van de schade afwijst. De ratio daarvan is dat voor het Waarborgfonds Motorverkeer geen rol is weggelegd als de schade ten laste van een verzekeraar behoort te komen. In de tweede plaats kent art. 25 lid 4 Wam geen participatie-regeling.
Uit het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2009 blijkt dat de benadeelde bij een ongeval zijn op art. 25 lid 4 gebaseerde vordering dient te richten tot degene die door één van de andere benadeelden als eerste is aangesproken en niet tot een andere partij die hij zelf als eerste wenst aan te spreken.5 Heeft derhalve bijvoorbeeld - een regresnemende casco-verzekeraar als eerste het Waarborgfonds Motorverkeer aangesproken en moet het Waarborgfonds de schade behandelen, dan zal het Waarborgfonds ook de vorderingen van andere benadeelden afhandelen, ook als dezen zich eerst (maar nadat de casco-verzekeraar zijn vordering heeft ingediend) tot een verzekeraar hebben gewend.
De tweede volzin van art. 25 lid 4 bepaalt dat, indien mocht blijken dat de andere geheel of gedeeltelijk tot vergoeding van de schade gehouden is, deze tot verrekening zal overgaan, zonder te bepalen op welke basis deze verrekening moet plaatsvinden. Uiteindelijk zal de afwikkeling tussen het Waarborgfonds Motorverkeer en eventueel (mede)draagplichtige verzekeraars plaatsvinden naar de regels van burgerlijk recht, maar een verplichting om al tijdens het proces van schaderegeling bij te dragen in de schade en de kosten kent art. 25 lid 4 Wam niet.
De regeling werkt in de praktijk bevredigend. Het aantal gevallen waarin op art. 25 lid 4 Wam een beroep wordt gedaan is gering.