Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/2.2.5
2.2.5 Europese richtlijnen
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250217:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vierde Richtlijn van de Raad van 25 juli 1978 op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g) van het Verdrag betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (78/660/EEG), PbEG 1978, L 222/11. Hierna: ‘de Vierde EEG-richtlijn’. Zie Beckman 2015c, p. 19-22.
Zevende Richtlijn van de Raad van 13 juni 1983 op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g) van het Verdrag betreffende de geconsolideerde jaarrekening (83/349/EEG), PbEG 1983, L 193/1. Hierna: ‘de Zevende EEG-richtlijn’. Zie Beckman 2015c, p. 22-25.
Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad, PbEU 2013, L 182/19. Zoals gewijzigd bij Richtlijn 2014/95/EU van 22 oktober 2014 tot wijziging van Richtlijn 2013/34/EU met betrekking tot de bekendmaking van niet-financiële informatie en informatie inzake diversiteit door bepaalde grote ondernemingen en groepen, PbEU 2014, L 330/1.
In art. 57 van de Vierde EEG-richtlijn werd niet verwezen naar de moeder- en dochteronderneming maar naar de beheersende en de afhankelijke vennootschap. In art. 43 van de Zevende EEG-richtlijn en thans in art. 37 van de richtlijn jaarrekeningen wordt wel verwezen naar de moeder- en dochteronderneming. Omwille van de duidelijkheid hanteer ik hier de huidige termen.
Stb. 1983, 663.
Zie art. 256bis Loi du 10 août 1915, Mémorial A-N 40, 10 mai 1984, gewijzigd bij Loi du 11 juillet 1988, art. IV, Mémorial A-N 45, 18 août 1988 (waarbij art. 256bis is verdwenen en de regeling is opgenomen in art. 256-1 en art. 256-2), thans art. 70 Loi du 19 décembre 2002, Mémorial A-N 149, 31 décembre 2002, met inachtneming van de wijzigingen bij Loi du 18 décembre 2009, art. 99 onder nr. 3, Mémorial A-N 22, 10 février 2010, bij Loi du 30 juillet 2013, onder nr. 29, Mémorial A-N 177, 2 octobre 2013 en bij Loi du 27 mai 2016, art. 1er onder nr. 24, Mémorial A-N 94, 30 mai 2016. Zie E.C.A. Nass 2019, p. 31-33, waar zij uitgebreider ingaat op deze regeling.
Zie section 17 Companies (Amendment) Act 1986. Thans section 357 Companies Act 2014. Zie E.C.A. Nass 2019, p. 33-34, waar zij uitgebreider ingaat op deze regeling.
Zie § 264 Absatz 3 & 4 Handelsgesetzbuch. Zie E.C.A. Nass 2019, p. 35-38, waar zij uitgebreider ingaat op deze regeling.
Zie E.C.A. Nass 2019, p. 3, waar zij enkele voorbeelden geeft.
Met art. 57 van de Vierde EEG-richtlijn is voor lidstaten de mogelijkheid geïntroduceerd om een onder hun recht vallende dochteronderneming onder voorwaarden vrij te stellen van de voorschriften uit de richtlijn betreffende de inhoud, controle en openbaarmaking van de jaarrekening.1 Deze regeling is later opgenomen in art. 43 van de Zevende EEG-richtlijn2 en staat thans in art. 37 van de richtlijn 2013/34/EU (hierna: ‘de richtlijn jaarrekeningen’).3 De genoemde voorwaarden houden onder meer in dat de aandeelhouders of vennoten van de dochteronderneming hebben ingestemd met het gebruikmaken van de vrijstelling, de financiële gegevens van de dochteronderneming zijn opgenomen in de geconsolideerde financiële overzichten van de moederonderneming4 die overeenkomstig de richtlijn zijn opgesteld, de moederonderneming heeft verklaard garant te staan voor de aangegane verplichtingen van de dochteronderneming en de moederonderneming onder het recht van een lidstaat valt.
Nederland heeft in 1983 van bovengenoemde mogelijkheid gebruikgemaakt met de implementatie van art. 57 van de Vierde EEG-richtlijn in art. 2:403 BW.5 Naast Nederland is de regeling ook geïmplementeerd in de Luxemburgse,6 Ierse7 en Duitse8 wetgeving. Nass merkt op dat verschillende andere lidstaten geen gebruikmaken van deze mogelijkheid omdat de in die lidstaten geldende fiscale wetgeving, vennootschapswetgeving en/of de voorgeschreven toepassing van boekhoudstelsels dit belet.9