Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/6.4
6.4 Prijsgeven van het algemene opschortingsrecht
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950280:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 203. Aldus ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/61; Asser/Sieburgh 6-I 2020/274 en Van Leuken, Van de Moosdijk & Tweehuysen 2017/357. Zie Tjittes & Boom, Rechtsverwerking en klachtplichten (Mon. BW nr. A6b) 2020/8 over de vraag in hoeverre rechtsverwerking en de beperkende werking van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid van elkaar zijn te onderscheiden.
Zie Tjittes & Boom, Rechtsverwerking en klachtplichten (Mon. BW nr. A6b) 2020/6 met verwijzing naar o.a. HR 16 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0932, NJ 1993/367 (Amaya/Aruba Hotel). Aldaar zetten zij ook uiteen dat afstand van recht en rechtsverwerking van elkaar te onderscheiden, verschillende leerstukken zijn. Zie over afstand van recht als rechtshandeling ook Spierings, Afstand van recht (Mon. BW nr. A6a) 2019/13 en 14. Zie over afstand van retentierecht Spierings, Afstand van recht (Mon. BW nr. A6a) 2019/55 en Fesevur, Voorrechten en retentierecht (Mon. BW nr. B13) 2017/25, onderdeel k.
Zie bijv. Rb. Midden-Nederland 19 januari 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:48, r.o. 4.3-4.4.
Vgl. Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 171, over de voortijdige nakoming van een verbintenis onder opschortende tijdsbepaling.
Zie bijv. Hof Amsterdam 25 januari 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:152, r.o. 3.4.1 en 3.4.5 en ook bijv. Rb. Zeeland-West-Brabant 26 april 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:2893, r.o. 4.14. Zie HR 4 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AB6925, NJ 1977/337, m.nt. G.J. Scholten (televisietoestel), voor de overweging dat in het enkele gebruik van een niet goed functionerende televisie, die nog niet door de verkoper was opgehaald, nog niet een aanvaarding daarvan besloten ligt waardoor de koper de betaling van de koopsom niet meer zou kunnen opschorten.
Zie resp. Rb. Overijssel 21 juni 2022, ECLI:NL:RBOVE:2022:1927, r.o. 6.10; Hof Arnhem-Leeuwarden 12 maart 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:2213, r.o. 4.6.5 en Rb. Rotterdam 12 april 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:1808, r.o. 4.20. Vgl. anders Hof Arnhem 26 mei 1987, ECLI:NL:GHARN:1987:AC9870, NJ 1988/1023.
Zie Meijers 1933, p. 305 (“Komt hij immers zijn verplichting na, wetende, dat de wederpartij nog niet gepraesteerd heeft, dan heeft hij daarmede afstand gedaan van een hem ten dienste staand verweermiddel.”). Zie bijv. ook Rb. Noord-Holland 4 januari 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:84, r.o. 5.23; Rb. Noord-Holland 19 december 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:11122, 4.14 en Rb. Gelderland (vzr.) 6 december 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:5397, r.o. 4.6. In dergelijke gevallen is mijns inziens veeleer niet voldaan aan het vereiste van het bestaan van een verbintenis omdat die door nakoming is tenietgegaan (zie § 3.6.1) of wordt de nakoming daarvan niet uitgesteld (zie § 3.6.4), zodat om die redenen geen opschortingsrecht meer bestaat. Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 26 februari 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:1816, r.o. 5.13 en voorts Rb. Gelderland 19 oktober 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:6816, r.o. 4.14 waarin door een verrekeningsverklaring van de schuldenaar zijn terugbetalingsverplichting en openstaande factuur waren tenietgegaan en hij zich niet meer op een eventueel opschortingsrecht kon beroepen.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 208 en 994-995. Zie hierover uitvoerig Brandsma 2010. Aldus ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/76. Vgl. art. 6:39 lid 2 BW. Voor zover die nagekomen verbintenis voortvloeit uit een overeenkomst, zal de schuldenaar, om zijn prestatie ongedaan te maken of daarvoor een waardevergoeding te ontvangen, die overeenkomst voor zover mogelijk moeten ontbinden en nakoming van de ongedaanmakingsverbintenis moeten vorderen (zie ook Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 995).
HR 20 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG8788, RvdW 2009/448 (Rebel/Resim), r.o. 4.4.2. Zie bijv. ook Rb. Limburg 18 mei 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:3971, r.o. 2.3 die oordeelde dat storneren geen opschorten is.
HR 15 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0822, NJ 1993/193 (Oosterhuis/Buitenhuis), r.o. 3.4.
Zie ook Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 172.
Zie ook Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 171 en 172.
Zie § 2.8 over het eindigen van een opschortingsbevoegdheid door zekerheidsstelling.
De schuldenaar kan zich niet meer op het algemene opschortingsrecht beroepen als hij dat recht heeft verwerkt.1 Evenmin kan de schuldenaar zich op dat recht beroepen als hij daarvan afstand heeft gedaan.2 Wanneer het doen van afstand van recht is vastgelegd in een overeenkomst, zal doorgaans duidelijk zijn dat de schuldenaar zijn opschortingsrecht wilde prijsgeven.3 Vaker is de vraag of de gegeven omstandigheden leiden tot de conclusie dat de schuldenaar zijn opschortingsrecht heeft verwerkt of dat de wederpartij in die omstandigheden op basis van de gedragingen van haar schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen mocht hebben dat die afstand deed van zijn opschortingsrecht.4 Daarvan blijkt in een aantal voorbeelden uit de rechtspraak. Zo kan de schuldenaar zijn eventuele opschortingsbevoegdheid verliezen als hij gebruikmaakt of blijft maken van de prestatie van zijn schuldeiser.5 Voorts is wel geoordeeld dat een partij zich niet meer op opschorting kan beroepen als zij, ondanks het bestaan van een opeisbare vordering, nieuwe orders aanneemt en meermaals heeft toegezegd te zullen gaan leveren, nieuwe orders plaatst en toezegt te zullen gaan betalen of heeft toegezegd zich van opschorting te onthouden.6 Ook het geheel of gedeeltelijk nakomen van de verbintenis wordt wel uitgelegd als het doen van afstand van recht.7 De prestatie die ondanks een opschortingsbevoegdheid is nagekomen, kan niet worden teruggevorderd op grond van een onverschuldigde betaling als bedoeld in artikel 6:203 BW.8 Het eigenmachtig ‘terugdraaien’ van een verrichte prestatie kwalificeert niet als het uitoefenen van een opschortingsrecht.9 De schuldenaar is niet gerechtigd het nadeel dat hij door het prijsgeven van een opschortingsrecht lijdt weg te nemen door voorafgaand aan zijn nakoming van zijn wederpartij een zekerheidsstelling voor haar nakoming te verlangen.10 Niet is echter uitgesloten dat de schuldenaar jegens zijn wederpartij op grond van een ongerechtvaardigde verrijking als bedoeld in artikel 6:212 BW aanspraak kan maken op de vergoeding van de schade die hij lijdt ten gevolge van de nakoming in weerwil van een opschortingsbevoegdheid en waartegenover een verrijking van zijn wederpartij staat.11 Ook een schadevergoeding op grond van een onrechtmatige daad is denkbaar, bijvoorbeeld wanneer de schuldenaar door bedrog van zijn wederpartij in de waan is gebracht dat zijn verbintenis weer opeisbaar was.12 Die situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als de schuldenaar door zijn wederpartij opzettelijk wordt misleid met een vervalste zekerheidsstelling voor de voldoening van zijn vordering.13