Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/9.1
9.1 Inleiding
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685440:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 3.5 en par. 4.4. Vanuit de overheid bezien wordt door haar informatie verstrekt om burgers te informeren over het geldend recht en hun rechtspositie. Als uitgangspunt bij die informatie moet gelden dat daarop vertrouwd kan en mag worden (vgl. Van de Sande 2019a, hoofdstuk 2). Dit past bij de rechtsstatelijke inbedding van informatieverstrekking, op grond waarvan op de overheid de taak rust om burgers ‘rechtszeker’ te maken over hun rechtspositie, nu raadpleging van de (complexe) wet- en regelgeving slechts beperkt een burger in die positie kan brengen (par. 2.4.4).
Onjuiste informatieverstrekking kan ook een schending van een wettelijke verplichting behelzen. Omdat ik de (on)rechtmatigheid van de inlichtingen zelf analyseer, kijk ik slechts naar informatieverstrekking die een schending van de zorgvuldigheidsnorm kan opleveren (par. 1.5). Zie voor een overzicht van wettelijke verplichtingen tot informatieverstrekking Van de Sande 2019a, par. 4.3 en par. 4.5.
In het vorige hoofdstuk zijn de civielrechtelijke gevolgen van een vertrouwensschending bij de totstandkoming en nakoming van bevoegdhedenovereenkomsten en toezeggingen geanalyseerd. In dit hoofdstuk gaat het niet om de totstandkoming en nakoming van door de overheid gewekt vertrouwen bij rechtshandelingen, maar om vertrouwen op de juistheid van door de overheid verstrekte informatie. Dat verstrekken van informatie kan zowel op verzoek van een burger plaatsvinden, als uit eigen beweging en kan samenhangen met publiekrechtelijke besluitvorming maar daar ook los van staan.
Zoals beschreven, kan onder omstandigheden op de overheid een (buitencontractuele) waarheidsplicht rusten die erop is gericht dat zij er zorg voor moet dragen dat burgers op basis van door haar verstrekte informatie goed geïnformeerde toekomstige beslissingen kunnen nemen.1 De overheid kan die verplichting – die voortvloeit uit de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm van artikel 6:162 BW2 – schenden door het verstrekken van onjuiste of onvolledige informatie als gevolg waarvan een burger beslissingen neemt die tot schade leiden. Zulke schade komt slechts voor vergoeding in aanmerking indien de burger gelet op de concrete omstandigheden van het geval ook gerechtvaardigd op die informatie mocht vertrouwen en heeft vertrouwd.
Aan de hand van de vereisten voor aansprakelijkheid uit de onrechtmatige daad beschrijf ik wanneer het verstrekken van onjuiste of onvolledige informatie tot overheidsaansprakelijkheid leidt. Eerst moet worden vastgesteld of sprake is van een onrechtmatige handeling (paragraaf 9.3), daarna of die handeling aan de overheid kan worden toegerekend (paragraaf 9.4) en of sprake is van schade die met de onrechtmatige handeling in causaal verband staat (paragraaf 9.5). Tot slot dient voldaan te zijn aan het relativiteitsvereiste (paragraaf 9.6).
Ik beschrijf eerst (paragraaf 9.2) drie aan de rechtspraak ontleende casus die illustreren welk soort geschillen ik in dit hoofdstuk analyseer. In alle drie die gevallen heeft een burger de overheid succesvol aansprakelijk gesteld wegens onjuiste informatieverstrekking. Deze casus komen bij de behandeling van de vereisten voor aansprakelijkheid telkens terug om te laten zien hoe de civiele rechter die vereisten in concrete gevallen toepast.