Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/2.4
2.4 Rechtvaardiging voor de wetgever
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS398519:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. T.M., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 72 en T.M., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 733. Ook was altijd al beoogd de huurkoopovereenkomst – een bijzonder type overeenkomst met daarin een beding van eigendomsvoorbehoud – nader te regelen in Boek 7. Inmiddels is die regeling neergelegd in art. 7:84 e.v. BW, waarvoor de oude regeling van art. 1576h e.v. BW model heeft gestaan.
M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 388.
M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 388.
T.M., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 317.
Verstijlen & Vriesendorp 1994, p. 519. Niet zozeer de overdracht tot zekerheid achtte de wetgever, althans Meijers, namelijk bezwaarlijk, maar het rechtsgevolg van de overdracht: de oneigenlijke figuur van zekerheidseigendom. Zie Struycken 2007, p. 494-499 en hierna in hoofdstuk 9, paragraaf 9.5. Vgl. ook S.C.J.J. Kortmann, ‘Struikelt leasing over de dode letter van art. 3:84 lid 3 BW?’, WPNR 1994 (6119), p. 19, voetnoot 7, die echter uit de toelaatbaarheid van het eigendomsvoorbehoud lijkt af te leiden dat de wetgever nadien het verbod wilde beperken tot de overdracht tot zekerheid.
M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 388.
M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 388.
Reehuis 2013, nr. 37 en Verstijlen 2015, art. 3:92 BW, aant. A3.
Zie M.v.T. Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1195-1196. Vgl. Reehuis 2013, nr. 37.
HR 4 december 1998, NJ 1999, 549 m.nt. W.M. Kleijn (Potharst/Serrée), rov. 3.6.4.
Vgl. Verheul 2014b, p. 525-526.
Hoewel het eigendomsvoorbehoud voor 1992 ook al een belangrijk instrument was voor de verkoper om zich te wapenen tegen betalingsonmacht van de koper, kende de figuur geen wettelijke regeling. Alleen voor huurkoop bestond sinds 1936 een wettelijke regeling (art. 1576h e.v. BW (oud)). Aanvankelijk leek het eigendomsvoorbehoud evenmin wettelijk te worden geregeld in het Nieuw Burgerlijk Wetboek. Dat zou echter niet tot gevolg hebben dat het niet mogelijk zou zijn een eigendomsvoorbehoud te bedingen; de mogelijkheid van een eigendomsvoorbehoud komt meermaals aan de orde in de parlementaire geschiedenis.1 Het beding behoeft niet noodzakelijkerwijs een uitdrukkelijke regeling: de mogelijkheid tot het bedingen van een eigendomsvoorbehoud volgt uit de contractsvrijheid en zou men bijvoorbeeld kunnen afleiden uit de mogelijkheid om de levering uit te stellen of een overdracht onder opschortende voorwaarde te verrichten (art. 3:38 jo. art. 3:84 BW).2
Nadien zag de wetgever desalniettemin reden om het eigendomsvoorbehoud uitdrukkelijk wettelijk te regelen. In 1971 kreeg het eigendomsvoorbehoud een plaats in het ontwerp, door aan de figuur één bepaling te wijden (art. 3.4.2.5b) met daarbij een (met name) op het eigendomsvoorbehoud toegesneden leveringsbepaling (art. 3.4.2.5a). Daarmee beoogde de wetgever twijfel over de toelaatbaarheid en de grenzen van het eigendomsvoorbehoud weg te nemen en de figuur bovendien een plaats te geven in het stelsel van het nieuwe wetboek.3 De twijfels over de toelaatbaarheid en de grenzen van het eigendomsvoorbehoud bestonden er niet zozeer onder het oude recht, maar zouden vanwege het fiduciaverbod kunnen rijzen onder vigeur van het Nieuw BW. De wetgever voorzag kennelijk reeds dat men de toelaatbaarheid van het eigendomsvoorbehoud mogelijk ter discussie zou kunnen stellen vanwege het fiduciaverbod.
Teneinde de toelaatbaarheid van het eigendomsvoorbehoud te onderbouwen, zet de wetgever de figuur in de parlementaire geschiedenis af tegen (de ratio van) het fiduciaverbod. Het fiduciaverbod is volgens de wetgever ingegeven door de gedachte dat zekerheidsoverdrachten ‘aan de verkrijger in beginsel meer recht zouden verschaffen dan zijn belang rechtvaardigt.’4 De schuldeiser heeft slechts behoefte aan zekerheid, maar verkrijgt (volle) eigendom. Daarmee wilde de wetgever afrekenen: ‘[w]ie een goed tot zekerheid van een schuld wil overdragen, moet een pandrecht vestigen.’5 Daarmee stond de wetgever niet enkel een verbod van eigendomsoverdracht tot zekerheid voor ogen, maar een verbod van eigendom tot zekerheid in het algemeen.6
Bij het eigendomsvoorbehoud is hiervan volgens de wetgever echter geen sprake. Van strijd met (de gedachte achter) het fiduciaverbod is volgens de wetgever geen sprake: de verkoper ‘heeft niet slechts behoefte aan een zekerheidsrecht, maar ook aan het behoud van zijn eigendomsrecht zelf.’7 Daarvoor wordt een tweetal argumenten aangevoerd.
‘Vooreerst kan bij wanprestatie de verkoper in plaats van nakoming ook ontbinding kiezen. Hij heeft in dit laatste geval recht op teruggave van het geleverde goed teneinde daarover weer volledig te kunnen beschikken, door dit zelf te behouden en te gebruiken, dan wel het opnieuw aan een ander te vervreemden en de opbrengst geheel voor zichzelf te houden. In het nieuwe wetboek klemt dit nog meer dan in het huidige recht, omdat anders dan in het huidige recht de ontbinding daar zakelijke werking mist (…).
Voorts zou de verkoper, zo hij geen eigendomsvoorbehoud, doch slechts een bezitloos pandrecht zou kunnen bedingen, als kredietgever achter moeten staan bij de geldkredietgever die zich eerder op alle tegenwoordige en toekomstige goederen van de koper een bezitloos pandrecht heeft bedongen, wat, als de koper een onderneming drijft, gemakkelijk het geval kan zijn. Wie goederen levert, behoort zich hiertegen te kunnen wapenen.’8
Met het eerste argument beoogt de wetgever te onderbouwen waarom het gerechtvaardigd is dat de verkoper eigenaar blijft, terwijl hij met het tweede argument vooral beoogt te verduidelijken dat de voorrangspositie van de verkoper die door het eigendomsvoorbehoud ontstaat ook gerechtvaardigd is. In het navolgende wordt aan deze beide argumenten dan ook wel gerefereerd als ‘eigendomsargument’ en ‘voorrangsargument’. In dit hoofdstuk staat met name het eigendomsargument centraal. In hoofdstuk 3 wordt aandacht besteed aan het voorrangsargument.
Op deze plaats kan wel reeds worden geconstateerd dat het voorrangsargument als zodanig weinig overtuigingskracht bezit voor de toelaatbaarheid van het eigendomsvoorbehoud. Weliswaar moet bedacht worden dat ten tijde van het verschijnen van deze toelichting nog niet de (uitdrukkelijke) mogelijkheid bestond om bij een overdracht een pandrecht voor te behouden,9 maar in ieder geval zou men – als het alleen maar een voorrangskwestie zou zijn – het eigendomsvoorbehoud dan hebben kunnen schrappen toen die mogelijkheid in 1981 alsnog werd geboden.10 Een voorbehouden pandrecht heeft immers een hogere rang dan een eerder bij voorbaat gevestigd vuistloos pandrecht.11 Bovendien kan de omstandigheid dat de verkoper een belang heeft om voor te gaan boven de geldkredietgever, niet onderbouwen dat de verkoper daarom ook belang zou hebben bij behoud van de eigendom zelf. Als het slechts zou gaan om een beslechting van een rangconflict, zou de verkoper enkel behoefte hebben aan een zekerheidsrecht met een hogere rang. Het zou dan voor de hand liggen – in het bijzonder tegen de achtergrond van het fiduciaverbod – om simpelweg te regelen dat een door de verkoper bedongen zekerheidsrecht een hogere rang heeft dan een (eerder) door de geldkredietverschaffer bedongen pandrecht.12 Het toekennen van een eigendomsrecht enkel om de verkoper de hoogste aanspraak te garanderen, zou – als de verkoper slechts een zekerheidsbelang heeft – zich moeilijk verdragen met het fiduciaverbod. Het argument maakt wel duidelijk dat de wetgever de belangen van de onbetaald gebleven verkoper met betrekking tot de verkochte zaak in het algemeen hoger aanslaat dan aanspraken van anderen op de desbetreffende zaak.
Belangrijker is het eerste argument, dat verklaart waarom de verkoper ook een belang heeft om de zaak zelf te behouden. Dit volgt uit de omstandigheid dat het eigendomsvoorbehoud is ingebed in de koopovereenkomst en de voorbehouden eigendom dus niet in relatie staat tot een willekeurige vordering, maar tot de vordering die de tegenprestatie vormt van de prestatie van de verkoper. Het eigendomsvoorbehoud kan niet los worden gezien van de inbedding van het beding in de koopovereenkomst. Zonder eigendomsvoorbehoud zou de verkoper namelijk door ontbinding ook weer eigenaar kunnen worden van de verkochte zaak, indien de koper de verschuldigde koopprijs niet voldoet. Bovendien was de verkoper voor sluiting van de koopovereenkomst ook al eigenaar van de desbetreffende zaak. Het eigendomsvoorbehoud roept derhalve geen situatie in het leven die, bij gebreke van het beding, voor de totstandkoming van de koopovereenkomst of na de ontbinding van de koopovereenkomst niet ook zou bestaan: ook dan zou de verkoper eigenaar van de zaak zijn. Bovendien is het belang bij behoud van de zaak zelf voor de verkoper niet gelegen in de omstandigheid dat hij zich voor de niet-betaalde koopprijs kan verhalen op de verkochte zaak. Na ontbinding van de koopovereenkomst kan de verkoper weer vrijelijk beschikken over de zaak. Hij kan besluiten de zaak hernieuwd te vervreemden, maar zou de zaak ook zelf kunnen behouden en gebruiken. Anders dan een zekerheidseigenaar of pandhouder, heeft de verkoper in voorkomende gevallen dus ook daadwerkelijk wat aan de zaak zelf.13 Dit belang acht de wetgever in het bijzonder beschermenswaardig vanwege het feit dat de ontbinding van de koopovereenkomst onder het huidige recht geen terugwerkende kracht en geen goederenrechtelijke werking heeft (art. 6:269 BW).
Het door de wetgever genoemde eigendomsargument illustreert dat het eigendomsvoorbehoud niet los kan worden gezien van de structuur van de koopovereenkomst, die namelijk gericht is op wederzijdse uitwisseling van de verschuldigde prestaties. Daaruit volgt dat de zaak waarvan de verkoper de eigendom voorbehoudt, niet zomaar een willekeurige zaak is, maar juist de zaak waarvan de verkoper ook al eigenaar was, en dat de vordering waarvoor de eigendom wordt voorbehouden niet zomaar een vordering is, maar de koopprijs die de koper moet voldoen. In het verlengde van het verband dat de wetgever legt tussen het eigendomsvoorbehoud en de ontbinding van de koopovereenkomst, wordt in dit proefschrift verdedigd dat het eigendomsvoorbehoud niet zozeer een zekerheidsrecht is, maar een instrument dat het wederkerige karakter van de koopovereenkomst waarborgt en de rechten van de verkoper bij ontbinding van de koopovereenkomst waarborgt. In de volgende paragrafen wordt dit standpunt nader uitgewerkt.