De grondwetsherzieningsprocedure
Einde inhoudsopgave
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/II.4.9:II.4.9 De Staatscommissie-Cals/Donner, de nota inzake het grondwetsherzieningenbeleid en de Grondwet van 1983
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/II.4.9
II.4.9 De Staatscommissie-Cals/Donner, de nota inzake het grondwetsherzieningenbeleid en de Grondwet van 1983
Documentgegevens:
T. van Gennip, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
T. van Gennip
- JCDI
JCDI:ADS285062:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Eindrapport Staatscommissie-Cals/Donner 1971, p. 20
De Werkgroep Proeve kwam niet met veel nieuwe plannen. Zij stelde o.a. wel voor dat de Eerste Kamer het initiatiefrecht moest toekomen en wilde grondwettelijk verankeren dat de kamers zelf hun voorzitter kozen en niet de Kroon, zie: Proeve van een Nieuwe Grondwet 1966, p. 107 en 131.
Van Leeuwen 2013, p. 145-146.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Staatscommissie-Cals/Donner deed belangrijk voorbereidend werk voor de grondwetsherziening van 1983. Drie leden van de Werkgroep Proeve zetelden in deze staatscommissie (Donner (voorzitter), Van der Hoeven en Jeukens). Net zoals Struycken stelde de staatscommissie dat de Grondwet de voornaamste aspecten van de politieke wils- en besluitvorming beoogt vast te leggen en te waarborgen. De Staatscommissie-Cals/Donner was een brede commissie. Daarin zat bijvoorbeeld ook Daudt, die zoals gezegd kritisch was op de Proeve. Ook David Simons maakte onderdeel uit van deze commissie. Simons heeft tussen 1971 en 1983 een belangrijk aandeel gehad als regeringscommissaris bij de daadwerkelijke totstandkoming van de grondwetsherziening in 1983. De Staatscommissie Cals/Donner geeft de volgende betekenis van de Grondwet:
‘De staatscommissie stelt voorop dat van de Grondwet geen volledige en uitputtende regeling van de staatsorganisatie kan of behoort te worden verwacht. Overheidsbestel en staatkundige samenleving vinden hun oorsprong niet in de constitutionele regeling, al vormen zij tezamen wel het terrein waarop de Grondwet regelend optreedt. De Grondwet beoogt de voornaamste elementen en fasen der politieke wils- en besluitvorming vast te leggen. Die vastlegging heeft ten doel te waarborgen, dat de gang waarlangs en de instellingen door welke wordt beslist wat het algemeen belang op een gegeven ogenblik vordert, zullen vaststaan. Daarmede hangt ook samen, dat de Grondwet, bijvoorbeeld door het vastleggen van grondrechten, een aantal in het verleden heftig omstreden zaken buiten twijfel stelt.’1
De Staatscommissie-Cals/Donner stelde enkele hervormingsplannen voor en ging in dat opzicht verder dan de Werkgroep Proeve.2 Denk aan plannen voor een gekozen formateur, de rechtstreekse verkiezing van de Eerste Kamer, een beperkt districtenstelsel en een sterkere nadruk op sociale grondrechten. De rapportage leidde niet direct tot regeringsvoorstellen, maar leverde belangrijk voorwerk op voor het progressieve kabinet-Den Uyl (1973-1977). In juni 1974 volgde de Nota inzake het Grondwetsherzieningsbeleid van dit kabinet. De zienswijze van het kabinet in deze nota verschilde strikt genomen niet veel van die van de Staatscommissie-Cals/Donner. Niettemin benadrukte het kabinet-Den Uyl meer dat de Grondwet niet te veel moest regelen.
‘De Grondwet beoogt de voornaamste elementen en fasen der politieke wils- en besluitvorming vast te leggen. Zij dient evenwel niet slechts te beantwoorden aan de behoeften die bestaan op het ogenblik waarop zij tot stand komt, maar tevens aan die, welke in de toekomst zullen worden gevoeld. […] Aan de Grondwet mag derhalve niet de eis worden gesteld, dat zij een gesloten stelsel biedt, dat alle bevoegdheden en mogelijkheden, liefst uitputtend, bepaalt. Gelet op de voortdurende verandering en ontwikkeling van het staatkundig leven, van zijn behoeften en problemen kan de Grondwet alleen een factor van stabiliteit vormen wanneer zij niet te veel wil regelen. Zij dient het kader te bieden, waarbinnen veranderingen in de maatschappelijke omstandigheden en in de opvattingen die daaromtrent worden gekoesterd, zullen of kunnen leiden tot herziening of aanvulling van de wetgeving of van andere activiteiten van de overheid.’3
Het kabinet-Den Uyl gaf in deze nota overigens gehoor aan de vernieuwingswensen van regeringspartij D66. In de nota werd namelijk geopteerd voor een gekozen formateur en een districtenstelsel. Er volgde een lange en moeizame parlementaire behandeling over de inhoudelijke vernieuwingsagenda van de nota.4 Over de bovengenoemde onderwerpen als het kiesstelsel en de gekozen formateur bleek een dusdanig grote onenigheid te bestaan, dat van de vernieuwende plannen weinig overbleef. Wat restte, waren vooral de plannen voor een technisch-juridische versobering van de Grondwet, die op inhoud aansloten bij wat al in eerdere grondwetten stond. Pas in april 1976 diende het kabinet de eerste voorstellen in. Er volgde geen uitgesproken nieuwe visie op de Grondwet. Zij koos wel voor een nieuwe indeling van de Grondwet:
‘Deze indeling berust op de gedachte dat in de Grondwet de drie voornaamste elementen van de staatkundige samenleving voorop behoren te gaan, namelijk het volk, de regering en de volksvertegenwoordiging. Daarbij sluiten zich aan bepalingen inzake vaste colleges en inzake diverse onderwerpen van wetgeving en bestuur. Vervolgens kunnen dan als afzonderlijke eenheden volgen de bepalingen inzake de rechtspraak en die betreffende de lagere openbare lichamen. De regeling inzake herziening van de Grondwet vormt daarna het logische slot van de Grondwet […].’5
We zien in deze passage de indeling terug van de huidige Grondwet. De Grondwet van 1983 bevatte nieuwe onderdelen, zoals sociale grondrechten, een anti-discriminatiebepaling, de onaantastbaarheid van het menselijk lichaam, het moment van verkiezingen en de zittingsperiode van de Eerste Kamer en de leeftijd voor het passieve kiesrecht voor de Eerste Kamer. Niet onbelangrijk waren enkele wijzigingen inzake de rechtspraak. Denk aan de uitdrukkelijke deconstitutionalisering van de inrichting en samenstelling van de rechterlijke macht, de invoering van het verbod op de doodstraf, de grondwettelijke verankering van het administratief beroep. Voor een groot deel bevatte de Grondwet van 1983 dezelfde inhoud als daarvoor, deze was in 1983 wel veel strakker geformuleerd en meer gecomprimeerd. Het aantal artikelen was gedaald van 215 (in 1972) naar 142 (in 1983).