Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/2.7.5
2.7.5 Decommittering
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS400771:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie artikel 31 van de Verordening nr. 1260/1999. Deze verordening zag op het FIOV (de voorloper van het Europees Visserijfonds), het EOGFL-O (de voorloper van het ELFPO), het ESF en het EFRO.
Zie artikel 93 van de Verordening nr. 1083/2006 (structuurfondsen); artikel 29 van de Verordening nr. 1290/2005 (ELFPO); artikel 90 van de Verordening nr. 1198/2006 (Europees Visserijfonds).
Zie r.o. 73 van de considerans bij de Verordening nr. 1083/2006 (structuurfondsen).
Zie bijvoorbeeld artikel 96 van de Verordening nr. 1083/2006 (structuurfondsen).
Voor de Europese subsidies die uit de structuurfondsen, het Europees Visserij-fonds en het ELFPO worden verstrekt, geldt het principe van decommittering. Dit principe is voor het eerst geïntroduceerd in de programmaperiode 2000- 20061 en houdt kort gezegd in dat indien de door de Europese Commissie in een bepaald jaar vastgelegde Europese subsidies niet binnen twee jaar door de nationale uitvoeringsorganen zijn besteed, zij ambtshalve komen te vervallen.2 Voor een vastlegging in jaar n, moeten in het jaar n + 2 betalingsaanvragen bij de Europese Commissie zijn ingediend. Dit betekent dat de Europese subsidies á aan de eindontvangers van de Europese subsidie moeten zijn verstrekt en er in dat kader ook al subsidiabele uitgaven moeten zijn gedaan. Zo niet, dan vloeien de niet-vastgelegde Europese subsidies terug naar de Europese begroting. De ratio van deze regel is dat de lidstaten zo snel mogelijk beginnen met het realiseren van het programma.3 Gelet op de periode van twee jaar, wordt het principe van decomittering in de praktijk de 'n+2-regel' genoemd. Er bestaan wel enkele uitzonderingen op de 'n+2-regel', bijvoorbeeld indien sprake is van overmacht aan de zijde van de lidstaat.4 De Europese Commissie dient de lidstaat er wel tijdig van op de hoogte te stellen dat het gevaar bestaat dat vastleggingen ambtshalve worden doorgehaald. De lidstaat heeft vervolgens twee maanden de tijd om akkoord te gaan met het betrokken bedrag of om zijn opmerkingen kenbaar te maken. De Europese Commissie kan haar oordeel dus nog bijstellen. Tegen een beschikking waarin de Europese Commissie besluit vastleggingen ambtshalve door te halen, staat beroep open bij het Gerecht.